|
WinterstopIk hou een winterstop. Hervatting op woensdag 7 januari 2009. Plezierige dagen en een goed nieuwjaar.Ondertussen kunt u zich verpozen met dit mooie monumentale gedicht van Adriaan (Jany) Roland Holst. Het zijn 28 A-viertjes als u het print: EEN WINTER AAN ZEE
1
Eens liep zij hoog te spreken langs de Noordzee; een dag kermde er om aan te breken - zij overstemde hem, sprekend nog met de nacht. Sinds haar de stad doorzwijmelt klimt op de kou om mijn stem een meeuw, en kermt en tuimelt. 2 Wierp zij de kroon verloren voor telbaar goud en lust? Den honger van mijn ooren voorbij, jammert heimwee op doorvlucht van de kust, waar oud verwilderd zonlicht aan een getergde zee enkel nog haat verkondigt. 3 In de kamer vraagstamelt al wat zij hier vergat en het hart houdt verzameld, doch vindt maar nauw gehoor of antwoord meer sindsdat liefde hier tot dof leed wordt en spraakloos heimwee door ongeloof overreed wordt. 4 Wolken in 't raam der kamer .... voormalig zieldomein, door een allengs eenzamer laat en al overzeesch uur nog verlicht.... o, pijn, waar hier het hart aan blootstaat dat ziende en erger vrees om wat ook daar nu doodgaat. 5 Wat onraad gaat daarbuiten te keer rondom het huis? Haar wacht sloeg aan het muiten: de dag, toen zij verdween, maakte eedlen tot gespuis, dat - nu de nacht gaat vallen - ontaardt in handgemeen van allen tegen allen. 6 Omrouwfloerst als de sagen rond het graf van een ras, naadren het hart de dagen die zij van nacht tot nacht in dit land bij mij was. Geen onderwolksche klokken luiden meer nu de wacht door dooden wordt betrokken. II Van welke brand doorrakelt peinzen de sintels? Hol en in wartaal orakelt ergens in de schoorsteen een heks, een tooverkol, van Troje, en wraak, en veete - De wind en ik alleen weten nog, hoe zij heette. Haat maakt haar dor, afschuw eenzaam, en wat dan haten rest in die stad van nu een, door wier lach en louter aanschrijden eens de maten overliepen en brand uitsloeg? De wereld, ouder wordend, drong haar aan kant. Doorheen oude sneeuwbui van slaap, in ommezien van eeuwen, was ik weer bij die eerste dreven: knapen speelden er blij begin van strijd om een kind. Weldra juichten ze elkaar te wapen: Helena .... Helena .... Dof werd het vleesch, het goud telbaar, lust veil. Wat kwam er over het bloed, en houdt de ziel weg, en verbittert het woord? Der steden jammer mergelt het land uit, en leeg winterlicht doorschittert de blik der eenzamen Eens zag schoonheid haar kans schoon: jubel en verschrikking ontvlamden trans na trans der stad. - Dood niet, doch leven doofde 't, behoedzaam schikking treffend met heil. - Met haar voortaan zich af te geven beteekent doodsgevaar. Mij - nu het steil ijsrijk, door bui op bui ontdooid, is gesloopt, en, horden gelijk, de Noordzee de Hondsbossche weer aandurft - heugt, na Troje's baaierd, zwart puin, en ik hervind, in mij, haar rosse haarwrong en duistre blik. Wie zal den zin doorgronden van leegte en eeuwen? Waar torens omoorloogd stonden te branden, werd ook zij een volte slechts gewaar der tijden. Doodsche beemden - meer bleef niet - maar die mij van tijd en al vervreemden. Wat riep uit welke gouden kelen weleer? Welk heil daagde, maar bleef onthouden - door welke schuld? - aan 't eerst plan der planeet? Somwijl gaan, maar uit stiller kelen, wind en licht om het zeerst er tergend op zinspelen In der ramen schijnopen hinderlaag ligt het koud kristal het trotsch wanhopen van de avondbaaierd tot peillooze kern van oud en leeg licht te herleiden, gelijk geheim noodlot werelden tot voortijden. III 1 Uit welk oud vergeetboek vlagen thans de heilswoorden boven ons tot een vloek? Wat woei die bladen open opdat wij dit aanhoorden? Bar is de nacht, en leeg 't smal strand, waarlangs wanhopen een holle zee raadpleegt. 2 Raken hier zeil en landing vergeten? Legt ál. meer dit stug land de open branding zijn spraak op en heimwee het zwijgen? - O, oud zeer, al zeldener te verhelpen - 0, zucht van overzee in de lichte zeeschelpen - 3 Vergaan zijn de droomschepen der wereld. Ver zonvuur en leege zee verdwenen aan kimwolken een grootsch weleer nog, maar naar hier daalt vaal en allerwegen uit den omtrek des doods van ander vuur de aschregen. 4 Leeg als een voortijd rijst de toekomst: laat gewolkte, binnen het raam omlijst. Vooreerst breekt er geen morgen meer over gindsche ontvolkte hoogvlakten aan. In kloof nog en ravijn verborgen verkommert oud geloof 5 Der volkren sombre maren luiden tot in dit land - 't hare eens - en evenaren wat het inwendig oor opvangt, tot een verband mij beangst. - Vond wie doorgrondde wat hart en volk te loor doet gaan, eenzelfde zonde? 6 Ingekeerden voorzagen de onheilen: toen geen volk meer van God bleef gewagen, dwong oorlog, geest na geest, de zienden onderwolks af in der steden kolken, waar enkel heimwee leest wat noodlot zal vertolken. 7 Afnemend omoorloogen de stralenden nog maar de ster, en zienderoogen valt ander donker dan van de avond. Het vanwaar weet geen doch soms bemerken in een windstoot ervan eenzame' al vale vlerken. 8 Der kimwolken bergketen ten voet, ligt het oud rijk ondergesneeuwd. Vergeten raakte 't breed wegenkruis - Doch velen, nu de omtrek tot witte stilte ontvolkte, verdiepen, binnenshuis, zich in dat randgewolkte. IV Wat wil de onzalige maan? Reeds werden er heillooze droomschepen - af en aan kruisend de kust belagend - gemeld. Van de onzen kozen geen nu meer zee; elk wacht bang hoe de dag zal dagen .... Wat wil de maan vannacht? Bijgelicht door de blijde haat der maan, zeilden ze aan, zingende: van vlakbij te zien hoe dat lied ons zou vernielen, te volstaan daarmee .... zulke vijanden (Vreemde volmachten trouw) zien er van af te landen. V Droomt zij van mij? Welhaast niet meer onzichtbaar beven haar mond en oogen naast dat hoofd, dat mij vanuit de spiegel aanziet. Verbleven wij daar nog samen? Zacht waait er nog aan die ruiten langgeleden sneeuwjacht. Ontvreemdde aan oude tijden sneeuw dit leeg uur? Hiernaast, door de spiegel gescheiden, is nog die kamer, waar zij leefde en nu al haast weer wordt verwacht. De eenzame - werd ik zijn leeg beeld maar? - staat er weer bij de ramen. Waar bleef de tijd? hoe lang al sneeuwt het? De stilte van een spiegelbeeld bevangt al deze kamer, en geen teeken van leven kan meer door. Maar als zij ergens alleen - even alleen als ik - nu lag te sterven? Vroeg zondert sterven, binnen vervreemdend sneeuwen, vaak de ingekeerden der minne thans af. Sinds Troje's pleit wordt er een doodscher wraak op de wereld genomen: zwart in den kouden tijd staan de torens der droomen. Toen, na het sneeuwen, ergens ook aan haar wand van ver die zon doorkwam, die nergens de wereld meer bescheen, kon zij - als lag zij er met haar gouden ellende in een toren alleen - haar blik niet meer afwenden. Waar boven witte omstreken hartstocht het eindelijk - blind heimwee maar gebleken - opgeeft, laat een klein raam zon door uit oud geluk; geheimzinnig vernielen de stralen een lichaam dat zij weleer bezielden. Waar al wel halverwege den dood er nog in zee een eiland 's gelegen, tuurden naar deze kant daareven nog de twee zaligen die wij waren. De zon neemt aan haar wand af, nu zij weer wegstaren. VI 1 Leeuw van oud licht zieltoogt ergens in het woest duin de dag nog: het bitter oog breekt, en de manen raken vol zand. Aan den zee-einder brandt nog een wolkgebied, waar de Eeuwige door vuurdraken zijn aftocht dekken liet. 2 Uitgeput zakte een spitter neer bij zijn spade - o, ziel, herinnerd licht en bitter goud, dat het hart uitbijt - sinds ge aan het zwerk ontviel graaft de mensch naar genade. Karig werd de eeuwigheid met dagloon, zwaar de spade. 3 Van de eerst verre zandplaat joeg mijn komst de zeevogels krijtend de kou in: onraad, vrees, twist: niets dan ijl zwermen.... Maar welke zielszwerm vloog er van het hart op, en bleef erboven in gouden kermen vragen wat er nog leeft? 4 Sinds ik, den droom verhoor afnemend, een ertsader van het geheim aanboor, waardoor (en 't is haar wezen) ik wereld's kern benader, is 't dat tot elken prijs, ik ook van 't hart nu dezen neerwaartschen inkeer eisch. 5 Zij voorspelden mijn lied ijl einde in leegte en koude - Maar zij begrepen niet wat heimwee kan: tot wonden verhevigt het verouden oog en oor, en brandschat de taal, om te doorgronden wat de wereld vergat. 6 De stilte binnen spant samen met den wind buiten. In de wereld beland - waaraan wij ook ontkwamen en wat we ook buitensluiten of verzwijgen - aldoor weer onderwerpen ramen ons aan een oud verhoor. 7 Kamer, helder geheim: in spiegel nog en ramen draalt de overzeesche schijn. Straks, tegen donker, komen heimwee's beide erfgenamen bij de oude tafel, trouw steunsel: voor brein en droomen aambeeld en weefgetouw. 8 Zwaar vleesch, belust op roof, door kwale' allengs ontluisterd Heerschzuchtig brein, lang doof voor hart's verachte alarmen; thans voor ophanden duister bang sluitend - Ziel, zich schrap zettend in dit verarmen - O, Angst - o, Rekenschap. VII Soms heerscht in een duinkom omtrent vroeg vallend donker een zwijge' als van rondom daar wachtenden. De eenzame die, in zichzelf verzonken, daar binnenkomt, vertraagt zijn pas, door wat geen namen benoemen thans belaagd. Dit is de plek: wantrouwen ontzenuwt hier den moed tot inkeer: in dit nauwe duindal komt het wel voor, dat men zichzelf ontmoet, en aanziet, en moet lezen in de andre blik. Dit oord suizelt van angst en vreezen. VIII 1 Nergens dan in dit huis leeft haar stem na: beneden in 't vuur en het gesuis van stilte en geesten; boven om het bed in de oude eeden nog. Overwintrend werkt het hart, tot dit gelooven en het streng brein beperkt. 2 Ze ontwaakte: op de nog leege zee van haar oogen ging, voormalige verten tegen, ik scheep naar dat weleer van heil, en plotseling - maar nu achter schuimranden des doods - lagen daar weer de vergeten eilanden. 3 Haar leegstaand huis aan zee trok me en ik talmde er voor de spiegel, waarin heimwee zich kwelde. Jammersmeken bleef achter mij te horen, doch voor me in't glas stond groots die tweede zee te breken in de stilte des doods. 4 Wild, leeg breekt de, dag aan, bevestigend met kermen wat in het zwerk de maan voorkondigde - o, verloorne, waarblijft gij? - Meeuwenzwermen krijten zinledig wee uit over het hol toornen der godverlaten zee. 5 Heil, koude zee heil, stalen aangrijpen en verblijd geeselen van dit vale vleesch, waar zich god aan beest verlaagde. Gij kastijdt en loutert; aan uw wezen heeft steeds weer de eeuwige geest mij tot inkeer genezen. 6 Wie werd ik in de dagen toen zij hier was? wie streek uit welke heldre sagen toen in mij neer? en wie vloog in haar vleesch en keek uit haar betooverde oogen naar mij? Wie zijn het, die uit ons weer zijn ontvlogen? 7 Welk uur voerde uit welk eerste rijk de openbaring mee, die in dat wild licht heerschte? Komt zoo een einde? er lag eensklaps een vliegende zee voormenschlijk te stormblinken: kon ik den laatsten dag toen hooren en zien klinken? 8 Ik sloot dit huis en brak hier op, hoorde ik niet weer en weer - in het duin, om het dak, in t vuur soms - ingehouden haar stemval samenzweren met aarde's eersten, thans daklooze' op wereld's oude verwaarloosde avondschans. 9 Zij heeft op deze plek het hart bewereld. Rond dit doorschenen woonvertrek - kamer van inkeer, nest van heimwee - legert, voorkondigd beleg, thans doodlijk heil. Verhevigd, gehuisvest in ijlte, beid ik mijn deel. IX Van onschuld en zeewater vertrok zij wild en nat nog, landwaarts in, en later zagen eenzamen haar onder de rook der stad nog zoo. In schemeruren spreekt men er hier en daar nog van om de dorpsvuren. Hart, oude herberg, waar haar doortocht in verhalen van schoonheid en gevaar nog leeft... Haar droomen stromplen omtrent het avonddalen binnen om warmte en drank: vorsten in lompen, momplend tot laat bij de haardbank Zij gaan 's-nachts, als geen klink meer wordt gelicht, weer voos en als schaduwen de brink over, door het dorp heen en den omtrek in: dakloozen van toen dat ver noodlot haar in zijn heet versteenen binnentrok, en omsloot. Heescher stemmen wanhopen hoorde ik - door wartaal heen het helderziende in - open uitslaan, maar de nachtwind woei alles weer dooreen. Alleen de verte gloorde boven het labyrinth nog lang na van hun woorden. Tot wanhoop en die roes des doods erboven bracht hen haar lot; maar later, los weer van elkaar, verwilderd en oud van drank en nachtwind, keeren zij. Voor zich heen gaat, als het uchtendkil wordt, elk het stil dorp weer in. En zij? Steekt zij er pralend nog pleinen over? of sleept ze al, allengs vervalend, haar zieldoorfolterd vleesch een slop in? Kleeft vuil stof al waar het wild zeewater eens glinsterde? Geen vrees erger dan die bestaat er. Vier leege zomers dorden vergeefs tot herfsten. Wat wordt er van haar? wat worden vuur en blindlingsche onschuld in de moordkuil der stad? 't Antwoord versmoort ellende er... En het wild zeetumult? .... wilder, verwilderender... X 1 Moe liep de wind te leuren met lang verjaard verdriet. Hij kwam voor dichte deuren in het oud dorp daarginds en stond en kreunde om niet. Hoor, hoe hij hierheen strompelt.... Zijn thuisweg werd het, sinds ik haar naam nog maar mompel. 2 Haar niet meer bij mij zijn lijkt, wordt het mij gegeven de eenzame zonneschijn van de ziel in te loopen, een weldra opgeheven doem. Tot de lucht betrekt, en hopen met wanhopen weer heult en twijfel wekt. 3 Dien avond kwam hij weer, de arme wind, de oude marskramer. Ik schrok op: aan de deur stond hij en had gestommeld, de eenzame .... nog eenzamer dan wie, bij de eigen schouw wezenloos ingedommeld, rust vond, haar beeld ontrouw. 4 Eenzelvige uren lang volgde ik oude duinpaden in lang niet meer in zwang zijnde gedachten. Wolken, heldere droomnomaden, bleven gelijdelijk der wereld loop vertolken, volk na volk, rijk na rijk. 5 Een prevelen verraste mijn woorden van weedom; Legt gij 't de zee ten laste of den vlagenden wind als peinzen u verstomt? waarom dan wel uw klagen aan een wereld, zoo blind als de zee en de vlagen?
|