Poëzie (227)

 

Een lief ezeltje

Ab Visser (1913-1982) was een Nederlands dichter, die op vrij jeugdige leeftijd een tijdje in Frankrijk woonde. Hij bestudeerde daar het werk van jonge Franse dichters en schreef er in 1938 een bundeltje over. Eén van die poëten was Francis Jammes. Die komen we tegen in dit gedicht.


Tourrettes


Zuid-Frankrijk

Na de overvolle straten
en het geestloos platteland
eindelijk dit brok verleden
veronachtzaamd en vermeden
door ‘t beschaafde onverstand

In de Moors gebouwde straten
zitten voor een stal, een krot
een paar oudjes, die vergaten
dood te gaan en stokkend praten
over een bankroete God.

Schimmenstad vol dode dromen
dat de walg des tijds ontkwam:
langs de groene olijvenbomen,
zien wij naar de poort toekomen
‘t Ezeltje van Francis Jammes.

Ik heb ’t gedicht gevonden. Een soort kinderversje. J’aime l’âne si doux (Ik hou van dat lieve ezeltje).
      Het tafereel in het werk van Ab Visser speelt zich af in het plaatsje Tourrettes (VAR, Zuid-Frankrijk)
Inderdaad een klein stadje met Moorse invloeden.

J'aime l'âne si doux

J'aime l'âne si doux
marchant le long des houx.

Il a peur des abeilles

et bouge ses oreilles.

Il va près des fossés

d'un petit pas cassé.

Il réfléchit toujours

ses yeux sont de velours.

Il reste à l'étable

fatigué, misérable.

Il a tant travaillé

que ça vous fait pitié.

L'âne n'a pas eu d'orge

car le maître est trop pauvre.

Il a sucé la corde

puis a dormi dans l'ombre.

Il est l'âne si doux

marchant le long des houx....

Francis Jammes

Uit: De l'Angélus de l'aube à l'Angélus du soir

 

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

Een eksentriek komponist

Het maandblad Tirade werd in 1957 opgericht door Geert van Oorschot. Het bestaat nog steeds. In de eerste jaargang verscheen in het augustusnummer het gedicht Monument voor Bart Visse. Geschreven door J.J. Klant (1915-1994).  
      Johannes Jacobus (Joop) Klant was hoogleraar Staathuishoudkunde aan de Universiteit van Amsterdam.
Daarnaast was hij prozaïst (De geboorte van Jan Klaassen) en schreef hij veel over zijn vakgebied.


Hij was ook een muziekliefhebber en schreef daar soms gedichten over.
Maar wie de ‘’eksentrieke komponist’’ Bart Visse was, heb ik niet kunnen vinden en ook is mij onduidelijk wie de pianiste in dit gedicht is.
      Dat maakt het allemaal een beetje mystiek.

                 


Van J.J.Klant


Monument voor Bart Visse

   

Zij streelt piano
Pinkwuivend naar de afwezige,
Pedaalt de kamer vol
Met lichtgroen water
Voor Mozartvissen
Wieren van Debussy
En elektrieke lichtjes
Van Bart Visse
De eksentrieke komponist
Die zij persoonlijk kent.

Zij speelt zich naakt
En slikt zichzelve in
Maar duikt weer op
Bij elk hachelijk akkoord.
Schelle vissen knabbelen onderwijl
Haar knoetje los:
‘Moet je niet doen,’
Zingt zij lacherig,
‘Met onderwijs
Wordt hier niets bereikt.’

Zij was nog nooit zo jarig,
Zwemt naar het plafond,
Wieren aan haar tenen
Belletjes in haar mond
En nestelt zonder blozen|
In de geschubde hand
Van 't spierwit opperwezen.

Bij wijze van versiering
Is zij vannacht tot engel uitgeroepen
Boven de laveloze lamp,
Wel wat verdierlijkt
Aan de ene kant
Doch een heel eenvoudig monument
Den onbekenden komponist
Die zij heel persoonlijk kent.

 


J.J.Klant lijkt me zo’n dichter, die nooit tevreden was en bleef schaven aan zijn tekst.
      In een bundel die later verscheen vond ik hetzelfde gedicht met een aantal wijzigingen.

In de eerste strofe wordt ''de afwezige'': ''afwezigen'' en ''lichtjes'' veranderen in ''lichten''.

In de tweede wordt ‘’zij speelt zich naakt’’: ‘’zij zweet zich naakt’’
‘’en slikt zichzelve in’’: ''en slikt zich helemaal in’’

‘’duikt weer op’’ : ''duikt telkens op’’
‘’ Na elk’’ wordt ‘’Bij elk’’

‘’Met onderwijs
wordt hier niets bereikt’’

verandert heel drastisch in

‘’Aan de deur
wordt niet gekocht’’

In de voorlaatste strofe wordt
‘’In de geschubde hand
van ’t spierwit opperwezen’’

samengevat tot:

‘’In het geschubde opperwezen’’.

De laatste strofe is geheel vervallen.
      Misschien heeft ''de onbekenden komponist'' hier wel de hand in gehad.
Bart Visse en de pianiste hadden natuurlijk samen meer dan iets ''heel persoonlijks''.

 
Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

   

 

DE TROM DROM BOM

Neem I.K. Bonset. (1883-1931). Van hem is de volgende frase: ‘’Kunst houdt op waar men haar begrijpt’’.
      Tenminste…. Dat lees ik her en der.
Maar ik lees ook: ‘’Begrijpen is voor kunst altijd uitgesloten….. Poëzie laat zich niet begrijpen- zij grijpt”

Met dit in gedachten kunt u zich buigen over het volgende klankrijm in een zeer opvallende typografische layout.
      Een paar van de vele vragen, die bij u kunnen wellen zal ik daarna trachten te beantwoorden.

 

DE TROM


Rrrrr   om

Rrrrr   om

Rrrrr - om

DE trom
De drom
De trom
Rrrr - om

BOM

      

(zeer snel)
Bonset De Trom 1.jpg

Bij den dom
Met den trom
Bij den zwarten dom
Met den hollen trom

Rrrr - om

Marcheeren!
Geweren!
DE zwarte soldaten!
De schuine geweren!

            Rrr-om
            BOM.



 

De dom
De trom
De drom
Waarom?

BOM

BOM

Het breede plein
Lantaarnschijn

      Rrrr-om
Eén man te paard
'n zwarte baard

        Rrrrom
Een gouden kraag
'n Schop
'n Zaag

      Rrrr-om

 

Schaduwen draaien
Armen zwaaien

        Rrrr-om

Schuine lijnen
Golven
Deinen

        Rrrrom

                'n Zwarte drom
  'n Leege trom
    Waarom?
    Waarom?
    Waarom?

 

                                    

BOM


BOM


BOM

Bonset De Trom 2.jpg

(dof)

 

               

'n Kar met 'n kruis.
'n Man met 'n vlag.
'n Kop uit 'n huis.

Hysterische lach

'n man met 'n fiets

 


                  Niets


I.K.Bonset debuteerde in 1920 in het kunstijdschrift De Stijl met het gedicht X-Beelden. Ook al in zo’n bijzondere typografische vormgeving. Direct volgden er speculaties wie deze Bonset zou zijn. Een pseudoniem was het, wellicht een heteroniem. Een anagram ook voor ‘’Ik ben sot’’of ''Ik ben zot'' dan wel het vrijere ''Ik ben het zat''..

De nieuwe dichter was geïntroduceerd door de oprichter van De Stijl Theo van Doesburg.
Die was er in een paar jaar in geslaagd om van zijn blad een gezaghebbend en invloedrijk orgaan te maken. Medewerkers waren ondermeer Gerrit Rietvelt, Piet Mondriaan en J.J.P. Oud. Architecten en kunstenaars dus, die de nadruk legden op vormgeving. De medewerkers van De Stijl wilden de kunst radicaal veranderen, waarbij rekening moest worden gehouden met technische en maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen.

Hoewel I.K.Bonset nog een aantal gedichten publiceerde is lang onbekend gebleven wie hij was. Pas in 1975 werd onthuld dat het om Theo van Doesburg zelf ging.


P.S.

Feikje Zijlstra schrijft mij:

Vorig jaar is er een single uitgebracht van Jaap Blonk naar aanleiding van een tentoonstelling over Theo van Doesburg. Heel bizonder.

Hier een link: http://underbelly.nu/product/leest-theo-van-doesburg/. 

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

Ode aan een anarchist

José Domingo Gomez Rojas was 16 jaar toen hij zijn Rebeldias Liricas schreef. Een soort rebelse liederen. Het was toen 1913.
      In zijn geboorteland Chili was hij in intellectuele kringen op slag een dichter met een uitzonderlijk talent.
Zeven jaar later in juli 1920 werd hij opgepakt en in de gevangenis vastgezet. Hij werd gemarteld. Op 29 september 1920 overleed José Domingo Gomez Rojas. 24 jaar oud.
      De officiële lezing van de Chileense autoriteiten was: hersenvliesontsteking

Rojas was een anarchist. Daar waren er in die tijd meer van. Zij namen het voortouw bij steeds omvangrijker wordende betogingen en protesten. Gericht tegen de leiders van Chili, die een oorlog dreigden te beginnen tegen Peru en Bolivia.
      Rojas schreef in die jaren elegieën. Klaagzangen dus of -zo u wilt- treurdichten. Veel van die teksten werden gedeclameerd op zijn begrafenis op 1 oktober 1920 in Santiago de Chili. Daar waren zo’n 50.000 rouwende betogers bij elkaar gekomen.

Marnix van Gavere (1897-1974) een Vlaams dichter, betoont in onderstaande elegie zijn respect voor  
José Domingo Gomez Rojas. Een ode.


Elegie

Chili.
Perez kwam vandaar,
mijn ouwe lieve schoolkameraad;
en mijn onbekende vriend
Domingo Gomez Rojas
stierf er met wat zon op zijn gezicht

Hij stikte in stofbeladen folianten
hij schreef zijn ogen vol
met namen op A en O
Domingo Gomez Rojas.
Zijn moeder gaf de vogels te eten;
zijn jonge broer reed op zijn knie;
Domingo Gomez Rojas zong het mooie leven
en stikte in folianten.

Op de hoeken der straten blonk zijn gezicht;
bij avonden dat stemmen helder opklinken
was hij in de achterbuurten,
joelde met de jongens
en de vrouwen verdroomden hun nachten om hem.

‘’Domingo, begroeten ze hem, Rojas
waar is het geluk?’’
En zijn glimlach zei
in U en in mij,
in de liefde van ons allen.
Hij mikte op de harten wijl hij wist.

Omdat, wijl hij ’t leven peilde
hij uit liefde al vergat,
en wijl hij schreef
zijn hart te vol bezat;
omdat, wijl hij sprak
zijn hart op zijn lippen lag,
werd de gevangenis zijn tehuis
en de dood zijn gezel.

O tak vóór ‘t raam
duizendmaal bekeken en altijd nieuwe vreugd;
o deur der gevangenis
welke niet eens een naderende stap verwacht,
en de trage slag der eeuwigheid
die in ’t hart nog luttel wacht.

Plots viel een schot
en door zijn hart joeg
febriekgefluit en scherp gezang
als van scharen die marcheerden in de straten:
mijn hoofd was in het raam gemetst.
Zó vonden ze hem in zijn cel,
beweegloos
de verwachting in zijn hart getast
en ’t ritme van de schoonst-gedroomde wereld
naar zijn hoofd gerezen.

O Domingo Gomez Rojas,
uit het verre land van Chili,
zinn’loos stierf gij met wat zon op uw gezicht.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 : 

Vlegelt dol en dof

Dorsen is een ambacht uit vervlogen tijden. Het is een techniek waarbij de graankorrels uit de aren worden geslagen met een zogeheten vlegel.
      Zo’n (dors-)vlegel bestaat uit een lang stuk hout dat in de hand wordt vastgehouden en een kort, dik stuk hout, waarmee het te dorsen graan geslagen wordt. Die stukken hout zijn met een touw aan elkaar verbonden.
      Een methode ook om het kaf (omhulsel van de graankorrels) van het koren te scheiden. Tegenwoordig gebeurt dat bij ons natuurlijk  machinaal.

De Belgische dichter René de Clerq (Deerlijk 1877) liet zich door dit ambacht inspireren.
Hij schreef:


Dorserslied

Vlegels op, en vlugge
      Plof!
Kromt uw nek en rugge,
      Plof!
Niets voor ’t huis en al voor ’t hof!
   Vlegelt dol en dof


Beukt de vlakke vloeren
      Plof!
Maakt ze rijk, de boeren
      Plof!
Niets voor ’t huis en al voor ’t hof!
   Vlegelt dol en dof.


Vult de diepe zakken

      Plof!
O, de boer zal bakken
      Plof!
Niets voor ’t huis en al voor t hof
   Vlegelt dol en dof


Geld en drank en eten,

      Plof!
Alles nieuw gemeten,
      Plof!
Niets voor ’t huis en al voor ’t hof!
   Vlegelt dol en dof

Kaf dat kunt ge krijgen,
      Plof!
Om d’r op neer te zijgen
      Plof!
Niets voor ’t huis en al voor ‘t hof     
   Vlegelt dol en dof!


Vlegels op en vlugge

      Plof!
Kromt uw nek en rugge
      Plof!
Niets voor ’t huis en al voor ’t hof
   Vlegelt dol en dof.

 

Klik HIER voor alle ZoekPoëzie


 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje