Reizen (476)

 

Monoliet aan de Côte d’Azur

 

(Door Rolf Weijburg)

Het gebied dat wij tegenwoordig als Monaco, het op één na kleinste land ter wereld, kennen, was in de oudheid vooral belangrijk vanwege de Rots van Monaco, een 62 meter hoge bult aan de mediterrane kust. Het was een strategische plek van waaruit de zee en de omliggende kustvlaktes goed in de gaten gehouden konden worden.

      Er werd dan ook flink om gevochten en door de eeuwen heen hoorde de rots bij het Romeinse, het Byzantijnse en het Heilige Roomse Rijk, het werd een stukje Genua, Sardinië en Frankrijk en in de Tweede Wereldoorlog werd het enige tijd ingelijfd bij het Italië van Mussolini, maar dat was allang niet meer vanwege die rots.

 

 

Republiek Genua

 In 1191 werd het gebied door Keizer Heinrich VI van het Heilige Roomse Rijk toegewezen aan de Republiek Genua dat in die tijd gebukt ging onder de machtsstrijd tussen pro-pauselijke Welfen en Ghibellijnen die het Heilige Roomse Rijk steunden. Een groep Geneefse Ghibellijnen trok in 1215 op naar de rots van Monaco om daar een fort te bouwen en de plek te laten uitgroeien tot een belangrijk militair bolwerk dat de hele regio moest kunnen controleren. Door land aan te bieden en belastingkortingen te beloven werden burgers uit Genua gepaaid om zich op en direct rondom de Rots te komen vestigen, zo zou een nederzetting ontstaan die kon uitgroeien tot een zekere macht aan de Ligurische kust.
      De Welfen werden uiteindelijk uit Genua verbannen en op 8 januari 1296  ging de Geneefse Welfen-leider Francesco Grimaldi samen met zijn neef Rainier en een contingent soldaten op weg naar de Rots. Francesco en zijn neef klopten verkleed als Franciscaner monniken aan aan de poort van het fort bovenop de Rots en werden als onschuldige geestelijken zonder argwaan binnengelaten. Toen de poort eenmaal geopend was stroomden Francesco’s soldaten bij verrassing naar binnen, veroverden het fort en verdreven de Ghibellijnen.

 


Wapen

 Een wapenfeit dat nog steeds wordt geëerd in het officiële wapen van Monaco: twee monniken flankeren het schild van Grimaldi. Je zou kunnen denken dat de naam Monaco, Italiaans voor monnik, refereert aan deze twee als monniken verklede Grimaldi’s (overigens noemen de Italianen München, Oud Duits voor “huis van de monnik”, gemakshalve óók Monaco.
      Denk daar aan als u op het station van Milaan de trein naar Monaco wilt nemen). In het geval van het Prinsdom is Monaco echter geen Italiaans woord dat refereert aan de twee als monniken verklede Grimaldi’s maar een verbastering van het Provençaalse (en ook Monegaskische) woord voor rots: Monégu.

 


Rainier II

 Toen na diverse eigendomswisselingen Prins Rainier II in 1419 de Rots terugkocht van Yolande d’Aragon, herkregen de Grimaldi’s de heerschappij over Monaco en kon de familie vrijwel ononderbroken en onbetwist tot op de dag van vandaag de macht over de monoliet aan de Côte d’Azur behouden.

 


Vier wijken

 Het krap twee vierkante kilometer metende Prinsdom bestaat tegenwoordig uit vier wijken - Monte Carlo, Fontvieille, Larvotto en de Rots die is omgedoopt tot Monaco-Ville waar zich inmiddels naast het kasteel ook de oude stad, het prinselijk paleis, de kathedraal en het beroemde Oceanografisch Museum bevinden.
      Het huidige Monegaskische territorium is weliswaar groter dan het ten tijde van de aanschaf in 1419 was, ooit was het nog veel groter. Sinds de late vijftiende eeuw behoorden ook de steden Roquebrune en Menton tot het Prinsdom, wat de totale oppervlakte op ruim 25 vierkante kilometer bracht. In 1861 werden beide plaatsen voor vier miljoen frank verkocht aan Frankrijk en kreeg Monaco haar huidige grenzen.
      De grenzen, maar niet het oppervlak, want Monaco groeit nog steeds.

Ook op zee is er Monegaskisch territorium. De Exclusieve Economische Zone van het Prinsdom steekt bijna 200 kilometer de Middellandse Zee in, maar is slechts 2 kilometer breed.

 

 

 

 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

Herfst 2009

Belastingparadijzen & auto's

Uitgestorven centrum

Vorstendom 


Paar toeristen
 


Kunstmuseum
 

 

 


VORSTELIJKE HEERSERS

(Door Rolf Weijburg)

Liechtenstein is met zijn 160 km2 het op vijf na kleinste land ter wereld. Het Prinsdom bestaat uit een flinke berg met een stukje vlak land op de rechteroever van de nog jonge Rijn. Ingeklemd tussen Zwitserland en Oostenrijk is het er vooral schoon, goed geregeld en welvarend.

Het ontstaan van deze kleine staat vindt zijn oorsprong in de aankoop in 1699 van de Heerlijkheid Schellenberg door de Oostenrijker Johann Adam I von Liechtenstein. Later werd daar het Graafschap Vaduz aan toegevoegd. Op 23 januari 1719 werden op gezag van keizer Karel VI deze twee gebieden samen een soeverein vorstendom binnen het Heilige Roomse Rijk en kreeg het de naam van de eigenaren: Liechtenstein.

Liechtenstein is één van de drie landen ter wereld die zijn genoemd naar hun machthebbers. Saoedi-Arabië en Swaziland zijn de andere twee.

 De Liechtensteiner Prinsen die het soevereine territoir eigenlijk alleen ambieerden om meer politieke macht binnen het Heilige Roomse Rijk te verkrijgen, bleven echter, ook na 1719 gewoon in het familiekasteel “Liechtenstein” nabij Wenen in Oostenrijk wonen.
      Het duurde nog tot 1938 voordat Franz Joseph II de eerste Prins werd die niet in Oostenrijk maar in Liechtenstein ging wonen. Oostenrijk was toen net door Nazi-Duisland geannexeerd en de Prins, die fel antinazi was, besloot zijn biezen te pakken en zich in zijn eigen Prinsdom te vestigen. Met die verhuizing veranderde de officiële naam van de familie van “von Liechtenstein” naar “von und zu Liechtenstein”.

Liechtenstein is het enige land ter wereld dat ruim 200 jaar heeft bestaan terwijl zijn  machthebbers in een ander land woonden.

De familie bezat vele eigendommen in Oostenrijk, Polen en Tsjechoslowakije (kastelen en landgoederen met een oppervlak van bijna 10 keer het oppervalk van Liechtenstein zelf) en de bezittingen in Tsjechoslowakije werden na de Tweede Wereldoorlog als bezittingen van het verslagen Duitsland door de socialistische staat geconfisqueerd.
      Als reactie weigerde de Prins diplomatieke banden met het land aan te gaan en voor inwoners van Liechtenstein was het tijdens de Koude Oorlog zelfs verboden om Tsjechoslowakije te bezoeken. 
      Pas in 2009, toen Liechtenstein officieel af zag van zijn claims op de verloren landgoederen, werd de boycot opgeheven.

Daarmee was Liechtenstein het laatste land dat de republieken Tsjechië en Slowakije officieel erkende.

      

Liechtenstein is één van de drie Prinsdommen in de wereld.

(Monaco en Andorra -dat zelfs een co-prinsdom is- zijn de andere twee.) De Prins, maar ook het Volk, hebben er, zoals vastgelegd in de Grondwet, de absolute macht. Dat lijkt een paradox, maar in Liechtenstein kan het.

Het land is ’s werelds enige democratische dictatuur.

De huidige Prins Alois von und zu Liechtenstein heeft een enorm pakket aan bevoegdheden. Zo kan hij de regering naar huis sturen of het parlement ontbinden, de keuze van nieuwe rechters beïnvloeden en een rechtsvoorstel met zijn veto blokkeren. Zijn macht schurkt tegen dictatoriaal aan, maar omdat Liechtensteiners zich via vele referenda mogen uitspreken over talloze zaken zowel op regionaal als op nationaal niveau, zijn het de Liechtensteiners zelf die de vorst op direct democratische wijze van die macht hebben voorzien.
      Als het volk de Prins niet meer zou willen, kan ook daarvoor een referendum worden uitgeschreven.
Maar van het volk mag hij blijven. Het vorstenhuis is geliefd en zolang de Liechtensteiners vrij en voortvarend blijven is er weinig reden de familie aan de kant te zetten.

Niet onbelangrijk is waarschijnlijk het feit dat het vorstenhuis de Liechtensteiner helemaal niets kost. Het vorstenhuis bedruipt zichzelf. De familie von und zu Liechtenstein behoort tot de oudste, én de rijkste families in Europa. Behalve een miljardenvermogen bezit de familie grote stukken grond in Oostenrijk en is het eigenaar van de LGT (Liechtenstein Global Trust)-bank. Deze bank, die wereldwijd filialen heeft, richt zich op de grote, (lees) zeer vermogende, jongens en beheert ook het vermogen van de familie.
      Daarnaast bezit de familie een enorme kunstcollectie, één van de waardevolste privécollecties ter wereld, waarvan een deel in het Kunstmuseum van de Liechtensteinse hoofdstad Vaduz is te vinden.
      Geld zat dus.


VOLKSLIED

Op 15 augustus, de nationale feestdag van Liechtenstein, houdt de Prins open dag. De tuinen rondom en een deel van het prinselijk kasteel dat op een rots pal boven Vaduz is gebouwd, worden dan voor de bevolking opengesteld. Je hebt daar een feodaal overzicht hebt over de hoofdstad en een groot deel van het Prinsdom. Iedereen is welkom. Er kan worden gegeten en gedronken en de Prins en zijn gezin mengen zich met het Volk.
      Die dag wordt in de kasteeltuin ook het Liechtensteiner volkslied “Oben am jungen Rhein” gespeeld en gezongen. Het is een fier romantisch lied in 1850 door de Zwitser Jakob Josef Jauch geschreven.

Oben am jungen Rhein

Lehnet sich Liechtenstein

An Alpenhöh’n.

Dies liebe Heimatland.

Das teuere Vaterland,

Hat Gottes weiser Hand

Für uns ersh’n.

Hoch lebe Liechtenstein,

Blühend am jungen Rhein,

Glücklich und treu.

Hoch leb’der Fürst vom Land,

Hoch unser Vaterland,

Durch Bruderliebe-Band

Vereint und frei.

Maar luister eens naar de melodie:

https://www.youtube.com/watch?v=60RJEKhDjHM

U hoort het, het is de tune van “God Save the Queen”, het Britse volkslied.

Liechtenstein is bijna het enige land ter wereld met een volkslied waarvan de melodie die van het volkslied van een ander land is.

Bijna, want het Finse en het Estse volkslied hebben ook dezelfde melodie en zelfs bijna dezelfde tekst. Maar die landen zijn buren en de liederen hebben een gezamenlijke oorsprong.
      Maar Liechtenstein en het Verenigd Koninkrijk? Waarom? Ik heb geen idee.
Een gebrek aan muzikale creativiteit misschien? Ergens las ik dat er, relatief gezien, in Liechtenstein twee keer zoveel mensen muziekles hebben als in Zwitserland, en zelfs vijf keer zoveel als in Duitsland. Dat heeft er echter niet toe geleid dat Liechtenstein muzikaal hoge ogen is gaan gooien. Sterker nog:

Liechtenstein is één van de twee Europese landen (de ander is Kosovo) dat nog nooit heeft meegedaan aan het Eurovisie Songfestival.

 


Will Glahé

                      

Eén muzikaal hoogstandje kunnen we het kleine Prinsdom niet ontzeggen.
      In 1957 bracht het lied "Liechtensteiner Polka" het in de Amerikaanse hitlijst Billboard Hot 100 tot nummer 16

. https://www.youtube.com/watch?v=3ymmlyzAEmA
  

Het opgewekte lied (Ja, das ist die Liechtensteiner Polka mein Schatz! Da bleibt doch kein Liechtensteiner auf seinem Platz!) zette het Prinsdom eventjes op de wereldkaart en deze polka werd een soort onofficieel Liechtensteins volkslied.
      De Liechtensteiner Polka is door vele orkesten gecoverd maar de man die het lied groot maakte was de accordeonist en bandleider Will Glahé, een Duitser …

Liechtenstein is een land van tegenstellingen. Een land met een sprookjesuitstraling waar de vorstelijke familie vanaf hun middeleeuws kasteel over uitziet maar dat wordt gerund als een goed geolied hightech bedrijf. Een land waar de democratie diep verankerd ligt, maar waar de dictatuur niet ver weg is.

Een land dat sinds 1798 geen doodstraf meer voltrok en waar het leger al in 1868 werd afgeschaft maar waar het kiesrecht voor vrouwen pas in 1984 wettelijk werd vastgelegd.

 

 

Grenspost Al-Muddawarah (Jordanië/Saoedi-Arabië)

        


(Door Rolf Weijburg)


Van veraf kon ik ze al aan zien komen. Twee grijze bussen, ieder met een vette zwarte rookpluim achter zich aan. Ze kwamen trillend in de hitte dichterbij en rolden ronkend de rotonde op. Diep doorzakkend in de bocht dreigde de chaotische hoeveelheid bagage op het dak de bussen bijna te doen kantelen. Ik deed een stapje terug. De wielen zetten zich schrap, de banden bolden in de bocht. Linksaf richting Mekka. Ze hadden haast dacht ik, maar in plaats van vol gas richting de einder te verdwijnen, reden ze de berm in en kwamen in een gigantische stofwolk tot stilstand.
      Het waren Syrische bussen. Had ik een lift? Ik pakte mijn tas en rende naar de overvolle gevaartes die in de berm stonden na te puffen. De chauffeur keek me verbaasd aan. Ik had het echt verkeerd begrepen. De bussen hielden slechts een religieuze stop. “Autostop no!
      De uitsluitend vrouwelijke passagiers waren op pelgrimstocht naar Mekka. Ze stapten allemaal uit, liepen in hun zwarte gewaden een eindje de geeloranje zandvlakte in, bogen richting Mekka en knielden op de grond waar ze als bij toverslag in innige religieuze contemplatie opgingen. De zwarte gewaden wapperden terwijl de wind stof over de vlakte woei. De horizon trilde.
      De devotie werd abrupt verbroken door het schorre geluid van een claxon. De vrouwen stonden op en klommen de bus weer in. Het gaspedaal werd even ingetrapt, een zwarte rookwolk rochelde de uitlaat uit, de versnellingsbak vond ratelend zijn één en even later losten beide bussen op in de trillende fata morgana aan de oostelijke horizon.

 

Het was 1978. Ik was op weg naar Jemen en stond langs de Desert Highway, een tweebaansweg dwars door Jordanië die Amman met Aqaba verbond. Hier, net boven Ma’an was de afslag richting Saoedi-Arabië. Op een bord stond in het Turks en in het Arabisch: Mekka 1398 km. Medina 958 km.
      Ik probeerde te liften maar er was nauwelijks verkeer.
Het leek wel of er een eeuwigheid was verstreken toen er eindelijk een vrachtwagen naderde. Hij sloeg af richting Mekka, kwam mijn kant op, remde af en kwam wat verderop tot stilstand. Ik rende verwachtingsvol naar de wagen toe en zag, terwijl het opgewaaide zand neerdaalde, dat het gevaarte een Liechtensteins kenteken had. (Fürstentum Liechtenstein)

      De chauffeur opende zijn raampje.

 "Saoedi-Arabië?" vroeg ik hoopvol.

"Ja, stap maar in."

Ik klom de hoge cabine in, deed de deur dicht en werd onmiddellijk omarmd door de koelte van de airconditioning. Er klonk muziek uit de speakers. Het leek wel een Weens walsje.
      “Goh,” zei ik, “dat is geen alledaagse verschijning, een Liechtensteinse vrachtwagen in de woestijn. Wat vervoert u?”
      "Chocolaatjes." zei de man, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.

Een uur later bereikten we de Jordaanse grenspost Al-Muddawarah. Weinig problemen hier. Een paar stempeltjes en de zaak was gepiept.
      De moeilijkheden kwamen pas in Saoedi-Arabië, een kilometer verderop bij de grenspost Halat ‘Ammar.
We reden langs een bord “Welcome to Saudi Arabia” en precies ter hoogte van dat bord zat een richel in het wegdek: vanaf hier gleed een perfect egaal zwart wegdek de woestijn in.

“Al Muddawarah”, 1985, Rolf Weijburg, pen-/potloodtekening, 18x12 cm,

Eenmaal bij de Saoedische grenspost parkeerde de Liechtensteiner de wagen. “Eens kijken hoelang we hier vast gaan zitten” zei hij. Het inklaren van al die chocolaatjes zou zo maar een paar dagen kunnen gaan duren.
      Ik pakte mijn bagage en samen liepen we het kantoortje van de paspoortcontrole binnen. Het Liechtensteiner paspoort werd aandachtig bekeken. De douanier richtte zich tot de chauffeur en vroeg: "Wat is dit voor een paspoort? Uit welk land komt u?"
      "Dat staat er toch?" zei de Liechtensteiner. “Ik kom uit het Prinsdom Liechtenstein".

Er werd een andere douanier bij geroepen en samen namen ze het paspoort nog eens door. Toen moest er in een lijst worden gezocht, en ja, Liechtenstein, het op vijf na kleinste land ter wereld, stond er gelukkig op. De Liechtensteiner kreeg een stempel in zijn paspoort en mocht de vrachtwagen het terrein oprijden waar de lading moest worden ingeklaard. Ik wenste hem succes en bedankte hem voor de lift.
      Het was de eerste Liechtensteiner die ik ooit ontmoette en hoewel ik op weg was naar Jemen, nam ik me voor toch ook eens naar Liechtenstein te gaan.

 

 

Sanna Marin en haar gave huid

Joop Wassenaar (Zutphen 1958) toog in de herfst van 1994 naar Finland om daar zo’n 25 jaar te blijven. Hij woonde in Nuutajärvi, Turku en Pori, leerde de taal vloeiend spreken en kan het ook schrijven. Inmiddels woont hij weer met zijn Finse vrouw Ulla tot wederzijds genoegen in Zutphen.
       Hiij schrijft onder het pseudoniem JoopFinland een boek over zijn Finse jaren. Twee weken na de Russische inval in Ukraïne schreef hij onderstaand verhaal als onderdeel van dat boek.
     
     Met de volgende kanttekening:  

‘’ De ironie wil dat ik in september niemand meer hoef uit te leggen wie Sanna Marin is, ook al wordt zij nu in de internationale media alleen maar in de schijnwerpers gezet vanwege haar privéleven en niet vanwege haar oppositie tegen het Finse Navo’ ’lidmaatschap’’.

     

De oorlog van een generatie

JoopFinland

Kruipen we vandaag eens in de jaloersmakend gave huid van Sanna Marin. Marin is de 36-jarige premier van Finland. Alles aan haar is jong. Marin jogt, fietst en skiet, gaat uit, eet zich lekker vol en valt daarna weer net zo makkelijk af en doet alles online. En net als andere mensen van haar leeftijd laat ze zich graag fotograferen en interviewen tijdens al deze bezigheden.

Sanna Marin is zo jong dat ze een dochter van zes heeft en zich zichzelf herinnert als dochter van zes. Maar ze hoopt dat haar dochter een betere kindertijd heeft dan zijzelf. Want Marin was zes tijdens de crisis van begin jaren negentig. En ze beseft donders goed dat zij nog goed uit die crisis gekomen is, vergeleken bij veel te veel van haar leeftijdgenoten.

De crisis van begin jaren negentig was het gevolg van het einde van de Sovjet Unie. Finland was tijdens de Koude Oorlog een satellietstaat van die Unie, met een economie die sterk verweven was met die van ‘Moskou’. In de jaren tachtig was Finland zeer welvarend, verreweg het rijkst van alle Sovjet-satellietstaten, en zelfs net zo rijk als de andere buurlanden Zweden en Noorwegen.

De economische crisis van 1991-1995 veranderde in een sociale en politieke crisis die tot op de dag van vandaag duurt, omdat de generatie van Marin de boot miste. Of beter gezegd: werd buitengesloten. Finland bleef net als de voormalige Oostbloklanden een semi-autoritaire en patriarchale samenleving, bestuurd door de mannen die in de Koude Oorlog ook aan het roer zaten.

Ondertussen diende zich in het leven van Sanna Marin en haar generatiegenoten die tweede crisis aan: die van het klimaat. In Finland verheugt men zich momenteel in een ‘ouderwetse’ winter met veel sneeuw en nog meer ijs, maar iedereen die zich er de winters van dertig jaar geleden herinnert weet dat die steeds uitzonderlijker zijn geworden.

Het bestrijden van de klimaatcrisis kon niet worden overgelaten aan de zestig- en zeventigjarige kerels die de boel begin jaren negentig hadden laten versloffen. Deze crisis mocht niet zoals die van toen een hele generatie overboord gooien. Het klimaat werd dus de absolute focus van haar beleid toen Marin drie jaar geleden andere jonge en vrouwelijke ministers om zich heen verzamelde.

Koud was Marin premier of de pandemie brak uit. Grenzen gingen dicht, het sociale leven kwam tot stilstand – weer dreigden vooral jonge mensen de dupe te worden. Van hen werd solidariteit gevraagd… met de oudere generatie die hen niets of in ieder geval heel weinig gegund had. Twintig procent van de Finse jongeren is werkloos. Dat is net zo veel als dertig jaar geleden…

Voor Sanna Marin en haar leeftijdgenoten zal de voorbije twee jaar hebben gevoeld als oorlog, een oorlog die een hele generatie in de as heeft gelegd. En zoals elk weldenkend mens dat na een oorlog doet, zal zij met de haren hebben uitgeroepen en besloten: ‘Dit nooit meer! Dit mag je ook je ergste vijand niet aandoen…’

Het begrip oorlog in Noordoost- en Oost-Europa verdient nadere duiding. De oorlog waarmee Sanna Marin is opgegroeid is een andere dan de onze, hier in West-Europa. Marin is geworden wie zij is in een cultuur waarin oorlog geen afschuw wekt maar aan het leven zin verleent. Een cultuur waarin men een heldenstatus nastreeft, liefde voor het vaderland belijdt, opofferingsgezindheid toont.

Finnen -maar dat geldt ook voor pak em beet Hongaren en Bulgaren- leren thuis, op school, aan de uni en in hun theater en literatuur dat de Tweede Wereldoorlog veel te vroeg is afgeblazen en dat de dag zal komen waarop ‘de vijand’ (meestal Rusland maar soms ook Duitsland) weer toe zal slaan en dus weer met verachting voor het eigen en andermans leven tegemoet getreden zal worden.

Sanna Marin zal zoals elke Fin een opa hebben gehad die zij niet gekend heeft maar die in het mooiste graf in zijn geboorteplaats ligt, onder een hakenkruis, tussen zijn ook aan het Oostfront gesneuvelde kameraden. De Fin legt elk jaar op onafhankelijkheidsdag bergen bloemen op die ‘helden’graven. Uit dankbaarheid. Want de strijd aan de zijde van Hitler bracht Finland onafhankelijkheid, zo is hem voorgekauwd.

Dus toen Putin met tanks en artillerie de Ukraine binnenreed was dat voor Sanna Marin niet zoals voor onze politici en opiniemakers iets ongekends of absurds of zelfs maar onverwacht. Ze heeft die beelden immers maar al te scherp op haar netvlies staan, uit de verhalen in de familie, uit de geschiedenisles op haar school, uit het televisieaanbod op onafhankelijkheidsdag…

Ze zal dus niet verrast zijn geweest maar fed up. Completely fed up. Haar eerste en tweede en ook derde gedachte zal zijn geweest: ‘No never. Die pandemie was genoeg. Die was mijn oorlog. Ik ga nu niet naar die van opa kijken…’ Voor de Finnen, de Hongaren, de Esten, de Moldaven begon twee weken geleden niet WOIII maar WOIIb…

De oorlog tussen Moskou en Kiev is dezelfde als die tussen Rusland en Georgië van vijftien jaar geleden. Een opa-oorlog, gestreden met conventionele om niet te zeggen antieke wapens, en vanuit een gedachte die alleen maar uit de hoofden van zestig- of zeventigjarige mannen kan komen: de strijd om een paar grenzen, het schijngevecht om de natiestaat.

Van Moldavië tot en met Finland leeft de gedachte dat dit een Europese oorlog is. Een oorlog in Europa. In Bulgarije, Polen, Slowakije wil men af van de denigrerende status van Oost-Europeaan. De Finse president noemt het conflict in de Ukraine al tien jaar een Midden-Europees probleem. Hongarije afficheert zichzelf als ‘de bakermat van Europa’.

De goeddeels door revanchegedachten van de voormalige vazalstaten ingegeven strijd tegen Rusland moet in hun optiek een Europese strijd worden. Die Finse president was een van de eersten die het idee van een Europees leger opperden. Hij en andere recent toegetreden leden van de EU willen nu die EU inkleuren naar hun wensen.

Sanna Marin moet dit met angst en beven aanzien. Weer de grenzen dicht… want haar landgenoten vrezen dat zich onder de Ukrainse vluchtelingen Russen gaan mengen… Weer een rem op de ontwikkeling van jonge mensen… Finland kent nog steeds algemene dienstplicht… En waar blijft in dit wapengekletter de bestrijding van die ene echte crisis..?

Die Finse president -de baas van Marin voor wat de buitenlandse politiek van het land betreft- was in een vorig leven de minister van financiën die naliet de crisis van begin jaren negentig in goede banen te leiden. Sanna Marin is opgevoed door twee vrouwen, de president werd gekozen tot president omdat zijn voornaamste rivaal een homofiel is.

Marin kan dus ‘haar’ president niet luchten of zien. De twee houden om de andere dag een persconferentie, maar nooit samen. In de praktijk komt het er op neer dat meneer de president verkondigt dat ie dit tegen Joe Biden heeft gezegd of dat tegen Vladimir Putin en dat Marin dat de volgende dag moet ontkrachten.

De oorlog tussen Moskou en Kiev is de oorlog van een generatie. Ze is de natte droom, de langst gekoesterde wens van mannen, al dan niet van Slavische origine, die weer mogen. En ze is de nachtmerrie van jonge mensen, ook in de voormalige vazalstaten van de Sovjet Unie, die beseffen dat de aardbol nog maar één kans gelaten was om te overleven…

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh