In herinnering: Achttien jaar en tien dagen later

 

De zelfmoord van Hans                                                                                                                                                                                      

HAARLEM 1998 (De reconstructie)

Hij zit rechtop in het bed en neemt alles nog eens door. Voor hem ligt een grote grijze plastic zak. Op zo’n vijftien centimeter van de opening een dik elastiek. Dat sluit straks stevig om zijn nek, want hij heeft geoefend en gemerkt dat de zak beslaat, maar ook dat er frisse lucht naar binnen komt als hij zijn duim tussen hals en elastiek legt. Op het tafeltje naast hem een papieren stofmasker. Dertig Nemtubal-slaappillen, vergruisd. Een doosje Seresta kalmeringspillen en Dramamine, een anti-braakmiddel, dat hij al drie dagen slikt. Er staat een fles single malt Macallen whisky en een glas sodawater.

      Hij haalt nog eens diep adem, gaat zo gemakkelijk mogelijk zitten en plaatst de plastic zak als een soort muts op zijn hoofd. De kalmeringsmiddelen, die hij ook al eerder heeft ingenomen werken. Hij pakt licht trillend het bordje met alle slaapmiddelen, giet ze naar binnen, neemt een flinke slok whisky, spoelt na met het water en laat dat volgen door nog meer sterke drank. Hij zet het maskertje voor zijn mond, raakt in een roes, trekt de zak over zijn hoofd en probeert het koord stevig om zijn hals te doen. Hij valt bijna weg. Zijn lippen, neus en mond worden langzaam blauw. Hij stuipt. Onwillekeurige bewegingen volgen elkaar op.

      Zelfbenoemd suicide-counselor J. staat op vanuit zijn leunstoel en loopt naar het bed. Hij probeert krampachtig de man in bedwang te houden. Maar de kracht ontbreekt hem. Hij valt om en slaat met zijn arm alles van tafel. De fles breekt. De man glijdt van het bed en blijft stuiptrekkingen maken.

Dan wordt het rustig. De man is in coma geraakt. 

      J. wacht ongeveer een half uur. Controleert of de man echt dood is. Daarna ruimt hij alles keurig op. De zak en alle middelen gaan in zijn eigen koffer. Hij legt de man op bed, trekt twee lakens over hem heen en verlaat kamer 211 van het hotel in het Haarlemse Schalkwijk. Het is de nacht van 6 op 7 december 1998.


Het vervolg

      ‘Kent u Hans C.?’ De politieman aan de telefoon vraagt het met een zeker ongeduld in zijn stem.

       ‘Ja’, zeg ik. ’Hoezo?’

       ‘We hebben hem vanochtend dood in een hotelkamer aangetroffen. Hij had vrijwel niets bij zich. Een toilettasje, een portefeuille met een paar munten erin, een rijbewijs, de hotelrekening die hij van tevoren betaald had en een briefje in zijn zak. Een briefje met uw naam en telefoonnummer’.

      Hans, mijn vriend. Mijn God. Hans, de kunsthistoricus, de cellist, vioolbouwer, bijzonder hoogleraar filologie, dan wel artistiek leider van een vermaard orkest. Hans, de gokverslaafde met zijn fluwelen stem, elegante kleding, charme, erudiete en innemende manier van optreden; zijn verhalen en anekdotes.

      Hans, die er altijd in slaagde om rijke dames voor zich te winnen. En ze daarna geld aftroggelde. Veel geld, want het waren altijd grootse projecten, waar hij zich in zijn ongebreidelde fantasie mee bezig hield. Soms kon hij een unieke kunstverzameling kopen of wilde hij investeren in een opvallend nieuwbouwproject; dan weer was het een bijzonder exportplan. Hij leefde van dat geld op goede stand. Soms trok hij tijdelijk bij één van die dames in.

       Het ging meestal redelijk goed, tot hij weer ging gokken. Dan maakte hij in korte tijd alles op en was onvindbaar. Hij belandde in de goot, woonde op straat of in een bos, trok zich terug in een klooster, leefde in een tehuis voor daklozen of ging belangeloos werken bij de Emmaüsgangers. Zijn belangrijkste spullen stopte hij dan altijd in een kluis op Schiphol.

Ik had een sleutel van die kluis. Hij had mij die gegeven, nadat we samen een bijzondere reis naar Indonesië gemaakt hadden.

‘Als er wat met mij gebeurt, weet je waar je moet zijn’, zei hij ooit.

Nu was het zo ver.

‘Kunt u zo spoedig mogelijk hiernaar toe komen’, zegt de politieman nadat ik hem een paar vragen heb gesteld. ‘Dan leg ik het u allemaal uit’.

Twee uur later zit ik op het bureau

      ‘We weten niet veel’, zegt de hoofdagent. ‘Vanochtend is hij op die hotelkamer door een schoonmaakster aangetroffen. Het is een natuurlijke dood. Geconstateerd door de politiearts. Een misdrijf achten wij uitgesloten. Veel weten we niet van hem. Alleen zijn naam. U bent een kennis hè. Geen familie. Jammer, want dat maakt het er niet eenvoudiger op. Weet u waar hij woont? Kent u verwanten? Er moet een begrafenis komen enzo. Kunt u daar voor zorgen? Hij ligt opgebaard hier in Haarlem; mortuarium Zijlweg’.

Ik besluit er direct naar toe te gaan. Ken de weg, want mijn vader lag daar in 1973 ook al opgebaard. Hallelujah!
     
     
‘Meneer heeft zijn onderbroekje nog aan’, zegt de man in het zwart. Hij tilt het zeil op. Daar ligt Hans. Mijn vriend. Vredig en kwetsbaar. Striemen in zijn hals. Grove blauwe en paarse vlekken.
      Hoezo natuurlijke dood?!
‘Dat Is toch niet normaal’, zeg ik en wijs naar die vlekken. De man kijkt mij berustend aan. ‘Daar doe ik geen uitspraak over. Ik ben geen arts’.
      En dan begint ook hij over eventuele familieleden en nog meer praktische zaken, die opgelost moeten worden. ‘Een begrafenis is duur hoor tegenwoordig. Ik hoop dat u zich dat wel realiseert’.

Op weg naar Schiphol bedenk ik dat zowel de hoofdagent als de man in het mortuarium nu niet bepaald fijnzinnig in hun optreden waren. ‘Wij zitten in ons maag met een lijk. Verlos ons daar maar van’. Dat is ongeveer de strekking.
     
In de grote kluis bevinden zich twee koffers. En er ligt een kaartje met daarop in sierlijke letters mijn naam.
      Er staat ondermeer:

 

 ‘Met een kort berichtje (helaas) en 'n groet het volgende: mijn zwerfleven, ten volle geleefd, is morgen voldoende uit om begraven te kunnen worden.
      Eindelijk vrij!!
Een koerswijziging is 'n besluit, waarom ikzelf geen kracht genoeg meer had om verder te gaan’.

                                                                                                            

TANGERANG JAVA 1986 (De Opmaat)

Tangerang Java. Een stadje even ten westen van Jakarta. Juni 1986. Hans en ik zijn in de jeugdgevangenis.
      Hij rolt zijn mouw op en laat het nummer zien dat op zijn bovenarm getatoeëerd is: 1554. Hij herkent alles nog, want er is vrijwel niets veranderd.
      Hij zat hier na de tweede wereldoorlog 25 maanden in celletje 6. Twee bij twee meter en niet meer dan anderhalve meter hoog. Een zandvloer. Kale afgebladderde muren. Tralies.

‘Hier’, fluistert Hans, ‘hier heb ik nauwelijks momenten van genade gekend’.

Vrijwel zwijgend gaan we door het complex. Een gebedsruimte, de eetzaal, isoleercellen en een schoolklas waar zo’n 25 jongetjes zitten. Twaalf, dertien jaar oud. Ze zien er slecht uit. Ondervoed. Ruim vallende overalls met vlekken en scheuren. Er hangt misère. Wanhoop, uitzichtloosheid, verstild verlangen. Wij zwijgen, de jongens zwijgen, de onderwijzer zwijgt. ‘Wat moeten jullie hier?’ Ik hoor het ze bijna denken. Voel de onversneden haat.

       ’s Avonds in de bar van hotel Borobudur in het nieuwe centrum van Jakarta komt Hans een beetje los. ’Ik wil het wel vertellen. Maar in vertrouwen. Geen bandrecorder; geen microfoon‘.

      Ik aarzel. We zijn naar Indonesië gegaan om een documentaire over zijn jeugd te maken. Over zijn ervaringen in het weeshuis ; de periode in het Jappenkamp; over zijn invloedrijke pleegfamilie en natuurlijk de gebeurtenissen in celletje zes van die jeugdgevangenis.

      ‘Er zijn grenzen’, zegt hij. ‘Niet alles kan voor een open microfoon verteld worden’.

Dan praat hij. Eerst aarzelend; mij aankijkend en inschattend. Daarna sneller. In trance. Meestal begon het aan het eind van de middag. Even voor het eten uitgedeeld werd. ’Zing Belanda, zing!’ riepen de andere jongens vanuit hun celletjes. Krontjong, altijd Krontjong. Muziekfusion.. Nederlands, Portugees, Indonesisch.
      ‘Hoerenmuziek’, zegt Hans en doet het voor. Hij zingt. Daar in die bar, waar een zeer gemèleerd internationaal gezelschap zich naar hem wendt. Want hij kan prachtig zingen. Zuiver en met emotie. Rollers en een snik in zijn stem. Als hij stopt klinkt er applaus. Hans lijkt het niet te horen. Hij kijkt me weer doordringend aan.

Ik stel me voor hoe dat daar in celletje 6 geklonken moet hebben. Met die lichte stem. Maar terwijl hij doorpraat, is het niet meer nodig me iets voor te stellen. Al bij het eerste lied kwam hij binnen. De oppercipier. Een kleine kalende man met een stokje onder zijn linkerarm. ’Zing Belanda zing’, herhaalde hij zacht.’Zing’.

En Hans zong. Hopend dat het ditmaal mee zou vallen. Maar nooit viel het mee. De cipier begon altijd voorzichtig. Teder bijna. Hij legde zijn stokje neer en trok Hans’ korte broekje uit. Het truitje en de rest. Al zingend werd hij opgetild, waarna de cipier zijn harde pik in zijn kleine anus propte. Het deed pijn. Heel erg. Als hij stopte met zingen werd hij op de grond gezet en kreeg een harde klap in zijn gezicht.
      ’Zing Belanda zing”. En dan zong Hans weer en werd opnieuw verkracht. Daarna mochten twee andere jongens naar zijn cel komen. Ze werden door de cipier aangewezen. Wie die dag het meest zijn best had gedaan kreeg voorrang. Hans moest ze pijpen. Altijd weer pijpen. En als hij het sperma had ingeslikt, moest hij weer zingen.

      Dan kwam de cipier terug. Hij ging op een stoeltje zitten, legde Hans over zijn bovenbenen en ranselde hem af met zijn stok. Altijd weer; iedere dag. Tot slot klonk het dan nog eens: ‘Zing Belanda , zing’.


Het doodsbericht

 

 

     

 

 

       


Eerder geplaatst in december 2007, 2010 en 2013