Poëzie (312)

 

Een fort, een klein kanon en wat zelfspot

J.A. (Jan) Emmens (1924-1971) was een bijzonder dichter. Een erudiet man, die vooral ambachtelijke gedichten schreef en zich daarmee zeer onderscheidde van de experimentele poëzie van de Vijftigers. Angst en agressie komen veel voor in zijn werk, maar het is vaak relativerend.
     Hij was hoogleraar kunstgeschiedenis in Utrecht. In 1971 maakte hij een eind aan zijn leven.


Van J.A. Emmens

Spaans tourisme

‘’Het grondplan van zo’n fort is als een ster
’t Kanon, dat u ziet wel, is veel te klein
voor ons modern begrip.
Briefkaarten aan de ingang bij die oude vrouw.
U kijkt naar boven: ’t lijntoestel dat overvliegt
is dat van elf uur dertig, dat de aanvoer onderhoudt…”

De aanvoer, man, is mij helaas bekend:
van leugens, uniformen, sterren, dure heren
Die oude vrouw, die aan de ingang zit
en ik; wij weten alleen dit:
wij zijn te klein om ons hiertegen te verweren.


Ik heb gezocht en vergeleken en denk het gevonden te hebben. Dit speelt zich volgens mij allemaal af in Fiqueres, een stadje in Catalonië vlakbij de grens met Frankrijk.  Een toeristisch oord van betekenis, alleen al omdat het de geboorteplaats is van Salvador Dali.
      Even buiten de kern ligt het Castillo de San Fernando, een fort in de vorm van een vijfpuntige ster met een muuromtrek van vijf kilometer.



Klein kanon

Bij het fort staat inderdaad een heel klein kanon.

     Fiqueres heeft een vliegveld waar de toeristen tegenwoordig vooral met charters aangevoerd worden en minder met lijntoestellen..
      Jan Emmens schreef zijn gedicht in de tijd van de Franco-dictatuur.  Hij uit zijn kritiek, maar beseft dat hij er verder ook niets aan kan veranderen.


Gebedje

Die zelfspot komt ook terug in dit nagelaten gedichtje, waarin we zien hoe hij worstelde met zijn tekst.

       


               Het zichzelf beheersend gebedje


                                 Breek wat, een pot  
                                 een potje, breek wat
                                 een schotel, een stok
                                 breek wat, een stokje
                                 een tak, houtje
                                 breek wat
                                 een steeltje
                                 maar breek wat
                                 in godsnaam.

 

 

Een dolende toren

Ik heb het aan vrij veel mensen en instanties gevraagd, maar niemand wist het.
En toch: h
et kan bijna niet anders. 
     
Het ‘kluchtige stadje’ in dit gedicht is Heteren in de gemeente Overbetuwe.
En hieronder (foto) staat ‘de ouwe toren’.
      Wakend over de Nederrijn en van alle kanten opvallend zichtbaar.

 

 
Lees eerst even dit vers van volksdichter C.S. Adama van Scheltema en dan zal ik er een soort bewijs uit het ongerijmde op loslaten. 

 
Van C.S. Adama van Scheltema

De dijk

Tusschen de Betuwe en tusschen de Veluwe                                                       

Daar lag de dijk door het waterig land

Als iets waaraan niets was te veranderen:-

De koeien en de kikkers aan de' eenen kant

En de zilveren visschen aan de' anderen;

Zoo bleven zij ieder in hun element,
Daar was dan ook ieder al lang aan gewend

Daar tusschen de Betuwe en tusschen de Veluwe.

En ónder aan den dijk daar glommen de blommen:

Die zwierden en tierden maar overal,

Die stonden te bloze' en te bloeien,

Die knikten en knakte', en die lachten maar al

Om die klapperdekakkende koeien;

En de koeien, die tilden hun steerten op                                                                
En zagen nadenkende uit hunnen kop,- 

Ja ónder aan den dijk daar glommen de blommen!

En óver den dijk daar floten de booten:-

Die toeterde' en ploeterden door de rivier,                                                           

Die waren geweldig aan 't sleepen,

En hadden een onfatsoenlijk pleizier

In de deftig zeilende schepen-

Die hielden zich kwasi wat achteraf,
Maar eigenlijk legden ze 't leelijk af,-

Ja, óver den dijk daar floten de booten!

En benéde' aan den dijk daar had je het stadje:-

Dat lag daar zoo kluchtig, zoo klein en zoo rein,

Als was 't maar een hapje, een stapje -

Dat kon eigenlijk wel eens niet anders zijn

Dan een echt-Hollandsch schildersgrapje!

Maar van den toren is dat niet gezegd,
Want de ouwe toren was zeker echt!-

Ja, benéde' aan den dijk daar had je het stadje!                               

En bóve' op de dijk daar voeren de boeren:-

Die holderdebolderden over den dijk

In hun hossebossende sjeezen-

Die reden hun glanzende peerden te kijk,

En hun wijf in heur Zondagsche wezen,

En die klapte' hunne zweep en die dachten maar: "krak,
Hoort gij die rijksdaalders wel in mienen zak!"-

Ja bóve' op den dijk daar voeren de boeren!

------------------------------------------------------------------------------------------

Kijk even naar dit kaartje.


 

Niet zo groot

Het gebied waar Betuwe en Veluwe elkaar bij de rivier naderen is niet zo groot. Globaal tussen Renkum en Arnhem, plaatsen die uiteraard te groot zijn om in aanmerking te komen. 
    Het gedicht stamt uit 1905 en is geschreven van de Betuwe naar de Veluwe; van zuid naar noord. Het stadje moet dus vrijwel zeker aan de zuidkant van de Rijn liggen.
     Een bezoek aan het gebied bevestigt dat. De enige dorpen daar aan de Veluwekant zijn Doorwerth en Heveadorp en die liggen in de bossen en niet aan de dijk. In een heuvelachtige omgeving.

Aan de Betuwezijde komen eigenlijk alleen maar Heteren en Driel in aanmerking.
      Ze liggen inderdaad ’benede aan den dijk’ waar je een prachtig uitzicht hebt op de Rijn. Buitendijks zijn de landerijen ondergelopen. Er loopt vee, er varen schepen maar bovenal is er bij Heteren de toren, die daar de bijnaam Peperbus heeft.

De toren met muren van 1.40 meter dik, stamt uit de twaalfde eeuw. Maar in 1834 stortte de kerk in en bleef alleen de toren overeind staan.
      Later werd zo’n vijftig meter verderop de nieuwe Hervormde kerk gebouwd. 
De dijk werd verlegd en maakt nu een kronkel om de toren heen. (Driel heeft ook een toren(tje), maar dat zit aan de kerk vast.)


 
Geen Hollandsch schildersgrapje meer

 Heteren had ruim honderd jaar geleden niet meer dan zo’n 500 inwoners. Nu zijn dat er ruim 5.000.
      Er is vrij veel nieuwbouw en er is een bedrijventerrein.
Het is geen ‘Hollandsch schildersgrapje’ meer.

Heteren heeft overigens geen stadsrechten; een -dunkt mij- dichterlijke vrijheid van C. S. Adama van Scheltema 
       

 

 

De geest uit de fles

(Hoe de moderne mens werd hoe hij is) 

U wist het natuurlijk wèl, maar voor mij was het nieuw. Jean Paul Sartre heeft ook chansons geschreven. 
      Nou ja: in ieder geval één. Dans la rue des Blancs-Manteaux. 
Het werd bekend door de vertolking van de Franse chansonnière Juliette Gréco.
      Het lied is een aanklacht tegen de heersende klasse, tegen de machthebbers of liever les salauds, de hufters.
      Fijnzinnig is het niet.

 In de straat wordt een schavot opgericht. Zaagsel wordt in een mand gestrooid. De beul is vroeg opgestaan, want hij heeft een klusje te klaren. Generaals, admiraals, bisschoppen en dames uit de betere standen met hun mooie snuisterijen moeten sneuvelen onder de guillotine. Hun hoofden zullen belanden in de goot van Blancs-Manteaux. Een straat, die overigens gewoon bestaat in Parijs.


Luister HIER naar Juliette Gréco.

Dans la rue des Blancs-Manteaux 
Ils ont élevé des tréteaux 
Et mis du son dans un seau 
Et c'était un échafaud 
Dans la rue des Blancs-Manteaux 

Dans la rue des Blancs-Manteaux 
Le bourreau s'est levé tôt 
C'est qu'il avait du boulot 
Faut qu'il coupe des généraux 
Des évêques, des amiraux, 
Dans la rue des Blancs-Manteaux 

Dans la rue des Blancs-Manteaux 
Sont v'nues des dames comme il faut 
Avec de beaux affûtiaux 
Mais la tête leur f'sait défaut 
Elle avait roulé d'son haut 
La tête avec le chapeau 

Dans l'ruisseau des Blancs-Manteaux


De geest uit de fles


Ik heb dit niet zelf ontdekt, maar gevonden in het prachtboek ''De geest uit de fles'' van schrijver en filosoof Ger Groot.
      De ondertitel is goed getypeerd; ‘’Hoe de moderne mens werd wie hij is’’.

Een verhandeling hoe de moderne mens zijn goddelijke ankerpunt kwijtraakte toen Descartes in de 17e eeuw een eind maakte aan de religieuze zekerheden.

In het boek behandelt Ger Groot alle grote filosofen van de laatste vier eeuwen. Naast Descartes ondermeer Rousseau, Nietzsche, Hegel, Heidegger, Foucault, Harvey,Spinoza, Kant, Schopenhauer, Schiller, en Kierkegaard, schrijvers als Sartre, De Beauvoir, Proust, Baudelaire en Camus en componisten als Mozart, Bach, Wagner.
      Maar hij brengt ze vooral in verband met bijvoorbeeld kleinkunst, moderne muziek, architectuur, beeldhouwkunst , film, stripverhalen, reclame en graffiti. Zo wordt filosofie weerspiegeld in de hele cultuur.

Het is geen boek om ademloos achter elkaar uit te lezen. Je moet er de tijd voor nemen.
      Af en toe een hoofdstuk.
Bovendien is het niet alleen een leesboek, het is ook een luister- en kijkboek.
      Ger Groot vindt dat de filosofie van de afgelopen vier eeuwen zich laat beschrijven als één lange worsteling met de erfenis van de religie.
      Niet alleen de filosofie, maar de hele cultuur is van die worsteling doordrongen.

Groot: 'Wie goed kijkt en luistert, kan in de architectuur van de Amsterdamse School, de schilderkunst van Caspar David Friedrich, de opera's van Wagner of een lied van Ramses Shaffy de filosofie van hun tijd waarnemen. Je ziet en hoort Kant en Schiller, Nietzsche en Sartre door de kunstwerken heen. Filosofie is overal, in alle hoeken van de samenleving - niet alleen in de kunsten, maar ook in reclameboodschappen, in pornografie en zelfs in de graffiti op straat.'

 

 

Voor Mai; een moeder

Jan Hanlo was een verwend moederskindje. Een homo met pedofiele neigingen.
     
Streng katholiek, een stevige roker en nog steviger drinker, een ruziezoeker, een psychoot die zomaar van een dak afstapte.
Iemand die een jongetje van twaalf jaar uit Marokko ontvoerde. Een man die volgens zijn biograaf Hans Renders in een inrichting in Heilo gecastreerd werd.

Jan Hanlo was ook een groot en bijzonder dichter.
      Het gedicht ’s Morgens is opgedragen aan Mai. Dat is zijn moeder.

Het gaat zo



Van Jan Hanlo


‘s Morgens

                                Voor Mai


Het was half vijf ’s morgens in April

Ik liep, en floot de St. Louis Blues

Maar ik floot die op mijn eigen wijze

Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten

gelijken op de zang van de grote lijster

En waarlijk, na enige tijd geleek mijn

fluiten van de St. Louis Blues

Op de zang van de grote lijster:

turdus viscivorus

 

Moederfixatie

Jan Hanlo werd in 1912 geboren in Bandung op Java.
      Zijn ouders scheidden vlak daarna en Jan ging met zijn moeder Maria Crombach terug naar Deurne in Brabant.
Baboe Tjoetje ging ook mee. Zij verbasterde Mama in Mai en Jan bleef zijn moeder altijd zo noemen.
      Hij droeg niet alleen dit gedicht aan haar op Nee.. Al zijn boeken zijn opgedragen aan Mai.

Hans Renders schrijft in zijn uiterst boeiende Hanlobiografie ‘Zo meen ik dat ook jij bent’ diverse keren over de innige band tussen moeder & zoon.   
      ‘Hij had een moederfixatie’.

Jan Hanlo wilde niet volwassen worden; hij leed aan het zogeheten Peter Pan syndroom.
      Jan bleef bij zijn moeder in bed slapen tot hij volwassen was. En zijn eerste geschreven woorden die bewaard zijn gebleven -hij was toen zes jaar- zijn voor zijn moeder: ’Maitje, Uw liefhebbende Zoontje Jan’.


In 1949 verscheen zijn beroemde klankdicht De Mus, dat in zekere zin een voorbode was van het nog veel beroemdere Oote dat hij in 1952 publiceerde.

 

De Mus

Tjielp tjielp -tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp -tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp

Tjielp

          Etc.

 

Bewierookt & verguisd

En dan komt Oote. Eén van de meest besproken, bewierookte, verguisde en belachelijk gemaakte gedichten uit de Nederlandse literatuur.
      Jarenlang; eigenlijk wordt dit gedicht nog steeds aangehaald.
Hanlo werd op straat nageroepen met Boeh.


Jaap Goedegebuure vergeleek het met En Rade van Jan Engelman. (Poezië 57)
     
Gerrit Komrij noemde het een Kijkgedicht.

En voor allerlei andere vergelijkingen, commentaren etc. verwijs ik naar de biografie van Hans Renders, verschenen bij de Bezige Bij.
      Die geeft bovendien een angstaanjagend beeld van de naoorlogse psychiatrie in Nederland, waar tot in 1969 castraties werden uitgevoerd.
      ‘Om zijn eigen puurheid te bewaren, zijn dwangmatige lustgevoelens te overwinnen, had hij zich vrijwillig laten verminken’

 

OOTE


Oote oote oote

Boe

Oote oote

Oote oote oote boe

Oe oe

Oe oe oote oote oote

A

A a a

Oote a a a

Oote oe oe

Oe oe oe

Oe oe oe oe oe

Oe oe oe oe oe

Oe oe oe oe oe oe oe

Oe oe oe etc.

Oote oote oote

Eh eh euh

Euh euh etc.

Oote oote oote boe
                
                             etc.
                
                             etc. etc.

Hoe boe boe boe

Hoe boe boe boe

B boe

Boe oe oe

Oe oe (etc.)

Oe oe oe oe

                  etc.

Eh eh euh euh euh

Oo-eh oo-eh o-eh eh eh eh

Ah ach ah ach ach ah a a

Oh ohh ohh hh hhh (etc.)

Hhd d d

Hdd

D d d d da

D dda d dda da

D da d da d da d da d da da
 
                                                da

Da da demband

Demband demband dembrand dembrandt

Dembrandt Dembrandt Dembrandt

Da do do do da do do do

Do do da do deu d

Do do do deu deu doe deu deu

Deu deu deu da dd deu

Deu deu deu deu


                             Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur

                             Kneu kneu ote kneu eur

                             Kneu ote ote ote ote ote

                             Ote ote ote

                             Ote ote

                             Boe

Oote oote oote boe

Oote oote boe oote oote boe

Opwinding


Luister naar Hans Renders, die in het VPRO-programma OVT vertelt over de opwinding die in april 1952 ontstond na publicatie van dit gedicht. 

 Vanaf 5'40''

 Ovt - OVT - VPRO

 

 

Poëtisch kommaneuken


Van K. Schippers

The value of comma’s

 Voor J.H.

The mayor says the inspector is an ass.

The mayor, says the inspector, is an ass.

The mayor says, the inspector is an ass.

 

Wie is J.H. ?

Daar kan maar één antwoord op zijn: Jan Hanlo.

Niet alleen een zeer bijzonder en fantasierijk dichter, maar ook een erkend kommaneuker.
      Een auteur met zeer grote aandacht voor de kleinste bijzonderheden. Iemand die altijd bang was, dat er bij de publicatie van zijn gedichten en proza fouten gemaakt zouden worden.
      De gedachte, dat er na zijn dood iets gepubliceerd zou worden dat hij niet meer kon corrigeren, was voor hem een soort nachtmerrie.

Schippers en Hanlo kenden elkaar goed.
      In eerste instantie vooral van het luchtige literaire tijdschrift Barbarber, dat Schippers in 1958 samen met G. Brands oprichtte.
J. Bernlef kwam daar al snel bij.
      In 1964 maakten Schippers en Bernlef een zeer bekend geworden interview met Hanlo, waaruit veelvuldig geciteerd wordt in de mooie biografie van Hans Renders.
     
Daarin is bijvoorbeeld ook een gedicht van Schippers ‘met Hanlo-eske’ trekken opgenomen.

 

 Bloemen: een oud lied


voor iemand die ik aardig vind

en die mij hoop ik ook bemint

 

ze mint me

ze mint me niet

ze mint me

ze mint me niet

ze mint me

ze mint me niet

ze mint me

ze mint me niet

ze mint me

ze mint me niet etc.

 

Vrij Nederland

In een herdenkingsartikel in Vrij Nederland na de dood van Jan Hanlo noemen Schippers en Bernlef hem ‘de grootste dichter en prozaschrijver in de Nederlandse taal van de laatste honderd jaar’.

K. Schippers was dichter en prozaschrijver. Hij overleed vorig jaar augustus.
      Hij won ondermeer de Multatuliprijs, de P.C.Hooftprijs en de Libris literatuurprijs.
In Barbarber introduceerde hij de readymade als kunstvorm.

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje