Reizen (297)

 

 

Winter 1992

Botsingen in TRANSSYLVANIË

Ergens tussen de achtste verdieping en de begane grond stokt de lift. Een klein stinkend ding van niet meer dan 1 bij 1.5 meter in een gore Ceausescu-flat in een buitenwijk van het Roemeense stadje Tirgu Mures. Ik sta alleen in het donkere liftje en raak even behoorlijk in paniek.

Er zitten gelukkig kieren in die lift. Ik zie dat er in de flat geen lampen meer branden. De elektriciteit is uitgevallen. Ik hoor mensen lopen. Ze roepen. Er wordt op de liftschacht geklopt. Ik klop maar eens terug.
      Tien? Vijftien? Twintig? minuten later gaat het licht weer aan. Ik druk op een knopje en het liftje zet zich steunend in beweging. Dan ga ik naar de garage waar de gehuurde Citroën BX wordt gerepareerd. Ik haal er een pakketje uit en ga terug naar het flatgebouw. Acht trappen omhoog, want die lift ga ik niet meer in.


DE HONGAREN

Dit is Transsylvanië, het noordwestelijk deel van Roemenië dat ooit onderdeel was van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Ik ben hier met Klaas Vos om een radioprogramma te maken over de twee en een half miljoen etnische Hongaren, die in dit gebied een gediscrimineerde minderheid vormen. 
      Klaas Vos woonde twee jaar in de Transsylvaanse ''hoofdstad" Cluj waar hij studeerde aan het Hongaarstalig Protestants Theologisch Instituut. Klaas spreekt bijvoorbeeld Hongaars, een Fins-Oegrische taal waar ik geen touw aan vast kan knopen.
      Tirgu Mures (Hongaars: Márosvásarhely) was op 20 maart 1990 het centrum van bloedige rellen tussen Hongaren en Roemenen. 
De dag daarvoor hadden zo’n duizend Roemenen het gebouw van de Hongaarse Democratische Unie bestormd. Hongaarse betogers werden daarna door Roemenen uit elkaar geslagen. 
      Er vielen zes doden en honderden gewonden.

Een dag voor het liftincident vertrokken wij uit Cluj (Hongaars: Kolozsvar). Er lag een dik pak sneeuw en het was 22 graden onder nul. In hotel Belvedere werd bij gebrek aan brandstof maar een paar uur per dag gestookt, zodat je bijvoorbeeld met een jas aan in bed moest liggen. 
      De sneeuw werd niet geruimd, waardoor de wegen spekglad waren. Omdat wij tóch het land in wilden had Klaas een student van het Theologisch Instituut ingehuurd. Die kende immers beter de weg dan wij.

  


VADASD
  

Al na een paar honderd meter had ik spijt van deze beslissing. László -zoals hij heette- kende dan wel de weg, maar hij was heel jong en had weinig rijervaring. Gelukkig reed hij langzaam en voorzichtig. 
      Wij gleden door Turda en gingen na Tirgu Mures richting Brasov. En dan verderop linksaf richting Sovata langs het riviertje de Havad. Uiteindelijk bereikten we het puur Hongaarse dorpje Vadasd, waar een kennis van Klaas woonde: dominee Kiss Karoly. (Eerst achternaam, dan voornaam) 
      Een man, die een beetje Nederlands sprak omdat hij Bijbels in alle mogelijke talen spaarde en ze ook las. 
Hij had de Nederlandse editie gelezen en zich op die manier een aantal woorden eigen gemaakt. Hij vertelde bijvoorbeeld over een beer, die de week tevoren in het dorpje een biggetje had gepakt:


SCHAARSTE

De mensen in het dorpje woonden in vrij kleine huizen. Ze hadden hout genoeg om te stoken en werden vooral in leven gehouden door dominee Kiss, die regelmatig voedselpakketten uit Nederland ontving. 
      In het plaatselijke winkeltje was vrijwel niets voorradig. Al maandenlang was de bus niet verschenen. Aan de rand van het dorpje woonden enkele zigeuner-gezinnen in gammele tochtige krotten.
      Genegeerd en uitgekotst door de plaatselijke bevolking.
Wij gingen zo'n hutje binnen. In een hoek lag een oude vrouw op een gammele bank. Ze was er heel erg aan toe. Ze zuchtte, steunde en huilde af en toe. 
"Armoe is dit'', zei dominee Kiss. ''Onstellend grote armoe. Vreselijk om jullie dit te moeten laten zien. Vreselijk".

                                                 
DE MOEIZAME TERUGTOCHT 

Op de terugweg bleek de ventilator van de auto kapotgevroren. De ruiten besloegen en wij moesten om de paar honderd meter stoppen om het ijs van de ramen te krabben. 

      Het was vrijwel ondoenlijk en onze jonge chauffeur kreeg het steeds benauwder. Maar hij wist in Tirgu Mures een garage, waar ze klanten uit het westen natuurlijk direct konden helpen om ze daarna een financiële poot uit te kunnen draaien.

Kennissen van László woonden acht hoog in de Ceaucescu-flat in Tirgu Mures. Ook hier was de stadsverwarming maar een paar uur per dag actief. Wij zaten in onze jas en dronken een kopje thee tot ik het pakketje ging halen, dat nog in de auto lag.

LUNA  

Op de weg terug naar Cluj gebeurde het toch nog. Het was op de hoofdweg in het dorpje Luna (Hong: Aranyoslona). De auto slipte en onze chauffeur deed wat je juist niet moet doen: hij ging op zijn rem staan.
      Wij botsten langzaam maar vrij luidruchtig op een geparkeerd staande auto. 
Onmiddellijk kwamen er uit diverse huizen mensen aanstormen. Ze waren agressief en eisten dat wij mee naar het politiebureau gingen. 
      Onze auto had een forse deuk aan de voorkant; de oude Lada van de luidruchtigste Roemeen had nauwelijks schade.

De politieman vulde wat formulieren in, maar het was duidelijk dat de Roemeense eigenaar geld wilde zien. (In sommige boekjes kan je dan lezen, dat je niet moet betalen, maar die dingen worden volgens mij altijd opgeschreven door mensen, die zoiets zelf nog nooit hebben meegemaakt). 
      Honderd Amerikaanse dollars moest de man hebben. Voor Roemeense begrippen in die tijd waanzinnig veel. (Ongeveer twee maandlonen). Klaas en ik keken elkaar aan. De situatie was gespannen en werd enigszins beangstigend toen deze Roemenen in de gaten hadden, dat onze chauffeur een Hongaar was. 
      Ik deed toen maar een greep in mijn binnenzak en haalde er twee biljetten van vijftig dollar uit.


TWEE FLESJES PALINKA 
 

De man lachte; alle omstanders lachten en wij werden uitgenodigd om binnen te komen. 
      Daar had een oude oma de fles Pálinka al tevoorschijn gehaald. 
De fles was snel leeg; een tweede volgde en de stemming werd bepaald vrolijk.

László dronk niet en reed rustig met een rammelende voorbumper terug naar Cluj. 
      De verwarming in het hotel was zowaar aan.


EEN KAARTJE VAN DOMINEE KISS

 

 

 

Voorjaar 2012

Een monoloog aan de baai van Kotor

Hij is 52 jaar en van niemand afhankelijk.
      Woont in het dorpje Muo aan de wonderbaarlijk mooie baai van Kotor in Montenegro. 
Direct aan het smalle weggetje dat langs het water loopt.

     

‘Ik was kapitein op de grote vaart en ben overal geweest. Overal.
      Jullie komen uit Nederland. Heb ik gezien op je kentekenplaat. Amsterdam. Rotterdam. Ik ben er vaak geweest. Vreselijk. Overal prostitutie. Drugs? Kan je gewoon in cafés kopen. Dat wordt zomaar toegelaten bij jullie. Weet je wat jullie zijn?
     
Verrotte kapitalisten. Een soort luizen 
En weet je wat nog meer? Kolonialisten. Suriname! Ben ik ook vaak geweest. Hebben jullie uitgebuit en naar de knoppen geholpen’.

De kapitein heeft een scherpe zaag in zijn hand. Hij is takken aan het snoeien.
      Hij zwaait vervaarlijk met de zaag als hij zegt:

‘Ik haat jullie. Niet jullie persoonlijk hoor, maar ik haat westerse buitenlanders, die alleen maar hiernaar toe komen om te profiteren van alles wat wij hebben. 
      Omdat het voor jullie hier goedkoop is. Jullie zijn een soort neo-kolonialisten
Profiteren van dingen, waar veel van onze eigen mensen NIET van kunnen profiteren omdat ze arm zijn. En onvoldoende opgeleid.
      
Ik ben dat wel. Ik heb nog wat geld over gehouden van al dat varen. En ik heb gestudeerd. Ik ben één van de weinige intellectuelen in het dorp hier. Ze willen me voor bestuursbaantjes en voor andere dingen, maar ik sluit me nergens meer bij aan.
      
Ik blijf onafhankelijk. Ik kan visjes vangen in de baai. Die kan ik verkopen, maar waarom zou ik dat doen? Nodig heb ik het niet.
Ik ben één van de weinigen hier die Engels spreekt. Heb ik geleerd tijdens mijn studie''.

''Bovendien heb ik een paar jaar in Amerika gewoond. New Orleans. Ook zo’n decadente stad. Ik was daar toen die orkaan Katrina er was. 
      Toen heb ik gezien hoe de rijken bevoordeeld werden. Zij werden op de beste adressen ondergebracht en voor hún spullen werd goed gezorgd. De sloebers, de armen, de minder bedeelden moesten het zelf maar uitzoeken. Dat is Amerika mensen, de USA.
      
Kijk mij nou eens, Ik ben geboren in Joegoslavië . Het Joegoslavië van Tito.
Vroeger was ik communist, maar dat kan niet meer. Nu ben ik atheïst.

Mijn vader was Montenegrijn, mijn moeder een Kroatische.
      
Wat ben ik dan? Nou? Weten jullie het?
Vijftig procent Montenegrijn; 50 % Kroaat.
      
Maar wat moet ik daarmee? 
Wat kan ik daarmee?
Waarom? Waarom is het allemaal zo gelopen?''

 

Fjord hotel 



''Kijk eens naar dat hotel hier tegenover. Fjord hotel. Vroeger liep het goed, Zat het in het seizoen vol. 
      Tien jaar geleden is het over genomen door Ieren. Die zouden het opknappen.
Is niets van terecht gekomen. Andere buitenlanders hebben het overgenomen. En daarna weer anderen. Maar je ziet het. 
      Verloederd en afgebladderd.
Dat heb je met die westerse buitenlanders.


Ik haat ze.
      
Nou ja. Niet jullie persoonlijk. Maar al die anderen wel’.
En op de foto wil ik ook niet. Nou ja! Van achteren dan

 



 

Scheißestaat

(Door Theo Uittenbogaard)

Met collega Peter Flik deel ik het genoegen dat wij door de VPRO in de gelegenheid werden gesteld om, betrekkelijk dichtbij, te mogen rondreizen in onbestaanbare sprookjeslanden vol verbazingwekkende ongerijmdheden. Het socialistisch paradijs. Het oostblok, dus. 

In Moskou bijvoorbeeld; waar, tijdens de net uitgebroken glasnost, een hoteleigenaar mij vol trots zijn glanzend spiksplinternieuwe Mercedes liet zien, met Westduitse kentekenplaten, en waar uit het gat, waarin het slot van het rechterportier zou moeten zitten, nog een ijzerdraadje stak. Of waar we, in de sovjet-tijd tegen de middag een hapje wilden eten, maar waar we op de dichte deur van het restaurant een briefje aantroffen met de tekst: "GESLOTEN WEGENS LUNCH". 

Of in Gdansk tijdens Solidarnosz, waar het toiletpapier zo schaars was, dat we dachten sigaretten te krijgen gepresenteerd uit een bekertje, maar dat het slechts opgerolde velletjes toiletpapier bleken te zijn, waarvan men discreet eentje mocht meenemen op weg naar de wc. 

Maar het toppunt van schizofrene vreugde verschafte toch wel de Eerste Arbeiders- en Boerenrepubliek op Duitse bodem, de DDR. Welks succes werd verbeeld door krachtig rokende schoorstenen in stad en platteland, waardoor het altijd en overal penetrant naar kool stonk. Adembenemende bruinkool of walgwekkende witte kool -'mit Eisbein'. 

Waar de lijm van de grauwe papieren verpakking op de drempel van de winkel reeds losliet. 

Waar kameraad-regeringsleider in het dagelijkse tv-journaal voor de zekerheid, immer van volledige titulatuur werd voorzien: "General Sekretär des Zentral Komitees der SED und Vorsitzende des Staatsrates, Genosse Erich Honecker"

En waar vriendin B door een bewaker van een, hoofdzakelijk leeg, warenhuis in de hoofdstad der DDR, bijkans weer naar binnen werd gesleept, toen zij net het gebouw onverrichterzake verlaten had door een uitnodigend openstaande nooduitgang naar de straat. Omdat het verboden is, blafte de bewaker op haar waarom. En dus werd zij gesommeerd mee naar binnen te gaan om het pand op reguliere wijze te verlaten. Maar toen ze erop wees, dat het een nooduitgang was, en dus geen ingang, duizelde de consequentie daarvan de ambtsdrager dusdanig, dat hij haar maar liet gaan. 

          

           Paardentrabi DDR (afbeelding aan de muur bij Peter Flik)

Wat me doet denken aan een grapje dat mijn droevige, bijna gepensioneerde Pressebegleiter der DDR waagde te vertellen, tersluiks op straat naast onze auto, nadat hij net een -waarschijnlijk illegaal- boek van Christoher Isherwood over Berlijn van me had gekregen, als geschenk, tot  slot van een reportagereis door de DDR, die we samen hadden gemaakt. 

"Op een zonnige, zeer vroege ochtend, loopt een man over de Stalin Allee in de Hauptstadt der DDR. De straat oogt uitgestorven. En dus ziet de man zijn kans schoon en roept zo hard hij kan tegen de gevels: "Was ein Scheissestaat !" Twee minuten later wordt hij op z'n schouder getikt door een agent in burger: "Mitkommen. U bent gearresteerd". "Waarom ?", vraagt de man. "Wegens belediging van de Eerste Arbeiders- en Boerenrepubliek op Duitse bodem". "Hoho", zegt de man, "ik heb toch niet gezegd welke Scheissestaat ik bedoelde ?"  "Haben Sie recht", zegt de agent en laat hem gaan. Twee minuten later wordt hij opnieuw op z'n schouder getikt. Door dezelfde agent. Hij zegt: "Sie sind doch verhaftet. Es gibt nur ein Scheissestaat".

 

 

 

 

Voorjaar 2014

Een stad met eigenwaarde



Slowakije hing er altijd een beetje bij. Eeuwenlang bij de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije en in de twintigste eeuw tientallen jaren lang bij Tsjecho-Slowakije.
      Bratislava was 300 jaar lang de hoofdstad van Hongarije, maar alleen omdat Budapest voor een deel bezet was door de Turken. En Bratislava was in Tsjecho-Slowakije na Praag altijd een soort tweederangsstad.
      Pas na de onafhankelijkheid op 1 januari 1993 vond Bratislava zijn eigenwaarde, zijn trots, zijn zelfbewustzijn.


Oud Stadhuis



Het is de op één na jongste hoofdstad in Europa. (Na Podgorica Montenegro). De oude stad is mooi, gevarieerd & gezellig. Prachtige paleizen, de Stadsburcht, karakteristieke gebouwen, kerken en huizen, klinkerstraten met een zeer divers en modern winkelbestand. Musea, beeldhouwwerken, restaurants, cafés, terrassen en straatmuzikanten maken het tot een aangenaam geheel.
      Het is niet zo groot en goed te belopen. Het oude stadhuis stamt uit de vijftiende eeuw. Later vonden er diverse restauraties plaats.

Michaelpoort



De toren is ruim vijftig meter hoog. De poort is nog de enige bewaard gebleven toegang tot de oude stad.


Burcht van Bratislava



De Burcht ligt op de noordelijke oever van de Donau en is vrijwel altijd in beeld. Meer dan duizend jaar oud.
      In de Burcht is het Slowaaks Nationaal Museum.


Slowaaks Nationaal Theater



Gebouwd eind negentiende eeuw.


L’udovit Štúr

           

L’udovit was een vermaard taalkundige. Grondlegger van het geschreven Slowaaks.


Achter het beeld



Napoleontisch krijger



Grassalkovitch Paleis



Het presidentieel paleis ligt even buiten de oude stad. Stamt uit 1760 en werd later uitgebreid.


Binnenplaats



Achter ieder gebouw en iedere poort in Bratislava is wel iets. Geheimzinnige plekjes, die je pas ontdekt als je kleine straatjes ingaat en achter donkere poortjes zoekt.
      Wat dat betreft lijkt het erg op Praag.

Paleis van de Primaat



Eind achttiende eeuw gebouwd voor de aartsbisschop van Bratislava.


Novy Most



Als je een eerste indruk wilt hebben van de Slowaakse hoofdstad Bratislava moet je naar de Novy Most gaan, de nieuwe brug over de Donau. (Beelden 567)
      Op één van de brugpijlers is een toren van 85 meter hoog. Daar is een restaurant dat UFO heet en er inderdaad uitziet als een vliegende schotel. Op de hoogste verdieping is een uitkijkplatform.
      De NOVY Most werd in 1972 geopend. Zij heette toen de Most SNP, brug van de Slowaakse Nationale Opstand. Na de onafhankelijkheid op 1 januari 1993 werd het de Novy Most.

Oude stad vanaf de toren

 

 

 

Zomer 1995

Vis & slagbomen

Slowakije was even in het nieuws toen daar tot verrassing van velen Zuzana Čaputová tot president werd verkozen.
      ‘Wij weten weinig van Slowakije’, hoor ik dan op de radio. ‘Veel mensen kunnen niet eens aanwijzen waar het ligt’.

Dit laatste lijkt mij geen doorslaggevend argument voor de bekendheid van een land. Ik herinner me nog uitzendingen van vakantieman Frits Bom, waarbij mensen altijd werd gevraagd om aan te wijzen waar een bepaald land lag. Vaak wees iemand dan Engeland aan als Oostenrijk bedoeld werd of Rusland werd Spanje of Zwitserland. Ik had altijd het vermoeden, dat de mensen een soort beloning kregen om met zulke stommiteiten de hilariteit van het programma te verhogen. Maar dat was geloof ik te veel eer.

      Slowakije dus. Een land dat op 1 januari 1993 zomaar onafhankelijk werd, toen Tsjechoslowakije werd opgeheven. Tegen de wil overigens van een overgrote meerderheid van het Slowaakse volk. Het was altijd een soort boerenachterland van Tsjechië -of liever van Praag-. Er waren wapenfabrieken, die vrijwel onmiddellijk dicht gingen. Tsjechische auto’s behielden CZ op het nummerbord -de oude letters van Tsjechoslowakije- en Slowakije kreeg de nieuwe letters SK.
      In de zomer van 1995 was ik in het grensplaatsje Hodonin in Tsjechië. Er stond een grote visfabriek, die enorm stonk. Maar omdat er veelal een zuidwestelijke wind was, hadden vooral de mensen in Slowakije last van die stank.
      Bij de grens stonden douanemensen in gloednieuwe pakken voor slagbomen, die daar nooit gestaan hadden. Die slagbomen waren van simpel materiaal en hadden een verfbeurt nodig. Een paar inderhaast neergezette huisjes moest de mannen tegen de regen beschermen.
      En … er stond een oude computer.

De Slowaakse douaneman maakte duidelijk, dat mijn paspoort door die computer gecontroleerd moest worden. Maar ja, de computer werkte niet en daarom mocht ik van hem niet de grens over. Omdat ik daar protest tegen aantekende kwam er een soort chef, die bevestigde dat het paspoort gecontroleerd moest worden met behulp van die computer. Hij negeerde het biljet van 20 US$ in mijn paspoort en gaf daarmee aan dat hij het vak nog moest leren. 
       Ik moest zo’n veertig kilometer omrijden naar een volgende grenspost, waar de douanemannen ook al van die gloednieuwe pakken aan hadden. En.. Ook daar stond een computer.
      Er was echter geen enkel probleem.
Toen ik maar eens vroeg of ze niet in de computer moesten kijken werd de douaneman een beetje ongeduldig.
      ‘Meneer rijdt u toch door'.
      'Waarom zou ik in godsnaam in die computer moeten kijken’.

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh