Reizen (312)

 

Voorjaar 1998

Corrupte agenten & giftige slagtanden

Locatie: De 8-ste verdieping van hotel Uzbekistan in Tasjkent de hoofdstad van Oezbekistan in Centraal Azië .

‘Zullen we het eens op z’n Russisch doen’, zegt Boris. Hij pakt de fles single malt whisky en vult twee limonadeglaasjes. Dan leegt hij in één teug zijn glas. 
      ‘Lekker’, zegt hij. En hij herhaalt nog eens dat dit de eerste keer in zijn leven is, dat hij whisky drinkt. 
      ‘Nu jij Ronald. Op z‘n Russisch!’

Boris wordt vertrouwelijk. Hij is geen Oezbeek, maar komt uit Novosibirsk in Siberië. Maar hij woonde al in Tasjkent, toen dat nog bij de Sovjet Unie hoorde. 
      ‘Het wordt hier wel steeds moeilijker voor ons. Die Oezbeken schuiven elkaar alle klussen toe. Ze krijgen voorrang als er een baantje is en worden voorgetrokken als er huizen worden toegewezen'. 
Hij werkt bij een agentschap, dat er ondermeer voor zorgt om journalisten als ik te helpen. 
      ’Als er problemen zijn, moet je me onmiddellijk bellen’.

Twee uur later is de fles leeg en Boris stomdronken. 
      ’Ik ga even naar beneden’, stamelt hij. ’Daar hebben ze nog wel wodka’. 
Op de gang valt hij over een stoel, blijft liggen en wordt benaderd door een paar hoeren. Ik sluit mijn kamer goed af en val onmiddellijk in slaap. 
      

LELIJKE STAD
Image
De volgende dag slenter ik maar wat door de lelijke stad, die in 1966 vrijwel volledig verwoest werd door een aardbeving. Geheel volgens de Sovjet-tradities werd de stad op ranzige wijze herbouwd met brede straten, grote pleinen en sombere hoge flatgebouwen, gespeend van ook maar het geringste spoortje creatieve architectuur. Als ik ergens een paar foto’s maak, word ik aangehouden door twee agenten. 
      Ze vragen mijn papieren, zien dat ik geen Rus ben en gebaren dat ik mee moet naar het politiebureau. Hoewel ze alleen maar in het Russisch tegen mij praten, wordt duidelijk, dat er ‘iets’ niet in orde is met mijn visum. Ze wijzen ernaar.

In een klein gesloten kamertje op het bureau probeer ik duidelijk te maken, dat ik wil bellen. Met Boris natuurlijk. Die moet me hier maar uit krijgen.
Maar de agenten staan dat niet toe. Ik moet betalen om ‘het probleem’ op te lossen. Zevenduizend Som -ongeveer 75 US$-. Dat is heel veel geld in dit land, waar het gemiddeld maandinkomen niet meer dan vijfduizend Som is.

Er zijn types, die beweren dat je in zo’n geval niet moet betalen. Dat je gewoon moet afwachten, wat er gebeurt. Ik wantrouw die verhalen. Volgens mij zijn dat mensen, die nooit zelf in zo'n situatie hebben verkeerd.   
      In ieder geval ben ik niet zo’n held. 
Ik stribbel wel wat tegen, gooi er hier en daar een vloek in het Nederlands tegenaan, maar betaal.

   

Het bureau ligt aan het voormalige Karl Marxplein. Even verderop was het Leninplein. Het beeld van Lenin is van zijn sokkel gehaald. Nu staat er een pompeus standbeeld met een goudkleurige wereldbol. Daarop is maar één land aangebracht: Oezbekistan. Naar verhouding veel te groot. Image
      Als je er goed naar kijkt, zie je dat de omtrek van dit land op een hond lijkt. Gevolg van de bizarre wijze, waarop Stalin ooit de grenzen van zijn immense rijk trok.

Het Karl Marxplein heet nu Amir Temurplein naar de nieuwe held van Oezbekistan. Amir Temur, ook wel Tamerlan de Aardschudder of Timur Lenk dan wel Timur de Kreupele. Dat was een enorme schoft. Hij leefde in de veertiende eeuw en was één van de laatste wereldveroveraars.

HET VERLOREN HART

Ik ga op een terrasje zitten. Recht tegenover het enorme standbeeld, waarbij Amir Temur op een paard zit. Ik sla ’Het verloren hart van Azie’ van Colin Thubron open. En lees over ‘De Aardschudder’.

AFKOOPSOM  

Ik leg het boek weg en bel Boris. Een half uur later is hij er. Hij is absoluut niet verbaasd dat ik op het politiebureau een afkoopsom heb moeten betalen. 
      ’Dat doen ze altijd. De volgende keer, ga ik wel met je mee‘. 
En dan:
      ‘Overigens krijg ik nog geld van je, want ik heb gisteren op het vliegveld moeten betalen om jou snel door de douane te krijgen. Dat heb je toch wel gemerkt?’

Hij heeft gelijk. In het vliegtuig zaten twaalf niet-Oezbeken, die er een paar uur over deden om ter plekke een visum te bemachtigen. Op zeker ogenblik verscheen Boris, die mij als eerste mee naar buiten nam.

      ‘Hoeveel krijg je dan van me?’
      ‘Zevenduizend Som’, zegt hij.

 

 

Voorjaar 1998

Londen-Tasjkent

"Het eten wordt ieder jaar beter’, zegt de man naast mij vergenoegd. ‘Vindt u ook niet?’
      Even wilde ik zeggen: ’dan moet het de vorige keren wel erg slecht zijn geweest’.
Maar dat zou niet beleefd zijn. Dus ik zeg: ’Ik zou het niet weten, want dit is de eerste keer dat ik met Uzbekistan Airways vlieg‘.
      De jongeman naast me is een jaar of 25. Hij is mager, pikzwart haar, een gebruind gezicht en donkere spleetogen. Hij draagt modieuze kleren en reist kennelijk regelmatig met deze maatschappij. Dit moet een geslaagde Oezbeek zijn.

      We zijn op weg van Londen naar Tasjkent, de hoofdstad van Oezbekistan in Centraal Azië .
      Hij heet Jevgeni. 
     ‘Maar dat is toch een Russische naam?’
Hij legt het me allemaal uit. Zijn ouders zijn Oezbeken. Ze gingen in 1966 naar Moskou nadat hun huis bij de aardbeving in Tasjkent instortte. Alles verwoest. Alles kwijt. Ze moesten wel. ‘Ik ben in Moskou geboren. Ze gaven mij een Russische naam, omdat Oezbeken in Moskou gediscrimineerd worden. Ik ben vernoemd naar Jevgeni Onegin, u weet wel uit die roman van Alexander Poesjkin. Heeft Tsjaikovski nog een opera van gemaakt'.

GEORGIA STATE UNIVERSITY

Jevgeni studeert al vier jaar economie aan de Georgia State University in Atlanta USA. ‘Ze noemen me daar Jef ’. Hij is wel eens naar een honkbalwedstrijd van de Braves geweest, maar begrijpt de spelregels niet. Basketbal vindt hij leuker. En ja; het kan heel warm worden in Atlanta.
      Zijn ouders wonen weer in Oezbekistan. Het werd na het uiteenvallen van de Sovjet Unie steeds moeilijker om het hoofd boven water te houden. Zijn vader -een taxi-chauffeur- kreeg steeds minder werk, omdat de Russen elkaar de mooiste klussen toeschoven. En zijn moeder werkte als schoonmaakster in zo’n groot staatshotel. Maar daar was steeds minder werk omdat de toeristen liever naar moderne hotels gingen of een huisje in het centrum van Moskou huurden.

Zij gingen terug naar Tasjkent en Jevgeni, die een uitstekend student was, kreeg een beurs van de Oezbeekse overheid. Hij moet het geld wel terugbetalen en heeft een soort morele verplichting om terug te gaan als hij afgestudeerd is. 
      ‘Maar ik weet niet of ik dat doe. Amerika bevalt me namelijk uitstekend. En ik heb een vriendin. Ze komt uit Puerto Rico. Wat moet zij daar? En als ik in Amerika een baan heb kan ik die lening ook veel sneller terugbetalen. Bovendien: ik spreek geen Oezbeeks. Mijn ouders hebben mij in het Russisch opgevoed. Ze spraken zelden Oezbeeks met elkaar. Durfden ze niet‘.
      Hij tast in zijn tas en haalt een scriptie te voorschijn. Een verhandeling over de huidige stand van de economie in Oezbekistan.
En dan: ’Wilt u dit hoofdstuk eens lezen. En er een mening over geven’. 
      Ik kijk hem aan. ’Dat wil ik wel doen, maar ik ben geen econoom en ik ga voor ’t eerst naar Oezbekistan’. 
      ‘Daar gaat het niet om. Het gaat om ‘t principe’.
Ik lees het hoofdstuk en denk:‘ Waarschijnlijk heeft hij gelijk’.

DOUBLE LANDLOCKED  

De theorie van Jevgeni is de volgende: Oezbekistan is -in zijn termen- een double landlocked country. Je moet altijd door minstens twee andere landen om bij een zeehaven te komen. ( De Kaspische Zee is een groot soort binnenmeer en telt niet mee).
      Dat is slecht voor de exportpositie. Oezbekistan is in potentie een rijk land. Olie en vooral gas is er volop. Maar olie of gas per tankauto door die andere landen naar een zeehaven brengen is verschrikkelijk duur. De aanleg van pijpleidingen evenzo. Bovendien moet je dan toestemming van die andere landen krijgen. Turkmenistan bijvoorbeeld. 
      “Weet u wel wat voor achterlijk land dat is? 
      Als die toestemming geven moet je kapitalen betalen. En dan nog worden vrachtwagenchauffeurs slachtoffer van corruptie. Overheid, politie, iedereen is daar corrupt‘.
      ‘Landbouwproducten hebben we ook. Katoen. Graan. Maar ook daarvoor geldt dat het allemaal zeer duur wordt als het geëxporteerd moet worden. 
      Weet u dat wij prachtige juwelen hebben. Kleding. 
      We zouden zoveel meer kunnen als we maar niet double landlocked waren.’

   

Als we nog zo’n uurtje moeten vliegen zegt hij:
      ‘Weet u dat er nog maar één ander land in de wereld is dat double landlocked is? 
      ‘Nee Jef, dat weet ik niet’.
      ‘Welk land denkt u?’
Dat moet ik kunnen bedenken want ik kijk al mijn leven lang op kaarten en in atlassen. 
      ‘Geef me even‘, zeg ik en ga de continenten langs. 
      Noord, midden en Zuid Amerika. Paraquay? Nee natuurlijk niet. 
      Afrika dan. Centraal Afrikaanse republiek? Rwanda? Oeganda? Nee. Nee. Nee. 
      Azie: Bhutan? Nee. Grenst aan China. Tadjikistan ook. 
      Europa. Tsjechië ? Hongarije? Luxemburg? Nee. Nee. Nee.

      ‘Weet je ‘t zeker Jef?’ 
      ‘Ja’ zegt hij. 'Ik heb het precies nagegaan‘. 
      ‘Nou ik ben benieuwd‘.

Dan komt het antwoord:

            LIECHTENSTEIN.

 

 

 

Schelpen & kokosvezels

(Door Rolf Weijburg)

De Islamitische Republiek der Malediven is het op acht na kleinste onafhankelijke land ter wereld en het kleinste land van Azië.
      Het is een geografisch nogal versnipperd land.

 


Atollen

De republiek, ten zuidwesten van India en Sri Lanka, strekt zich uit over noord-zuid bijna 1000 kilometer Indische Oceaan en telt zo’n 1200 kleine atol eilanden verspreid over 26 atollen.
      Het grootste eiland is Gan in Laamu of Hadhdhunmathee Atoll dat acht km2 meet, het gros van de andere eilanden meet echter niet meer dan een paar hectare terwijl ze gemiddeld anderhalve meter boven de golven uitsteken.
      Veeg al die eilandjes bij elkaar en je hebt een landoppervlakte zo groot als één honderddertiende van Nederland, zeg maar de helft van Texel.


Sultan

Tot de twaalfde eeuw waren de Malediven nog Boeddhistisch. De eilanden werden echter steeds vaker bezocht door Arabische zeelui en handelaren die de handelsroutes tussen Arabië en India waren gaan beheersen.
      De laatste Boeddhistische koning van de Malediven, Dhovemi, bekeerde zich daardoor in 1153 tot de Islam. Hij nam de islamitische titel Sultan aan - Sultan Muhammad al-Adli - en de eilanden zouden tot in de twintigste eeuw een Sultanaat blijven.

Cowries     

De Malediven waren aanvankelijk niet meer dan een strategische tussenstop op de Arabisch-Indiase handelsroutes, maar al gauw werden de eilanden zélf een belangrijke handelsbestemming.
      In veel plekken in Azië en Oost Afrika werd de cowrie-schelp (cowry, kauri, Cipraea moneta) gebruikt als een soort munteenheid en deze fraaie schelpen bleken in de Malediven voor het oprapen te liggen.
      De Maldivische cowrie-handel groeide uit tot de grootste schelphandel ooit.



Kokosvezel

Een ander product dat op de Malediven ruimschoots voorhanden was, was kokosvezel, een sterke, stugge vezel die zich onder de buitenste schil rondom de harde kern van de kokosnoot bevindt.
       De gedroogde vezel werd gebruikt voor borstels en matten, touw en zakken maar was vooral onontbeerlijk voor de tuigage van schepen in die tijd.
       Maldivisch kokosvezel werd verhandeld tot in Oost Afrika, de Perzische Golf en China.

Belangrijke handel dus allemaal waar in de zestiende eeuw ook de Portugezen op af kwamen.


Portugezen

In 1558 vestigden ze een handelspost op de eilanden die ze bestuurden vanuit de Portugese enclave Goa in India. De Christelijke bekeringsdrang die de Portugezen aan de dag legden werd hen na een vijftiental jaar noodlottig: de Malediven kwamen in opstand en verdreven de christenen uit het islamitische eilandenrijk.
     
Hollanders

In de zeventiende eeuw kwamen de Hollanders. Vanuit Ceylon (Sri Lanka) namen ze de Maldivische handel over zonder zich met het intern bestuur van de Malediven te bemoeien, waardoor hen een lot als dat van de Portugezen bespaard bleef.


Fransen

De Fransen kwamen via een hele andere hoek de Malediven binnen. In 1752 hadden schepen van de Ali Raj van de Laccadiven, een eilandengroep ten noorden van de Malediven, een aanval uitgevoerd op de Maldivische hoofdstad Malé. De stad werd bezet en de Sultan werd ontvoerd en afgevoerd naar de Laccadiven.
      Na vier maanden konden de invallers na een bloedige strijd uit de Malediven worden verdreven. De Laccadivianen bleven echter terugkomen en ten einde raad riep de nieuwe Sultan – de ontvoerde sultan was in gevangenschap in de Laccadiven overleden - de hulp in van de Fransen die in Pondichery en andere Franse comptoirs langs de Indiase kust voor anker lagen. Dat hielp.
      Frankrijk stuurde een squadron dat de Laccadivianen dusdanig aanpakte dat ze nooit meer terugkwamen. Als beloning werd de Fransen toegestaan een kleine marinebasis in te richten voor de kust van Mahé eiland, die enige jaren zou blijven bestaan.

Britten

Het bleef onrustig in de regio. De Britten verschenen ten tonele. Ze verdreven de Hollanders en veroverden Ceylon van waaruit ze hun invloedssfeer uitbreidden tot over het strategisch gelegen Maldivische eilandrijk.
      De  eilanden werden nooit, zoals Ceylon bijvoorbeeld, een volwaardige Britse kolonie maar bleven een Brits Protectoraat wat, op papier althans, zoveel betekende dat de eilanden zeggenschap hielden over interne zaken, terwijl de Britten defensie en buitenlandse zaken voor hun rekening namen. In de praktijk echter hielden de Britten ook intern een flinke vinger in de pap en bemoeiden zich onder andere met de Maldivische troonopvolgingen.
      Ondanks de Britse steun aan de sultans kwam er in 1953 een referendum waarin uiteindelijk voor de republiek werd gekozen. Die republiek was geen lang leven beschoren: een dik jaar later werd er, wederom via een referendum, weer overgeschakeld naar het sultanaat.

Na zevenenzeventig jaar Brits Protectoraat, volgde in 1965 de onafhankelijkheid van het Sultanaat der Malediven. Op 26 juli dat jaar signeert premier Ibrahim Nasir de onafhankelijkheidsverklaring en werd de Maldivische vlag gehesen.

Ceremonie


Vlaggen

Het Sultanaat gebruikte in vroeger eeuwen, net als vele andere landen rond de Indische Oceaan die door de Arabische dhows werden aangedaan - zoals Zanzibar, de Komoren en Tadjourah, maar ook Kuwait en Oman bijvoorbeeld -, een geheel rode vlag.


Zwart-Wit

Die vlag kreeg in de Malediven later een band met zwart-witte strepen - de zogenaamde Dhandimathi - aan de mastzijde. In vroeger tijden was het de gewoonte om de witte vlaggenmasten te voorzien van een zwarte naar boven spiralende lijn, waarvan de strook op de vlag een verbeelding is.
      Aan het begin van de twintigste eeuw werd in het midden van de vlag een halve maan toegevoegd waarvan de punten naar de mast wezen en weer wat later kreeg de rode achtergrond een groene rechthoek.


Gekeerde halve maan

Pas in 1949 werd de halve maan gekeerd, zoals wereldwijd eigenlijk gebruikelijk was.

Volkslied

Bij de onafhankelijkheidsceremonie in 1965 werd het nationale volkslied ten gehore gebracht. Dat lied was al in 1948 geschreven door Mohammed Jameel en verhaalde onder andere van de kleuren van de nationale vlag:

 “We begroeten de kleuren van onze vlag, groen, rood en wit,

die de overwinning, de zegen en het succes symboliseren”

Geen woord over het zwart in de vlag. Daarom was bij het hijsen van de vlag op Onafhankelijkheidsdag in 1965 de zwart-witte strook opeens verdwenen om nooit meer op de vlag terug te keren. Vlag én volkslied bleven daarna onveranderd.
      Ook toen de Malediven in 1968 definitief de republiek als staatsvorm omarmden.

 

 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

Een beetje dazen op Spitsbergen

In het voorjaar van 2002 was ik ruim een week op Svalbard, een eilandengroep in de Noordelijke IJszee halverwege de Noordkaap van Noorwegen en de Noordpool. Ik logeerde in een soort jeugdherberg in Longyearbyen, de meest noordelijk gelegen bewoonde nederzetting ter wereld. Hoofdplaats van het grootste Svalbardeiland Spitsbergen. 1500 Inwoners. Op ruim 78 graden Noorderbreedte.
      Het was eind juni. Vrijwel alle dagen scheen de zon fel. Het was voortdurend een paar graden boven nul. Als je uit de wind op een terrasje zat, kon je een T-shirtje aan. Ook ’s nachts, want er was geen enkel verschil tussen dag en nacht.
     
Ik verzeker u dat je daar erg aan moet wennen. Je kunt gordijnen dicht doen, maar dat helpt niet echt veel. Korte onrustige slaapjes. Het lijf raakt behoorlijk onttakeld en de geest kan het ook niet helemaal verwerken. Soms liep ik maar wat te dazen.
      Na een dag of drie begon het een beetje te wennen. Maar het bleven korte hazenslaapjes met wilde dromen. Vaak ging ik midden in de nacht een wandelingetje maken. Door het dorp met zijn fel gekleurde huisjes, langs beekjes die zich vormden door smeltwater uit de bergen, met waanzinnig mooie uitzichten op de witte spitse bergen. Diep ademhalend, want de lucht op Spitsbergen is onwaarschijnlijk fris en zuiver. Soms kwam ik rendieren tegen, soms een andere toerist. IJsberen waren gelukkig nergens te bekennen. 


Orions Belte & Rubicon
     

En ik had een walkman op met muziek uit de films Rubicon en Orions Belte. Die laatste film, een spionageverhaal uit de Koude Oorlog, speelt zich voornamelijk af op Svalbard. De muziek is van de Noren Geir Bøhren en Bent Ǻserud. Het begint en eindigt met Svalbard-theme.
      Iedere nacht draaide ik die muziek. Het zat verankerd tussen mijn oren en meer en meer ging de muziek op in het landschap.

Luister  HIER naar Svalbard-theme uit Orions Belte, De Riem van (sterrenbeeld) Orion.

 

 

Toeristen met geweren

 Als je Longyearbyen, de hoofdstad van Spitsbergen verlaat moet je een geweer bij je hebben.
      Je kunt dan namelijk een ijsbeer tegenkomen. Die moet je doodschieten als ‘ie agressief wordt.
Op de schietbaan even buiten het stadje wordt het je allemaal uitgelegd.
       Er hangen zelfs plaatjes met de plekken waar je het beest ‘t best kan raken.
Dat de theorie en de praktijk hier wel eens lelijk kunnen botsen, lijkt me duidelijk.

 

 

Verhalen

De verhalen op Spitsbergen gaan vaak over ijsberen. Dat lijkt logisch, maar het is ‘t niet.
      Er zijn maar weinig van de 1500 inwoners van Longyearbyen, die een beer in het echt gezien hebben.
Ze komen namelijk vrijwel nooit naar het stadje.

IJsberen op Spitsbergen zitten in het noorden en het oosten. De geschatte aantallen variëren van 3.000 tot 5.000.
      Je moet een tocht per schip maken om ze te zien. Er worden zelfs cruises aangeboden waar je je geld terugkrijgt als je geen beer ziet.

Dit jaar in augustus werd een groepje Britse jongeren nog aangevallen door een ijsbeer.
      Zij kampeerden op veertig kilometer afstand van de hoofdstad. Een jongen van zeventien kwam om het leven, vier andere kinderen werden ernstig gewond.
      De ijsbeer werd doodgeschoten.
Autopsie leerde dat het beest zo agressief was omdat hij tandpijn had. De zenuwen van twee hoektanden lagen bloot.


Standbeelden

Er zijn op Svalbard -waaronder Spitsbergen valt- diverse standbeelden van ijsberen.
     
Er hangen tal van foto’s en in ieder boek over de eilandengroep wordt er ruim aandacht aan besteed.
Logisch dus dat je in de plaatselijke souvenirwinkel veel ijsberen vindt.
    Deze moeder met kind heb ik daar gekocht.
    

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh