De uitvergrote ellende

 

De verhalen over Sudan -Noord en Zuid- werden door relatief veel mensen nogal gewaardeerd. 
       Inderdaad: Het zijn in Nederland -of beter- in Europa onbekende landen met grote problemen waarvoor nauwelijks aandacht is. Zeker als je het vergelijkt met de terechte maar toch ook behoorlijk eenzijdige mediadrukte over bijvoorbeeld Afghanistan.

      Die problemen waren er in 1984 toen ik er was, in 1979 toen Rolf Weijburg daar vertoefde, maar ook nog steeds in 2011 toen Henk Weltevreden onmiddellijk na de onafhankelijkheid van Zuid-Sudan naar dat gebied afreisde.
      En ik verzeker u dat het in 20121 nog steeds niet is afgenomen. Staatsgrepen en verijdelde staatsgrepen, rassentegenstellingen, godsdienstgeschillen, grote armoede, enorme werkloosheid, een uiterst gebrekkige infrastructuur, machtsstrijd op diverse niveaus, corruptie alom. Een lage levensverwachting en hoge sterftecijfers onder jonggeborenen.

Hier volgen nog eens de verhalen in volgorde van plaatsing:

 

1.

Januari 1984

 De Sudanfactor

                 

De Sudanfactor. Het bestaat echt. In januari 1984 willen we ( 6 programmamakers van de VPRO) van Aswan in het zuiden van Egypte naar Khartoum, de hoofdstad van Sudan. Dat is vrij lastig. Er ligt een groot stuwmeer ten zuiden van de Aswandam en als je dat gehad hebt moet je door de Nubische woestijn.
      De eerste etappe kan per boot. Naar Wadi Halfa in het uiterste noorden van Sudan. Het tweede deel naar Khartoum met de trein. Maar er valt hier niets te plannen. Ter plekke moet alles geregeld worden en ben je afhankelijk van mensen, die op allerlei manieren aan je willen verdienen.
      En dan is er die Sudanfactor. Er is veel kapot, alles duurt langer, over alles moet onderhandeld worden en als je denkt dat alles geregeld is, blijkt bijna alles toch weer anders.

 
De Ferry

   

Er ligt een wat gammele boot bij de grote Aswandam. Dat wil zeggen: Een boot met twee bijboten. De hoofdboot vervoert passagiers eerste klas, rechts is de tweede klas en links de derde. Veel verschil is er overigens niet. Hier en daar is een hut, maar daarin zijn spullen opgeslagen. En ook op het dek en in de gangen liggen spullen.
      Zakken en dozen. Teilen, tapijten, doeken, meubilair, kleren, kooien met beesten erin etc.

  


Hangende mensen

Op die zakken en dozen zitten, hangen en liggen mensen. En hoewel dat verboden is, heeft een enkeling een soort brandertje bij zich om eten warm te maken. Officials die dit verbieden zijn er niet, maar er is sociale controle. Andere passagiers maken duidelijk, dat vuurtjes maken hier levensgevaarlijk is. In het verleden is het al meermalen gebeurd, dat er brand uitbrak waarbij tientallen slachtoffers vielen.
      Hoewel het januari is, is het warm. Natuurlijk is nergens een airco. De mensen zijn geïnstalleerd, het water ziet er kalm uit en het uitzicht op de dam is rustgevend. Maar niemand weet wanneer de boot vertrekt. Niemand lijkt zich daar ook over op te winden. Dat is de Sudanfactor. De boot vertrekt als dat zo uitkomt. Vandaag is dat zo’n tien uur na het officiële vertrekuur. Mensen die vaker deze boot nemen vinden dat een zeer acceptabele vertraging. “Hoewel’’, zeggen ze dan,’’ hoewel je nooit weet hoe de tocht verder verloopt’’.
      Als alles normaal gaat moeten we over twee dagen in Wadi Halfa aankomen. Een stad, die verlegd werd toen het Nasser-meer werd aangelegd. Maar natuurlijk gaat het niet normaal. Na een paar uur varen, wordt de boot ergens aangemeerd. Waarom? Niemand weet het. Vragen aan bemanningsleden blijven schouderophalend onbeantwoord. Mensen slapen op zakken en dozen. De nacht gaat voorbij. En pas als het licht wordt, gaan we verder. Mensen kruipen nu over zakken en dozen. Drinken iets en eten wat. Handelaars doen goede zaken, want niet iedereen heeft proviand bij zich. De sfeer is eigenlijk wel goed. Hier en daar klinkt muziek. De oevers aan beide kanten van het meer zijn zichtbaar. Alles is kaal, alles is leeg. Nergens begroeiing. Maar daar in de verte ligt ineens de tempel van Abu Simbel.

Wadi Halfa

En dan is daar eindelijk Wadi Halfa. Het is elf uur in de ochtend. Volgens een schema vertrekt er een trein om vier uur diezelfde middag. Tijd dus om wat zaken te regelen, iets te eten, ergens een douche te nemen en geld te wisselen. Wadi Halfa blijkt niets meer dan een droge vlakte met voornamelijk lemen hutten. Er is een marktje met een paar stalletjes, waar blikjes met voedsel te koop zijn.
      En dan is er de Bank. In Egypte hebben we geleerd dat je voor bepaalde transacties een bewijs moet tonen, dat je officieel geld gewisseld hebt. Op de zwarte markt kreeg je namelijk tienmaal zo veel. In Sudan zou dat ook zo zijn. Maar dan treedt de Sudanfactor weer in werking, want als ik daar naar vraag zegt de bankbediende:” Ga maar even mee’’. Hij gaat naar een andere balie en zegt dat er drie mogelijkheden zijn.

1. Officieel wisselen. ‘’Maar dat zou ik u niet aanraden Sir!’’.

2. Zwart wisselen met een bewijs, dat ik officieel gewisseld heb. Maar voor dat bewijs moet dan extra betaald worden.
3. ‘’Gewoon’’ zwart wisselen. ‘’En dat zou ik doen Sir. Maar omdat u op de bank wisselt, komen er wel wat kosten bij’’.

Het station Wadi Halfa Centraal ligt een paar kilometer buiten het stadje. Slaapwagens zijn uitverkocht net als de eerste klas. En aangezien er maar eenmaal per week een trein gaat, nemen we genoegen met kaartjes tweede klas. Het is dringen om de trein in te komen. Sommige mensen proberen door de ramen naar binnen te klimmen.

Zandstorm

In de coupé is het stoffig. We zitten op elkaar gepakt. Stoelen waaruit de veren spiraalsgewijs omhoogsteken. Hoe moet hier geslapen worden?
      De trein komt ’s avonds laat op gang. We proberen wat te slapen, maar na een aantal uur als het alweer licht wordt, begint het. De Haboob. Een zandstorm. Gebulder buiten de trein. We sukkelen door; buiten is geen meter zicht. Zand komt door alle kieren en gaten. Binnen een minuut of tien ligt er overal zo’n twee millimeter zand. Neus- en oorgaten lopen vol. Gesprekken zijn niet meer mogelijk. Ook fluisteren niet, want dan kolkt het zand naar binnen. Na een uur wordt het minder en na twee uur is de storm uitgeraasd en wordt ’t windstil. Uitzicht op oneindige zandvlaktes en -heuvels. Af en toe een nederzetting met hutjes. Het is zeven uur in de ochtend.

  

En dan mindert de trein ineens vaart en komt tot stilstand. Tot nu toe was het enkelspoor, maar hier vlakbij een dorpje is het dubbelspoor. Een stationnetje zeker, denk je. Er is zelfs een boom.
      Het oponthoud duurt lang. Een uur, twee uur. Mensen uit het dorpje komen langs met drinken en etenswaren. Passagiers stappen uit. Speculaties wat er aan de hand kan zijn. En dan wordt het bekend. Een machinist heeft het verteld. De diesellocomotief is dermate door het zand aangetast dat hij niet verder kan. De Sudanfactor heeft opnieuw toegeslagen.

  

Er moet een nieuwe locomotief komen. Uit Khartoum. Dat zal een uur of zes duren, wordt geschat. De drukte rond de trein wordt groter. Passagiers gaan een partijtje voetballen tegen de jeugd uit het dorp. De prijs van water en spijzen gaat omhoog. En dan zien we in de verte een felle lamp. Daar komt de locomotief. Maar hoe kan die locomotief aangekoppeld worden? Niet dus. De reserve-locomotief moet door naar Wadi Halfa en daar keren. Een reis van zo’n zes uur. En dan terug naar ons dorp. Nog eens zes uur. En dan via het tweede spoor naar het eerste spoor en dan achteruit terug om voor de kapotte locomotief te komen.

Berusting slaat toe. Zeker nog twaalf uur wachten. Mensen leggen buiten slaapzakken op de grond en proberen wat te slapen. Hier en daar worden spelletjes gedaan. Weddenschappen worden afgesloten hoe lang dit allemaal nog gaat duren. Doemdenkers voorspellen dat de Haboob weer zal opsteken. Mensen vertellen elkaar verhalen over andere ellende die ze al meegemaakt hebben. De crisis brengt ook verbroedering. Samen gaan we dit overwinnen. Zoiets.

En dan is daar de locomotief. Het is alweer donker. Zonder noemenswaardige problemen rijden we naar Khartoum, waar we ’s nachts om half drie aankomen. We gaan naar hotel Acropole. Eerst onder de douche om al het zand weg te spoelen. Maar… er komt geen water uit de kraan.
Sudanfactor weet je wel.

 

2.

Winter 1984  

Meneer Omar en de alledaagse corruptie

Hij was hoog op het ministerie van National Guidance & Information in Sudan. Laten we hem Omar noemen. Hij had zich voor deze gelegenheid naar het Acropole Hotel laten brengen, dat gevestigd was aan de Zubeir Pascha street in de hoofdstad Khartoum.
Het was januari 1984 en in het Zuiden van het land was de burgeroorlog tussen het islamitische Noorden en het animistische en christelijke Zuiden weer opgelaaid. 


Telefoontje
  

Aanvankelijk leek het volkomen onmogelijk, tot er een telefoontje kwam van het ministerie. Omar zelf zou langskomen om een praatje te maken.

‘Eigenlijk moet ik u aanraden om daar niet naar toe te gaan’, zei hij breed lachend.
      ’Het is er gevaarlijk. Ons leger stelt orde op zaken tegen een stel militante guerrilla’s. Daar vallen slachtoffers bij. Ja. Inderdaad Ja. 
      Bovendien zal het moeilijk worden om daar te komen, want er gaan in verband met die situatie geen vliegtuigen. U moet over land en dat is gevaarlijk. Er zijn geen wegen, dus u heeft een goede 4W-drive nodig. Er liggen mijnen en er zijn bandieten, die niet zullen schromen om alles van u af te pakken om u naakt achter te laten’.

’U begrijpt dus heren, dat ik u eigenlijk helemaal geen vergunning mag geven. Realiseert u zich dat goed!’

Hij nam ons weer taxerend op en zei toen: 
      ‘Als ik het toch doe, kost u dat geld‘

      ‘Hoeveel dan?’, mister Omar’
      ‘Tja eh… als u mij 500 US$ betaalt, lukt het wel’.

En na onze verbouwereerde blikken:
      ‘Ach heren, ik weet het. U noemt dat in Europa corruptie. 
      Maar dit is Soedan. Hier gelden heel andere regels.

Laat mij u dat eens uitleggen:
      Ik ben de oudste uit een gezin van negen kinderen. Mijn ouders hebben mij in de gelegenheid gesteld om te studeren. Dat is gegaan ten koste van mijn broers en zusters. Ik word geacht mijn hele familie te onderhouden. Maar denkt u dat mijn ambtenarensalaris daar toereikend genoeg voor is?
      Vergeet het heren.Vergeet het. Ik verdien 500 US$ per jaar. 
      PER JAAR!'

Vergunning

 Mr.Omar: 'Als ik naar het Midden-Oosten zou gaan, kan ik natuurlijk veel meer verdienen.
      Maar ik heb ervoor gekozen om mijn land te dienen. 
Daarvoor betaalt u. 
Heren. 
Voor u is 500 US$ niets. Bovendien. Ik geef u een vergunning op schrift. Met uw foto erop.
      Ook een soort kwitantie. 
Kunt u dat bedrag gewoon bij uw baas declareren’.

       

 

 

3.

Anjidi Zuid-Soedan, februari 1984

Een uitgemoord dorp

Verrotting komt ons tegemoet. Een onverdraaglijke stank. De lucht is roetzwart; verschroeide aarde. We parkeren de jeep en lopen voorzichtig het dorpje in. Een vrouw ligt op haar rug, opengereten. Een oude man. Dood. Nog een vrouw. Langzaam dringt het tot ons door. Ze zijn gespeerd. Vrouwen en oude mannen. Geen kinderen. Tukuls en alle andere bouwsels zijn platgebrand. Het vee is verdwenen. De nieuwe waterput totaal vernield. Anjidi, Zuid Sudan 2 februari 1984.
      Mijn begeleider barst in hysterisch snikken uit, schokt en kijkt met afschuw en ongeloof naar het dorp waar ook zijn eigen hutje in rook is opgegaan. Hij is een Nederlandse antropoloog die hier al vijf jaar werkt. De bevolking noemt hem Blanke Speer.
     
De slachting is niet het werk van het Soedanese leger. Dat heeft moderne wapens. Maar wat is er dan gebeurd? Waarom in Godsnaam? Wie zit hier achter? Waar zijn de kinderen gebleven? 
     Bewoners van een nabij gelegen dorp lopen met ons mee. Ze wijzen, roepen, schreeuwen en ontfermen zich over de stoffelijke resten. Ze gaan de verbrande huizen binnen en komen daar volkomen ontdaan weer uit. Zijn er helemaal geen overlevenden? Een vrouw komt naar ons toe. Ze heeft iets gehoord. Verderop, achter een bosje kermt een jongetje. Een jaar of tien. Hij is naakt, want dat zijn de Dinka’s in dit gebied bijna altijd. Open wonden. Zijn darmen komen naar buiten. ‘Jony’, stamelt Blanke Speer. ‘Mijn God, dat is Jony’.
      Het jochie staart ons aan met grote angstige ogen. Als we dichter bij komen probeert hij ons af te weren, want jongetjes in Zuid Soedan zijn altijd bang dat hun pikkie gestolen wordt en dat ze daarna zullen veranderen in een meisje. Jony moet naar een ziekenhuis in Bor, het enige stadje in de omgeving; zo’n veertig kilometer verderop. Blanke Speer wikkelt hem in een deken en stapt voorzichtig de auto in.
      Er liggen zeker honderd lijken.
     
‘De Moerelays’, wordt geroepen. ‘Het zijn de Moerelays’. Blanke Speer beaamt het. Die Moerelays zijn een klein volk, dat met uitsterven bedreigd wordt. Zo’n tienduizend mensen. Door een hardnekkige virusinfectie zijn vrijwel alle mannen onvruchtbaar geworden. Al een paar jaar lang roven ze kinderen. En gisteren hebben ze in Anjidi hun slag geslagen omdat vrijwel alle mannen naar het Marxistische Ethiopië zijn vertrokken om door Russen en Cubanen te worden getraind. Geen speren meer, maar geweren, mitrailleurs, bommen en granaten. De burgeroorlog in Soedan tussen de zwarte christenen en animisten in het zuiden en de moslims in het noorden is opnieuw opgelaaid. En Ethiopië heeft zich tegen het regiem van president Numeiry in de hoofdstad Khartoum gekeerd.
     
Een Dinka zet zich achter het stuur van de jeep en trekt de auto in zijn lage gearing rustig op. Jony kermt. Het gaat door merg en been. Blanke Speer zucht en kijkt ontredderd. Bloed op zijn benen. Hij probeert het met een zakdoekje op te nemen.
      Van een weg is nauwelijks sprake. Een spoor van rood uitgeslagen klei door de Savannen. De eerste gieren verzamelen zich in de lucht. Coyotes, wilde honden, een enkele leeuw. Zebra’s, giraffen, gnoes, schreeuwende bavianen, maraboes, struisvogels met jong. Jony is stil. Hij is buiten bewustzijn.

                                                        
Twee jaar eerder: YOU NEARLY AFRICAN MAN

Anjidi twee jaar eerder. Er was geen oorlog. De mannen leefden nog met hun vee in en rond het dorp of ze trokken met hun kuddes de Nijl over als het regenseizoen begon. Naar de Sudd, het meest verschrikkelijke moeras in de wereld. Met slangen, schorpioenen, krokodillen en nijlpaarden. Muggen. Miljarden muggen.
      ‘Als je zonder voorbereiding de Sudd ingaat, zie je er binnen een uur uit als een Michelin-mannetje’, zegt Blanke Speer. We gaan mee met de mannen en moeten ons uitkleden. Dan worden we ingesmeerd met as van verbrande koeienstront. Asli, die in Khartoum gestudeerd heeft en redelijk Engels spreekt, moet erom lachen. ‘You look so grey and dark. You nearly African man’.

Aan de oevers van de Nijl hebben zich ook uit andere dorpen veedrijvers verzameld. Er heerst opwinding en lichte paniek. De toverdokter uit Bor komt eraan. Hij is niet alleen een groot genezer, maar ook de man die er ieder jaar weer in slaagt om regen te maken. Zijn gezag is onomstreden. Hij zal er voor zorgen, dat de krokodillen het vee met rust zullen laten.
      Alle mannen gaan op de grond zitten op eerbiedige afstand van de toverdokter, die gekleed is in een groengelen doek, in slingers om zijn lijf gedrapeerd. Een grote zwarte hoed op zijn hoofd. Blote voeten. Hij slaat in een traag repeterend ritme op de trom en danst, schreeuwt en zingt.
      Ik heb een bandrecorder en wil het opnemen. Als ik een paar stappen in zijn richting doe, houdt Asli mij tegen. Hij wijst op een krijger, die met de toverdokter is meegekomen. De man heeft in beide handen een speer ‘No way’, zegt Asli. ‘Very dangerous’.
      Blanke Speer is ook onrustig. ‘Je moet hier voortdurend op je hoede blijven. Vooral nu ze zo nerveus zijn. Die medicijnman heeft een enorme status. Daar mag niemand aan tornen. Wij blanken helemaal niet. Het is al bijzonder dat we er bij mogen zijn’.
      Op een teken van de dokter komen een stuk of tien Dinka’s naar voren. Ze nemen een os mee, slaan een paaltje de grond in en binden het beest met een touw vast.
      ‘Het paaltje van de oppergod’, fluistert Blanke Speer. ‘Het paaltje van Bang Deng. Die os moet eerst piesen en poepen. Pas dan wordt dat beest geofferd’.
     
Steeds meer mensen dansen op teken van de medicijnman rond het angstig trappende beest. Men drinkt zelf gebrouwen bier uit grote pullen en wordt vrolijk. Als de os is leeggelopen komen twee oudere krijgers naar voren. Zij zetten hun speren in de keel van het beest en maken langzaam ronddraaiende bewegingen.
      Bloed vloeit over de rode klei. De os zakt door zijn poten, schokt, trilt en blijft liggen. Het doodsritueel heeft ruim acht minuten geduurd. Om volstrekt onduidelijke redenen heb ik de tijd opgenomen. Het beest wordt met zijn kop naar het westen gelegd, omdat zijn dood wordt geassocieerd met de zonsondergang. Alle aanwezigen moeten over het beest stappen. Dan wordt het in een zijstrook van de rivier gegooid, waarna de krokodillen zich er vraatzuchtig op storten.

         

De overtocht kan beginnen. De drijvers nemen plaats in uitgeholde boomstammen. Aan weerszijden van een boot worden vier koeien vastgebonden. Uren lang zal het doorgaan. Tot het jonge vee aan de beurt is, dat nog nooit een overtocht heeft gemaakt. De beesten stribbelen tegen, schoppen met hun poten, geven kopstoten en proberen steeds weg te vluchten. Op een teken van de medicijnman wordt gestopt. Pas de volgende dag als weer een os geofferd is, worden alle dieren naar de overkant gebracht. Blanke Speer en ik gaan terug naar het dorpje.
      Onderweg komen we regelmatig vrouwen tegen met manden, emmers of kannen op hun hoofd. Iedere dag gaan ze water halen uit de Nijl. Een tocht van ruim twee uur heen en drie uur terug, want een ieder neemt zeker zo’n twintig liter mee.’s Ochtends als het een beetje licht wordt vertrekken ze al. En aan de Nijl blijven ze uren praten en roddelen. Over het land, het weer, de omgeving, tradities, kinderen en natuurlijk mannen. Volgens Blanke Speer worden vooral de seksuele prestaties besproken en vergeleken. Ze giegelen vaak daar aan de groene oevers van de Nijl.

                                                                              
Februari 1984:
DIT IS HOPELOOS

De jeep rijdt langzaam door het gortdroge gebied. Jony is weer bij bewustzijn en kermt. Zijn ogen smeken en spreken: ‘Help me!’ Bloed sijpelt uit zijn mond. Blanke Speer probeert het met een doekje weg te vegen. Ik durf nauwelijks naar zijn buikje te kijken. Een angstaanjagend gezicht.
      ‘Hopeloos”, zegt Blanke Speer.
      ‘Dit is hopeloos’.
We komen mensen tegen. Ze zien er ontzet uit. Ontheemd.
      ‘Bor‘, roept een man . ‘Bor. Verschrikkelijk‘.
Stamelend doet hij in de lokale taal zijn relaas. Blanke Speer begrijpt het allemaal. Het Soedanese leger is er en heeft huizen in brand gestoken. Er zijn bommen gevallen. Mensen vermoord.
      ‘Ga er niet heen.
      Ga er vooral niet heen’.

In de verte zien we donkere bijna zwarte flarden rook.
      ‘Het ziekenhuis’, roept Blanke Speer. ‘Staat het ziekenhuis nog overeind?’.
      “Ik weet het niet ‘, zegt de man. Hopelijk wel, want er zijn veel gewonden. Honderden, misschien wel duizenden’.
      Blanke Speer en ik kijken elkaar aan. ‘Arme Jony’. De chauffeur trekt de jeep weer op.

Welk inferno zullen we aantreffen?

                                                                
Twee jaar eerder:
ECHT SCHOON WATER

In Anjidi is een internationaal gezelschap al een tijdje bezig met het slaan van een put. Ze moeten diep de grond in. Zo’n vijftien meter. Maar morgen is het zover. Dan kan voor ’t eerst water uit de grond gehaald worden. ‘Schoon water’, zegt de Duitse voorman. ‘Echt schoon water’. Hij vindt dit een ideale manier van ontwikkelingswerk. Kleinschalig, overzichtelijk, weinig bureaucratie en direct resultaat. ‘En ze zijn van dat Nijlwater verlost want daar krijgen ze alleen maar bilharzia van’. Een ziekte die wordt veroorzaakt door een parasitaire bloedworm en op den duur leidt tot blindheid.
     

 ’s Avonds in een geïmproviseerde bar komen de verhalen van de mannen los. Vrijwel allemaal werken ze al lang in ontwikkelingslanden. In Afrika moet je zijn, want daar zijn de vrouwen over het algemeen zeer gewillig. Voor een stukje chocola gaan ze al plat. ‘Ze doen echt alles’, zegt een Nederlander met een zwaar Frans accent. ‘Tenminste: in het noorden en in het westen. Kameroen, Nigeria, Sierra Leone, Senegal. Man het kan niet op. Hier is het niks. Veel te preuts. En ze worden in de gaten gehouden hè. Die mannen zijn dan wel met hun vee op stap, maar de bejaarden zien alles. Je krijgt zomaar een speer in je flikker als je niet oppast’.
      Maar de volgende dag is er geen aandacht voor de blanke mannen en hun put.
      Het is feest. Groot feest, want Bokdong is dood. Bokdong is de rotspython, die al maandenlang de omgeving terroriseert. Een zeer agressieve reuzenslang van ruim acht meter. Twee forse mannenvuisten dik. Grijzig bruin met donkerbruine vlekken. Felle strepen op zijn kop. Hij roofde kippen, kalfjes en het verhaal gaat dat de slang zelfs een baby gepakt en opgegeten heeft. De gevoelens van de dorpelingen variëren van haat tot een zeker ontzag.
      Bij het vallen van de avond werd hij door de veehoeders opgemerkt. Eén van hen joeg het beest een pijl door z’n kop, toen hij probeerde een kalfje te grijpen. De tamtam werkt snel in dit verre geïsoleerde gebied. Uit alle winstreken komen de Dinka’s om de vangst te vieren. De mannen hebben voor deze gelegenheid een korte broek aangetrokken, de vrouwen zijn feestelijk uitgedost in wijde rokken en met ringen om enkels en polsen. Veel mensen hebben gekookte koeienpis in hun haar gesmeerd. Daar krijgt het een rode glans van. Een enkeling heeft geen speer in de hand, maar een paraplu. Zending en missie hebben ook hier hun werk gedaan.
      Er wordt muziek gemaakt en men gaat dansen. Met twee voeten tegelijk huppen ze in een opzwiepend ritme urenlang in de rondte. De python is triomfantelijk in de grootste boom gedrapeerd. Er komen meer muzikanten, bier wordt aangedragen Een geofferde os wordt in stukken aan een spies geregen en op een groot vuur geroosterd. Het feest gaat door tot de schemer invalt.

                                                            
Februari 1984:
GEKRUISIGD & VERBRAND

We komen steeds meer mensen tegen, die Bor zijn ontvlucht. Ze zijn naakt of zeer schaars gekleed. Sommige mensen zijn gewond. Ze slepen spullen mee. Pakken op hun hoofd. Een enkeling heeft een zelfgemaakt karretje. De mensen zijn druk. Ze wijzen naar de kant waar steeds meer roodzwarte rook omhoog gaat. In de jeep komen steeds meer insecten. Vliegen, muggen, torren en andere beestjes , die daar op lijken. Jony kreunt weer. De insecten weten zijn open wonden te vinden. We proberen die insecten weg te jagen , maar dat lukt niet erg.
         We zijn vlakbij Bor. 
         Dan zien we het.

         Een kruis.
         Een rechtopstaande crucifix waarop een dinka is vastgenageld.

                                                                 
Twee jaar eerder:
DIT IS HET WALHALLA

Zuid-Soedan twee jaar eerder. ‘Dit is het Walhalla voor een antropoloog’, zegt Blanke Speer.
       Ik had dat natuurlijk al eerder gemerkt. Zijn enthousiasme als Asli bijvoorbeeld zomaar het volgende opmerkt: ‘ My mother was born under a mangotree and my father was eaten by a crocodile’. ‘Hoor je dat’, roept hij dan. ‘Hoor je dat. Onwaarschijnlijk toch. Onwaarschijnlijk’.
      Of zijn reacties die wij op een avond meemaken bij een sessie van de dorpsoudste, die recht spreekt en adviezen geeft. Er komt een man bij hem, die twee vrouwen heeft. De eerste vrouw is ziek en de man wil weten of zij dood gaat. ‘Je moet’, zegt de dorpsoudste, ‘twee stukken hout op de grond leggen. Als de termieten aan het ene vreten blijft ze leven; als ze het ander kiezen gaat ze dood’. Een man wil weten of zijn tweede vrouw behekst is. ‘Hier heb je gif. Dat moet je aan een kuiken geven. Als het dood gaat, is je vrouw behekst’. 
      Als hij zijn raad gegeven heeft richt de oude man zich tot mij, priemt zijn middelvinger naar me toe en formuleert heel moeizaam: ‘Which tribe are you?’
      ‘Tja. Eh. Holland?’ Is dat een tribe? Ik kijk hem aan en denk: ‘Ik woon op het platteland en kijk uit op twee Shetland pony’s, vijf Texelse schapen, een akker met wintertarwe, een molen in de verte en nog wat verder boven het Hollandsch Diep staan twee hoogspanningsmasten, die het zicht enigszins bederven. Mijn organisatie is een C-omroep, het schooltje in mijn dorp dreigt gesloten te worden, ons drinkwater komt uit de Maas en wordt gezuiverd in de zwaar vervuilde Biesbosch en het is alweer 19 jaar geleden dat de Elfstedentocht verreden werd.
      ‘Skating tribe’, roep ik in een impuls. ‘Fifteen million people’.
In Anjidi is het aanvankelijke enthousiasme over de nieuwe waterput twee jaar later inmiddels geluwd. Er is nu wel fris helder water, maar het leven van de vrouwen die de dagelijkse tocht naar de Nijl niet meer maken, is drastisch veranderd. Ze blijven lange dagen in het dorp, werken op het land en passen op hun kinderen. De oma’s zijn daar ontevreden over, de oude mannen eveneens en de vrouwen, ach de vrouwen hunkeren naar die tijd dat ze ongedwongen konden lachen en roddelen aan de rivier.

                                                                            
Februari 1984:
YOU SURELY CAN

Het kruis is niet alleen opgericht als symbool tegen mogelijke oppositie; het is het brute antwoord op het Christendom dat Europeanen in dit gebied gebracht en verkondigd hebben.
      Als we de rand bereiken via de enige toegangsweg, worden we tegen gehouden door soldaten van het Soedanese leger. Ze hebben de stad omsingeld. We worden naar de commandant gebracht. Mahmoud Lohide staat er op zijn gevechtspak. Ik laat hem mijn foreign press card zien. Ontvangen van het Soedanese ministerie van cultuur en informatie
      ‘We willen de stad in’
Mister Lohide neemt ons minzaam op. ‘Zo! U wilt de stad in.‘Dat kan’.
      We zijn verbijsterd.
      Hij peilt onze reactie en zegt dan nogmaals in bijna Oxford-Engels: ‘You surely can. Only 1 thousand pounds Sir. Sudanese of course‘..
     
Een uur later bereiken we onder militair escorte het ziekenhuis. Het is gebombardeerd en platgebrand. Ook het gemeenschapshuis, de R.K. school en de kerken. Voor de christelijke begraafplaats zijn ook crucifixen opgericht. Nog eens vier mensen zijn gekruisigd .
      ‘De wereld moet dit weten’, denk ik pathetisch. Maar hoe moet ik contact maken. De elektriciteit is uitgevallen. Telefoons werken niet. Een radioverbinding wellicht? Zou er ergens een telex zijn? De soldaten blijven onverschillig en weten het natuurlijk ook niet, want zij zijn voor het eerst van hun leven in opdracht van een fanatiek Moslim-regiem in het zuiden van hun eigen land, waar –zo is hen verteld- een inferieur soort mensen woont.
      Blanke Speer en ik wisselen machteloze blikken. We zijn ontredderd en besluiten maar om de stad te verlaten en terug te keren naar Anjidi.
Jony ligt op de achterbank. Hij kijkt ons nog even aan.
      Zijn ogen breken.

 

4.

Een cadeautje voor uw bloghouder

Het is januari 1984. Ik ben in Zuid-Sudan, dat toen nog geen onafhankelijk land was.
      Het dorp ligt in de buurt van het stadje Bor. Ik word begeleid door Asli, een Dinka die in de Sudanese hoofdstad Khartoum gestudeerd heeft. Hij spreekt Engels. Asli is heel lang en mager, want dat zijn vrijwel alle Dinka’s. In dit gebied zijn het animisten. Ze lopen naakt en zijn ingesmeerd met de as van gedroogde koeienstront om de muggen, die hier bij de Nijl in grote hoeveelheden rondzwermen, af te weren.
      We gaan naar de dorpsoudste -tevens toverdokter-, die niet alleen genezer is, maar ook recht spreekt en adviezen geeft. Hij ontvangt de mensen in zijn toekel.
      In een hoekje zit zijn vrouw met een houten kruis in haar handen. Af en toe komt ze naar voren om een zelfgebrouwen kruidenmengsel aan te brengen. Soms houdt ze het kruis bezwerend voor zich. 
      Na een tijdje gaat zij een pijp roken. Het stinkt.

De vrouw kijkt mij aan en maakt een gebaar. Of ik ook wil. Ze lacht wat en reikt mij de pijp aan.
      Ik neem een trekje en prompt staat mijn keel in brand, Verschrikkelijk.
     
De vrouw blijft lachen en gebaart dat ik de pijp mag houden.  

Het ding is van bewerkt hout. De steel is van koper en de binnenkant van de kop is bekleed met ijzer.
      Er zit geen filter in.
De Dinka’s stoppen er zelfgemaakte tabak in. Gedroogde en fijngestampte bladeren.
      Zij -mannen en vrouwen- roken dat over hun longen.

De Pijp

 

 

 5.

Winter 1984

Een impressie van Gerard Jacobs 


 
In Oorlog met een IKEA-pakketje

 Op zoek naar de bronnen van de Nijl arriveren wij na een slopende tocht door het onmetelijke Soedd moeras, in het dorp Yeï, een gehucht aan een onverharde weg in het grensgebied van Zuid-Sudan met Kenia, Oeganda en Zaïre.
      We hebben dagenlang tussen de Dinka’s verkeerd, een Afrikaans nomadenvolk, dat leeft van melk vermengd met bloed. We zijn uitgeput, vuil, hongerig en dorstig als we ons melden bij het kantoor van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen in Yeï, dat verantwoordelijk is voor de opvang van duizenden vluchtelingen in de regio.

Het hoofd van de UNHCR, een Spaanse aristocraat met een markiezenbaardje, bekijkt ons neerbuigend, haalt de neus op en stuurt ons weg – ondanks de aanbevelingsbrieven van de Nederlandse ambassade in Khartoem.
      Nijdig huren wij – veeleisende verslaggevers die al maanden onderweg zijn van Alexandrië naar het hart van Afrika- een kamer in het plaatselijke hotel, tevens bordeel, een verzameling rondavels met rieten dak. Eten is er niet, wel lauw bier, vertelt de uitbater, en de douche wordt door de dames gebruikt als werkruimte.
      Als de avond valt en de douche nog steeds bezet is, rijdt een 4-wheeldrive het terrein op. De UNHCR-vertegenwoordiger nodigt ons, op last van zijn vrouw, zo bekent hij chagrijnig, uit voor de avondmaaltijd.

       ‘Een karig maal,’ waarschuwt zij, een beeldschone Filippijnse, glimlachend. ‘Rijst met vis.’ Het is een arm dorp'.
Zij kookt bij kaarslicht, buiten op het erf, op een primus en inspireert mijn collega tot het schrijven van gedichten bij sterrenlicht.

We halen samen water in de rivier. Ze had, vertelt ze zuchtend als we met koud water in een plastic teiltje de afwas doen, meer van het leven verwacht toen hij, deze edelman uit Aragon, haar ten huwelijk vroeg op de Filippijnen.
      Een kasteel, suggereren wij. Niet deze hut van aangestampt leem. Wij kijken hem bestraffend aan. Hij drinkt mokkend whisky. Er is geen ijs.
Ze heeft een verzoek. Met de diplomatieke koerier is onlangs gearriveerd – per vliegtuig in de hoofdstad Khartoem, toen per boot over de Nijl naar Juba, en verder landinwaarts met de camion naar Yeï -, een slaapkamerklerenkast. De bruine IKEA-dozen liggen op het erf, halfgeopend.

      ‘Mijn man kan geen wijs uit de gebruiksaanwijzigingen,’ bekent ze.
Of wij, in ruil voor het met liefde bereide maar karige maal, de kast in elkaar willen zetten?

Wij doen galant ons best. Maar helaas, zo blijkt ook na lang zoeken met een kaars op het erf, er ontbreekt een plastic zakje met schroeven en bouten.
      ‘Geen probleem,’ verzekeren wij de Spaanse edelman bij het afscheid. ‘Volgens de instructie, kunt u de ontbrekende onderdelen ophalen bij de dichtstbijzijnde IKEA-vestiging.
      Waarschijnlijk in Genève.’


Dagboekje

Ik heb er mijn dagboekjes uit die roerige tijd even bijgehaald. Daar staan die ''gedichten bij sterrenlicht'' niet in.
      Maar wel wat beschouwingen over de situatie daar en hoe dat vorm gegeven moet worden in reportages.
Een klein stukje. En dan volgt de ''vertaling''.

 
 

Hier staat:

Wat hebben we tot nu toe?
Hoe moet dat in elkaar worden gestoken?
Verwarring lijkt groot. Bij mij. Bij Gerard.
Hoe combineer je kikkers in de plee met een
dreigende burgeroorlog, vluchtelingen, en zoiets 
als armoedebestrijding en ontwikkelingssamenwer-
king.

De chaos compleet! Zoiets.

Zaterdag 4 februari

 

6.

Juli 2011

Leiders, slagers, kinderen, vroedvrouwen

 Zuid-Sudan werd in juli 2011 het jongste onafhankelijke land in de wereld. Mijn vriend Henk Weltevreden is een wereldreiziger en gjng er onmiddellijk naar toe. 
      
Niet naar de hoofdstad Juba,  maar de provincie Bahr el Gazal; zo’n 1.000 kilometer naar het westen van de hoofdstad. 
Hij ging daar niet naar toe om te berichten over de politieke situatie of zo, maar wilde met mensen praten en foto's maken.

      Een impressie:


Majakbai Community Leader


 

Majakbal jongen 

 

 

 Suoth Sudan; nog ff wenne....

 

 

Wau; een stadje

Wau is een klein stadje in het uiterste zuidwesten van het nieuwste land in deze wereld: Zuid Sudan.
     Er is een vliegveldje, waar ze nog een beetje aan het Engels moeten wennen.
Wau Airport: NB: 07’.42.54’’ OL: 27’59.17’’


Bahr el Ghazal

Bahr el Gazal betekent letterlijk Rivier van de Gazelle.
     
Men eet hier natuurlijk veel gazellevlees.

De slager hieronder.



Vroedvrouwen

 

Raga girl



Deinjalab Man

 

Nummerplaat SS

 

 
Het land werd op 9 juli onafhankelijk. De nummerplaten zijn ook aangepast.
       Gewoon SS voor Zuid Sudan. 
Met de tweede wereldoorlog willen ze hier niet zoveel te maken hebben.
      Ze hebben hun eigen burgeroorlog gehad. Die heeft zo’n 50 jaar geduurd.


Obstakels op de weg

Ik kreeg een reactie op dit bericht van Rolf Weijburg (Te gast 36).
     
Hij was twee jaar daarvoor in Zuid Sudan. Toen al reden de auto’s rond met het kenteken SS.
Verder was het nogal apart om daar over onverharde wegen te rijden.

 

 
Hij schrijft:

Ze waren in SS flink bezig met het aanleggen van (onverharde) wegen. Die werden zoveel mogelijk in rechte lijnen aangelegd.
      Regelmatig echter stond er een huis midden op de weg.
Een huis?
      In de Afrikaanse hitte leek het eerst een fata morgana, maar dichterbij gekomen bleek het telkens echt waar: een huis!
Je moest dan afremmen, links of rechts om het huis heen hobbelen en daarna kon je weer full speed over de kaarsrechte weg verder.

 

 

Why

      "Why are they building their houses in the middle of the road?, " vroeg ik aan de chauffeur.

      "No, Sir, it's not like that. It's the other way round", was het antwoord.

 

 

Verrassing

Want soms kwamen de wegenbouwers dorpen tegen die precies op de route van de aan te leggen weg lagen.
      Misschien stonden ze wel op geen enkele kaart en was het telkens een complete verrassing, maar liever dan een bocht om het dorp heen te maken werd de dorpelingen gesommeerd hun huizen af te breken en elders weer op te bouwen.
      Ze werden daar wel voor gecompenseerd, maar sommigen vonden die compensatie te laag, of wilden gewoon niet verkassen.
In die gevallen stopten de wegenbouwers hun werk vlak vóór het huis om er vlak achter weer gewoon verder te gaan met het aanleggen van de kaarsrechte weg.

 

7.

Van Wadi Halfa naar Aswan

Ik begon deze serie over Sudan met een stukje over een reis in 1984 van Aswan in het zuiden van Egypte naar Khartoum, de hoofdstad van Sudan. Een tocht met veel ongemak, onverwachte wendingen, bizarre taferelen en corruptie alom. Titel: De Sudanfactor.
Rolf Weijburg , die u kent van zijn serie over de kleinste landen in de wereld, maakte in janauri 1979 deze reis in omgekeerde richting. Hij stuurde mij dit ‘contra’-verhaal onder de titel: De Egyptefactor.


De Egyptefactor

(Door Rolf Weijburg)

In het sjieke Oberoi Hotel op Elephantine Island, net stroomafwaarts van de Grote Aswan Dam in de Nijl in Egypte, was alles rustig. Het hotel zat voor een groot deel vol. Veel Amerikanen en Britten, maar ook Canadezen, Duitsers, Fransen en Italianen. Toeristen en een enkele zakenman. De meeste gasten lagen al op bed in de comfortabele kamers. Hier en daar brandde nog licht en in de stemmig verlichte bar zat nog een enkeling te genieten van een peperduur drankje. Het was bijna middernacht.

      Telefoontjes verstoorden plotseling de rust, geroezemoes weerklonk, gedonder in de glazen. Mannen in donkere pakken kwamen de lobby ingerend. Egyptian Secret Police. De bar moest worden gesloten. Hotelpersoneel, maar ook politieagenten renden door de gangen. Op alle kamerdeuren werd hardhandig geklopt. Het hotel moest worden ontruimd. Nu. Onmiddellijk. Orders van hogerhand. De hotelgasten en het meeste personeel werden in bootjes gepropt en naar Aswan op de oostelijke Nijloever gebracht. Daar waren in allerijl in andere hotels kamers geregeld voor de nacht. Dat wel, maar toch.

       Diezelfde nacht sneed een merkwaardig drijvend object door het strakke nachtelijke water van het Nassermeer. Het waren een drietal aan elkaar gebonden schepen, ieder met één verdieping. Het middelste schip was de motor en ploegde door middel van een groot rad aan de achterkant het hele handeltje noordwaarts richting Aswan. Dit was de Lake Nasser Ferry die twee dagen geleden uit het Soedanese Wadi Halfa, vijfhonderd kilometer naar het zuiden, was vertrokken. Het miezerige plaatsje is het eindstation van de lange spoorlijn die vanuit Khartoem dwars door de Nubische woestijn loopt en de vertrekhaven van de ferry die een paar keer per maand over het Nassermeer naar Aswan vaart. Aankomen en zo snel mogelijk weer vertrekken dat is wat bijna iedereen in Wadi Halfa deed.

               

Aan boord was het een stuk minder rustig dan in het Oberoi Hotel. De dekken lagen overvol met mensen, bagage, geiten, kippen en kamelen, heel veel kamelen. Soedanese kamelen die op de grootste kamelenmarkt in Egypte, de Daraw-markt, iets ten noorden van Aswan, verhandeld zouden worden om waarschijnlijk in de slachthuizen van Cairo te eindigen. De ferry had ook een paar auto’s aan boord waaronder een kleine vrachtwagen. Tussen alles en iedereen in lag het dek bezaaid met butagasflessen waarvan onduidelijk was of ze vol of leeg waren. Iedereen rookte gewoon door dus ik hoopte maar dat ze leeg waren. Ondanks dat er luid gepraat werd en flink gerocheld, waren her en der passagiers, soms in de meest onmogelijke posities, vredig in slaap gevallen.

      Twee dagen dobberden we zo al voort over dit merkwaardige meer dat is ontstaan door de bouw van de gigantische Aswan Dam. Een enorm smaragdblauw meer met oevers als maanlandschappen zonder ook maar het minste stukje groen.
Tomorrow Egypt! Tomorrow Aswan!” De stuurman die boven het grote schoepenrad op de brug zat was er absoluut zeker van. Morgen zouden we er zijn. Maar voor de zekerheid voegde hij er, terwijl hij zijn ogen ten hemel sloeg “Inch Allah” aan toe. Als God het wil.

      God leek het werkelijk te willen: de volgende dag zagen we het meer zich vernauwen. De oevers kregen weer detail en aan de horizon recht voor ons verscheen in de middag de vage rechte lijn van de Aswan Dam. Rechts op de oever vlekjes, vierkantjes, kubussen, huizen. Bomen. Een haven tekende zich af. Steigers, vrachtauto’s, ezelkarren en mensen met steekwagentjes. Drukte. Lawaai. Getoeter. Dit was Sad-el-Ali, eindpunt van de tocht. Op de ferry stond iedereen al te dringen. De tassen waren dichtgeritst. Kleedjes opgerold. De kamelen werden van hun kniehalsters ontdaan en de geiten losgemaakt van de relingen.

      Een touw werd uitgegooid. Iemand ving het op, trok, hield de lijn strak, maar maakte het touw niet vast. Hij schrok van een politie-auto die met piepende banden langs de kade aan kwam rijden en waarvan de deuren openzwaaiden nog voordat de wagen goed en wel stil stond. Vier geüniformeerde mannen stapten uit en begonnen te schreeuwen naar de kapitein en zijn kornuiten. Er werd heftig gediscussieerd. Andere geüniformeerden arriveerden. Twee bootofficials sprongen van boord om druk gebarend de uniformen te woord te staan.

      Het leek een opstootje. Niemand wist wat er aan de hand was.

Maar net zo snel als ze verschenen vertrokken ze weer, de uniformen in hun auto. De auto reed het haventerrein af. De bootjongens klommen weer aan boord. De man liet het touw in het water vallen zodat het kon worden teruggetrokken, de al wegvarende ferry op.
Niemand mocht van boord. Niemand mocht Egypte in. God had het toch niet gewild. We voeren terug het meer op.

      Er was consternatie alom aan boord. Waarom legden we niet aan? Waarom mochten we niet van boord? Wat was er aan de hand?

De kapitein spreidde zijn armen, haalde de schouders op en zei:“We stay on the lake tonight. Die mensen in de haven, dat was de Egyptian Secret Police. Onze president Anwar Sadat heeft een aantal hooggeplaatste gasten op bezoek en gaat met hen een tochtje maken over het meer en langs de dam. Daarom hebben ze de hele haven verboden terrein verklaard en de grens gesloten. We mogen niet aanleggen en moeten nog een nacht doorbrengen op het meer. Morgen zullen we aanleggen in Sad-el-Ali. Morgen kunnen we Egypte in, Inch Allah.”

      Mopperend namen de passagiers hun plekken weer in en na enig schikken en schuiven maakte de boosheid plaats voor berusting. De ferry had inmiddels het anker uitgegooid bij wat rotsige eilandjes. Als een stateloos vluchtelingenkamp dobberden we op het water. Soedan verlaten, maar nooit in Egypte aangekomen.
Later in de middag kwam de oorzaak van al dit oponthoud langsvaren. Omringd door een aantal politiebootjes gleed een luxe motorjacht over het water. Mannetjes in glimmende uniformen en in pak stonden aan dek. Ze zwaaiden naar ons. Op de ferry zei iedereen “Sadat! Sadat!” Maar slechts weinigen zwaaiden terug.

      De volgende ochtend was het dan zo ver. De ferry legde aan in de haven en de passagiers stormden de loopplank af. Chaos. Kruiers boden zich aan. Vrachtwagens verdrongen zich om zo dicht mogelijk bij de boot te komen. Kamelen. Mannen hadden fantastische hotels in de aanbieding. Of taxi’s. Of de beste koersen voor het Egyptische pond. Havenpersoneel stuurde iedere passagier die de loopplank afkwam naar een barak waar tientallen mensen al met hun paspoorten stonden te zwaaien. De douaniers stempelden er flink op los en het lukte me vrij snel ook mijn paspoort onder de ritmisch doorstempelende douanehand te schuiven. Ik betwijfel of de man ook maar iets van mijn visum heeft kunnen lezen, maar ik was nu officieel gearriveerd en kon het haventerrein verlaten.

      Ik was in Egypte. Vanaf het station van Sad-el-Ali nam ik een boemeltje naar Aswan Centraal. Daar ging ik in het vroege ochtendzonnetje op een terras zitten voor een uitgebreid ontbijt.

      Er zat een Canadees echtpaar naast me en we raakten in gesprek. “Nee, dat waren niet zomaar hooggeplaatste mensen op dat motorjacht. Dat was Sadat, samen met de Shah van Perzië en de Amerikaanse ex-president Gerald Ford! Er is revolutie in Iran en de Shah is eergisteren zijn land ontvlucht. Hij is op het vliegtuig gestapt en naar Aswan gevlogen, naar zijn goede vriend Anwar Sadat. Ford, die toevallig in Caïro was, werd gevraagd om voor overleg ook naar Aswan te komen. Er werd een impromptu meeting georganiseerd in het Oberoi Hotel en uit veiligheidsoverwegingen werd besloten om het complete hotel te ontruimen. Rond middernacht werden we van ons bed gelicht en moesten we verhuizen naar een kamertje hier in de stad. Daar hebben we twee nachten geslapen en vanmiddag pas mogen we weer terug naar het Oberoi. Isn’t it un-be-lie-vable?”