Reizen (476)

 

Een zekere saaiheid

(Door Rolf Weijburg)

De ruitenwissers duwden de natte sneeuw naar de randen van de voorruit.
      We reden over de Oostenrijkse A14 door het Rijndal zuidwaarts en namen vlak voor de Feldkircher tunnel de afslag naar Feldkirch. Het stadje door en daar lag al gauw de grensovergang met het Prinsdom Liechtenstein, het op vijf na kleinste land ter wereld.
      Zollamt Schaanwald, Schweizerisches Zollamt  im Fürstentum Liechtenstein stond er in grote letters tussen de Zwitserse en de Liechtensteinse vlaggen op de overkapping. We hielden de paspoorten en autopapieren paraat, de Zwitserse douanier wierp er een vluchtige blik op, tuurde even door de zijruiten en zwaaide ons verveeld het Prinsdom in.

Achteraf vroeg ik me af of ik niet onverzekerd het land was binnengereden. Op de Groene Kaart, de verzekeringspolis van de auto, stond Liechtenstein (FL) niet vermeld.

Kunnen we hier niet nóg een recordje uitpeuteren?

Liechtenstein is het grootste Europese land dat niet op de Europese Groene Kaart staat vermeld. (Vaticaanstad, Monaco en San Marino, die veel kleiner zijn, zijn de enige andere landen die er niet op staan)

Maar goed, we reden het Prinsdom in en bleven een dag of vier.

Ik ben een aantal keer in Liechtenstein geweest, maar nooit gebeurde er iets. Elk bezoek aan Liechtenstein kon worden gekenschetst als uneventful,  gehuld in beschaafde rust en een zekere saaiheid, en het zag er niet naar uit dat het deze keer veel anders zou worden. Een klein probleem met de auto uitgezonderd, maar daar bleef het bij.

We bezochten alle elf gemeentes van het land, veelal  keurige dorpen met een beetje Duits aandoende comfortabele witte huizen en villas zoals je die ook in een buitenwijk in de Achterhoek ziet. Genoeg degelijke auto’s voor de deuren.
      We reden langs de Rijn, de grensrivier, die er met haar kaarsrechte oevers ook al zo keurig bij lag en eigenlijk meer een kanaal leek. Opvallend was de 135 meter lange overdekte houten voetgangers- en fietsbrug uit 1901 die Liechtenstein met de Zwitserse gemeente Sevelen verbindt.

Liechtenstein is in drie gebieden verdeeld, Unterland, Oberland en Bergland.
      In het Unter- en Oberland, de streek die de Rijnvlakte en de heuvels er vlak achter omvat, was het landschap afwisselend industrieel, agrarisch, dorps en urbaan, maar altijd ordelijk.
      Hier en daar een aardig authentiek huis, mooie uitzichten vanuit Triesenberg en in Balzers, in het uiterste zuiden, staat het Gutenburg kasteel er wel heel fotogeniek bij.

Gutenburg


Triesenberg

 

Schaan

Ook Schaan, met 6000 inwoners de grootste stad van Liechtenstein,  is niet bijster interessant. Er is een kerk met een mooie spitse toren, het grootste van de drie Liechtensteinse treinstations ligt in Schaan en natuurlijk is er het Rekenmachinemuseum. De stad is vergroeid met Vaduz (5500 inwoners), de hoofdstad, waar je via de hoofdweg bijna ongemerkt terecht komt.
      De naam Vaduz is afgeleid van het Latijnse vallis dulcis (aangename vallei) maar ik vond het altijd een beetje klinken alsof het ergens ver weg in een Oostblokachtig  Kuifjeboekland lag, spannend en mysterieus. Maar helaas, ook Vaduz is, ondanks de talloze beeldhouwwerken die het stadje moesten verfraaien, weinig spectaculair.


Städtle

De hoofdstraat Städtle, grotendeels voetgangersgebied, loopt langs alle highlights van Vaduz.
      Hier vind je het Postmuseum (Liechtensteinse postzegels worden geroemd om hun schoonheid en fraaie drukwerk), het Kunstmuseum met een groot deel van de vorstelijke kunstschatten maar waar ook regelmatig belangrijke exposities worden getoond van hedendaagse kunstenaars van wereldfaam, het Nationaal Museum waar de geschiedenis van het Prinsdom in de schijnwerpers staat, het Regeringsgebouw  en aan het Peter-Kaiser-Platz plein als hekkensluiter de kathedraal.  
      Ook het toeristenbureau bevindt zich aan de Städtle en op het pleintje er voor staat de Nul-Kilometer-Punt -steen. Deze steen zat verwerkt in de drempel van de hoofdingang van het Ständehaus, het vroegere parlementsgebouw, dat tot 1970 op deze plek stond. Vanwege haar importantie werd  de plek tot middelpunt van het land verklaard waar vanuit alle afstanden in het Prinsdom werden berekend.


Wijngaarden

Er zijn enkele restaurants met knoedels of schnitzel op het menu en een paar cafés waar mannen met hoedjes op achter hun biertje zitten. Er zullen ook vast wel wat nachtclubs zijn waar door een handjevol mensen tot in de kleine uurtjes wordt doorgedanst en gezopen, maar in Liechtenstein val ik altijd vroeg in slaap dus ik ben er niet geweest.
      Eén van de beroemdste gebouwen van het land, het Rotes Haus, een achttiende-eeuws inderdaad rood geverfd huis waar vroeger druiven werden geperst , staat in het noorden van het stadje. Het heeft een fraaie trapgevel en aanpalende toren. Het ligt net achter de Prinselijke wijngaarden en wijnkelders die bijna tot in het centrum doorlopen. 

Liechtenstein is het enige land ter wereld met een hoofdstad die voor een groot deel uit wijngaarden bestaat.

 
Deerniswekkend exces

Dan is er natuurlijk nog het prinselijke Slot Vaduz, mooi gelegen zo tegen de bergwanden boven de stad. Helaas is het kasteel niet te bezichtigen, maar de wetenschap dat we hier in een onafhankelijk Prinsdom zijn en dat je je kunt voorstellen dat de Prins daar boven af en toe een gordijntje opzij schuift en goedkeurend knikkend naar beneden kijkt, is genoeg voor het ware Liechtenstein gevoel. 
      Daar hebben we die lullige toeristentreintjes die in de zomermaanden door het stadje tuffen, één van de deerniswekkendste excessen van het toerisme, niet voor nodig.
Vanaf Triesenberg rijden we over een steile haarspeldbochtenweg de berg op en komen bij een tunnel van net één auto breed. De tunnel voert door de eerste bergketen die noord zuid lopend het hele Unter- en Oberland van het Prinsdom van een fraai Alpendecor voorziet.  Eenmaal de tunnel door belandden we in een andere wereld: het Liechtensteinse Bergland. Hoge besneeuwde bergtoppen prikten tussen de voortrazende wolken door.

Steg

Het kleine gehucht Steg lag er wat verloren bij tussen een meertje in het zuiden en de diepe Saminavallei die, ruig en onbewoond tussen hoge bergwanden naar het noorden weg kronkelde. We vervolgden onze weg omhoog richting Liechtensteins meest oostelijke plaats Malbun op 1600 meter hoogte. Dit is het skigebied van het Prinsdom. Klein maar mooi.

Malbun

We namen de skilift naar Sareis op 2000 meter. Hier ligt Liechtenstein’s hoogste restaurant met fantastische vergezichten over de Malbun vallei en de omliggende bergtoppen waaronder de  2599 meter hoge Grauspitz, Liechtensteins hoogste berg.

      De sauerkraut was er uitstekend, ik kan hem u aanbevelen. Een Liechtensteiner Brauhausbiertje erbij en uw dag kan niet meer stuk.

Sareis

 

 

(Najaar 2009)

Ingesneeuwd in oktober

 
Helling


Kindertjes
 

Veertig centimeter 


Vervelende situaties 


Solidariteit

Spekgladde wegen 


Ruim een uur


Man met hoed

 

Het Casino Monte-Carlo

  (Monaco in 1834)

(Door Rolf Weijburg)

In de eerste helft van de negentiende eeuw ging het bergafwaarts met de Grimaldi’s, het vorstenhuis dat over Monaco, het op één na kleinste land ter wereld, heerste. De talloze financiële problemen waarin de familie verkeerde verergerden drastisch toen in 1848 de gebiedsdelen Roquebrune en Menton weigerden de opgelegde belastingen op olijfolie en fruit te betalen en zich afscheidden.
      Weliswaar wist het vorstenhuis een betaling van een paar miljoen frank te forceren, het verlies van de gestage inkomstenbron uit de twee rebellerende steden was een zware aderlating. Om het kleine Prinsdom voor een totaal faillissement te behoeden moest er iets verzonnen worden.


Florestan & Caroline

 

Het was Prinses Caroline, echtgenote van de toen regerende Prins Florestan die met het idee kwam. Er moest een casino komen, een plek waar roulettetafels de spanning van het gokken, de belofte van rijkdom uitstraalden. Omdat gokken in die tijd in vele delen van Europa en ook in het omringende Frankrijk verboden was, zou het casino een grote aantrekkingskracht op de welgestelde Europese elite kunnen hebben. Het klimaat, de natuurlijke schoonheid en de stranden zouden de rest doen.
      In Frankrijk vond de familie de nodige investeerders en in 1856 werd het eerste tijdelijke casino geopend in Villa Bellevue een weinig indrukwekkend gebouw in La Condamine, de kuststrook net ten noorden van de Rots van het Prinsdom.

      Het woord casino is overigens afkomstig uit het Italiaans en betekende oorspronkelijk hutje of huisje.

Het kreeg de huidige betekenis als gokhuis eind 18e eeuw, toen gokken overal verboden werd en men zich stiekem terugtrok in schuurtjes in de achtertuin of kleine onderkomens op het platteland om te gaan gokken. Dat waren meestal mannen en die hielden zich verder niet zo bezig met het opruimen en schoonhouden van die huisjes. Vandaar wellicht dat in het Italiaans het woord naast gokhuis ook iets als puinhoop of rommeltje betekent. “Che casino!” , “Wat een rotzooi!”


La Condamine

(La Condamine, 1850)

Gebrek aan publiciteit was er één, maar de grootste reden van het falen van deze eerste onderneming was het feit dat Monaco in die tijd een onbetekenend backwater was, een onbekend en armoedig dorp op een rots aan de Mediterrane kust dat door een gebrek aan goede wegen heel slecht bereikbaar was. Áls je er dan eenmaal was, was er nauwelijks adequate accommodatie.
      Er werden nieuwe plannen gesmeed en nieuwe investeerders aangetrokken. Luxe hotels, restaurants en een spa moesten er komen, goede wegen vanuit Nice in Frankrijk en Ventimiglia in Italië moesten worden aangelegd. En een haven.
      In 1858 werd er begonnen aan de bouw van een nieuw door de Parijse architect Gobineau de la Bretonnerie ontworpen casino. Tegelijkertijd verrees naast het casino ook het beroemde, door dezelfde architect ontworpen Hotel de Paris waar de casinobezoeker in alle rust en comfortabele luxe zijn verliezen kan verwerken.


Casino & Hotel (1900)

 

Ook vandaag nog is het hotel ondanks de hoge prijzen een zeer geliefd oord. Het is uiterst bon ton om met je Rolls of Ferrari pontificaal op het plein voor het hotel en casino te parkeren - als je auto maar duur genoeg is, mag dat en als er geen plek meer is staat er direct een valet parker klaar om je bolide ergens veilig op te bergen - je intrek in het hotel te nemen en ’s avonds, nadat je naar goed gebruik even de rechter voorknie van het beeld van het paard in de hal van het hotel hebt beroerd om de goden geluk af te dwingen, aan te schuiven aan de roulettetafel.


Nieuwe spoorweg

De locatie van het nieuwe casino stond in die tijd bekend als Les Spelugues (De Grotten), maar werd later toen rondom het casino een hele nieuwe wijk ontstond, omgedoopt in Monte-Carlo ter ere van Prins Carlo, zoon van Prins Florentan en groot ondersteuner van het casino-project.

In 1862 werden de gebouwen opgeleverd en kon het casino pas echt goed van start. De weg vanuit Nice was aanzienlijk verbeterd en vooral toen in 1867 de nieuwe spoorweg tussen La Turbie en Monte-Carlo met connecties naar Ventimiglia en Marseille werd geopend stegen de bezoekersaantallen dramatisch.


Fiches

 De Societé des Bains de Mer de Monaco werd in het leven geroepen om de boel te bestieren en het casino werd een succes.Precies als gehoopt kwam de Europese en later de Amerikaanse en nog later de Rich and Famous van de hele wereld naar Monaco. Om te gokken, feest te vieren, te investeren, kortom om geld uit te geven. Monaco werd rijk, het geld stroomde binnen. De Grimaldi’s waren tevreden.
      Het ging zó goed, dat o.a. onroerendgoedbelasting én inkomstenbelasting niet meer hoefden worden geheven (behalve dan voor ingezetenen met een Frans paspoort, daarvoor was speciaal een belastingverdrag met Frankrijk afgesloten) en dat ziekenzorg en onderwijs voor de ingezetenen van het Prinsdom gratis konden worden.


Interieur

Het Casino Monte-Carlo werd de bodemloze put waarin de hele wereldelite hun geld kwam storten. Niet zo heel gek dat direct al in 1870 de Grimaldi’s een nieuwe wet afkondigden: mensen met de Monegaskische nationaliteit werd de toegang tot het casino officieel verboden.
      Het was de bedoeling dat de buitenwereld zijn geld verloor in het casino en niet dat het daardoor verdiende geld indirect weer via de verliezende Monegasken  zou wegvloeien.

      Die wet is nog steeds van kracht, zelfs nu de inkomsten vanuit het casino inmiddels nog maar 4% van het hele binnenlands nationaal product vormen.

  

 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

KliHIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

Meest geïndustrialiseerde land ter wereld

     

(Door Rolf Weijburg)

 Liechtenstein behoort samen met Qatar en Luxemburg per capita tot de drie rijkste landen ter wereld.

Dat Liechtenstein rijk is zal niemand echt verbazen. Ach ja, een belastingparadijs, zult u denken.
      Natuurlijk is Liechtenstein een belastingparadijs. Het kleine land is er groot mee geworden. Met zijn lage belastingtarieven werd het Prinsdom in de jaren tachtig en negentig zelfs “de Rolls Royce” onder de belastingparadijzen genoemd.

      
     
      Vermogende buitenlanders sluisden in die tijd miljoenen aan onbelast kapitaal door naar in het Prinsdom opgerichte stichtingen, waardoor het geld op naam van de stichting kwam te staan en de identiteit van de eigenlijke eigenaar verborgen kon blijven. Op die manier kon geld dat om wat voor reden dan ook privacy behoefde eenvoudig tussen de Alpenweiden worden veiliggesteld. Je kon in Liechtenstein bij wijze van spreken gewoon met een koffer geld een bank binnen lopen zonder dat er iemand vroeg waar dat geld vandaan kwam of er wel belasting over betaald was en op een goed moment telde Liechtenstein meer stichtingen dan inwoners.

Bankmedewerkers waren immers geen belastinginspecteurs.

Dollars

Tegenwoordig echter heeft ook Liechtenstein onder grote druk van vooral Amerika en de EU zijn bankzaken transparanter moeten maken en het staatje heeft zich inmiddels gedistantieerd van het niet te traceren geld waarmee ooit enorme rijkdom is vergaard.
      Vragen vanuit het buitenland omtrent in Liechtenstein geparkeerd buitenlands kapitaal waarvan vermoed wordt dat het om crimineel geld gaat, worden serieus behandeld en de diverse belastingdiensten krijgen in die gevallen alle Liechtensteinse medewerking.
      Anders is het als een buitenlandse belastingdienst vragen heeft omdat het belastingontduiking vermoedt bij in Liechtenstein geparkeerd geld. Dan krijgt het in Liechtenstein nul op het rekest: belastingontduiking in het buitenland is in Liechtenstein geen strafbaar feit.
      Vandaar ook dat er wel zo’n 35000 (evenveel als er Liechtensteiners zijn) zogenaamde brievenbusfirma’s in het prinsdom geregistreerd staan die in eigen land belastingplichtig zouden zijn maar in Liechtenstein profiteren van de veel lagere tarieven. Het lijkt net Nederland.

        

De inkomsten uit al dat gescharrel en geschuif met geld zijn nog immer substantieel, maar het gros van de overheidsinkomsten van Liechtenstein is afkomstig uit de industrie. Sterker nog:

Liechtenstein is per hoofd van de bevolking het meest geïndustrialiseerde land ter wereld.

Er is daar één bedrijf op iedere negen inwoners. 44,9 % van de bevolking werkt in de industrie. Ter vergelijking: 24,8 % van de Zwitsers, 30 % van de Oostenrijkers en 33,5% van de Duitsers is werkzaam in de industrie. Niet gek voor een land zonder grondstoffen.
      Veel bedrijven zijn uiteraard naar Liechtenstein gekomen vanwege de fiscale en administratieve voordelen, niet vanwege de kleine binnenlandse afzetmarkt. De industrie is dan ook hoofdzakelijk gericht op de export.

De netto-export per hoofd van de Liechtensteinse bevolking is de hoogste ter wereld.

Het is allemaal schone industrie, je zult in Liechtenstein geen groezelige fabriekscomplexen met rokende schoorstenen tegenkomen. Vooral kleine en middelgrote high-tech bedrijven produceren in het prinsdom. Maar ook boormachinemaker Forst- Hilti (de grootste werkgever in Liechtenstein met zelfs een eigen treinstation), auto-onderdelenmaker Krupp Presta, juwelen en horlogebedrijf Swarovski en wereldmarktleider in kunsttanden Ivoclar Vivadent .

           
Met zestig miljoen tanden per jaar zorgt dit bedrijf er voor dat

Liechtenstein ‘s werelds grootste producent van kunsttanden is.

Al die bedrijven hebben uiteraard werknemers in dienst. Veel meer zelfs dan het land zelf kan leveren. Per gevolg forenzen dagelijks 13000 Zwitsers (Zwitserse gastarbeiders, dat lijkt bijna een contradictio in terminis), Oostenrijkers en Duitsers het prinsdom in en uit en ontstaan er iedere werkdag flinke files tijdens de spitsuren.

Afgezien van al die werknemers trekken de bedrijven natuurlijk ook aardig wat internationale zakenlui aan. Maar waar elders in de wereld vliegvelden businessclass reizende zakenlui, of privéjets kunnen ontvangen, is

Liechtenstein samen met Vaticaanstad, Andorra en Monaco het enige land ter wereld zonder vliegveld.

 

Heliport

Er is bij Balzers in het zuiden, wel een heliport, maar dat biedt geen reguliere vluchten. De dichtstbijzijnde luchthaven is Kloten bij Zürich en vandaaruit heeft de zakenman op weg naar Liechtenstein vier keuzes: met een gecharterde helikopter in een klein half uurtje naar Balzers heliport, of per huurauto in anderhalf uur naar Vaduz.
      De derde optie, in ruim twee uur met de Zwitserse Postbus, vereist wat meer tijd terwijl keuze vier, afhankelijk van de aansluitingen, ongeveer net zo lang kan duren als met de auto of met de bus: met de trein.

Bahnhof

Neem de RailJet van Zürich naar het Oostenrijkse Innsbruck die weliswaar dwars door Liechtenstein rijdt maar er niet stopt. In Buchs, vlak voor de grens met het prinsdom moet je dus uitstappen en overstappen op het boemeltje van de Oostenrijkse Federale Spoorwegen dat negen keer per dag naar Feldkirch in Oostenrijk rijdt.

Dan gaat het snel: de trein rijdt vanuit Buchs over 9,5 kilometer in tien minuten tijd dwars door Liechtenstein heen en stopt in die tien minuten ook nog eens op drie stations (Schaan-Vaduz, Forst-Hilti, Nendeln , - het laatste station Schaanwald, is onlangs gesloten -).

Niet slecht.

Na Monaco, Laos en Lesotho heeft Liechtenstein de kortste passagierstreinlijn ter wereld.

 

 

Prinsenkroontjes van chocolade

 Wat voor souvenir neem je mee als je uit Liechtenstein komt?
     
Tja.
Hooguit een bundeltje vers witgewassen geld, dat je van je geheime bankrekening hebt geplukt.
      Liechtenstein (FL), een klein vorstendom dat tussen Oostenrijk en Zwitserland ligt, is het rijkste land ter wereld.
Een eigen industrie is er nauwelijks.

 

 

Hazelnotencrème

Maar… men laat in Zwitserland bonbons maken volgens een Liechtensteiner recept.
      Melkchocolade met een vulling van hazelnotencrème. Er zit geen alcohol in.
De bonbons heten Liechtensteiner Fürstenhütchen en zijn gemaakt in de vorm van de Prinsenkroon.

 

 

Droog bewaren

In de doos boven zitten 28 hütchen. Ik betaalde er in 2009 32 Zwitserse francs voor.
      Als je ze droog bewaart bij een temperatuur van 16 tot 18 graden, blijven ze vrij lang goed.

 

 

Troppau & Jägerndorf

De naam is ontleend aan de kroon van Prins Karl I, die vanaf 1614 heerste over de hertogdommen Troppau en Jägerndorf.
      Geschonken door keizer Ferdinand II, nadat Karl hem had gesteund tijdens de Boheemse Opstand.
Karl liet daarna een kroon ontwerpen door juwelier Daniel de Bres in Frankfurt am Main.
      De kroon waarin diamanten, parels en robijnen waren verwerkt, ging echter verloren.
Een namaakexemplaar bevindt zich in het Nationaal Museum in de hoofdstad Vaduz.

 

 

Die Heimat

Het paleis van de Vorst ligt hoog in de bergen. De weg ernaar toe is niet toegankelijk voor gewone mensen.
      Even verderop is de Triesenberg met het plaatsje Malbun.
Daar ben ik eens in oktober ingesneeuwd..
      In het hotel kreeg je na het diner zo’n bonbonnetje bij een kop koffie.
Met een boekje vol wetenswaardigheden over ‘Die Heimat des Liechtensteiner Fürstenhütchens’.

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh