Poëzie (267)

 
Van Gerrit Kouwenaar

Ontmoeting

Soms is men zo oud dat men zijn bezit
niet meer bezit

verhuizers komen met vervoersmiddelen
nemen de stoel de tafel de tuinpaden
het kinderportret het album met namen
de vogel en de kat

men koopt nog één keer persoonlijk tabak, deelt
vergeefs mede wat men denkt
van het kabinet en de eeuwig dreigende oorlog, alleen

het gratis glas van het huis smaakt  nog
naar meer, het regent, men beeft, er zijn stemmen
en op het privaat
ontmoet men verbaasd wie men was-


 


Van Louis Paul Boon

zo zal ik dan worden

zo zal ik dan worden
stilaan een zich oudvoelend man
een bloem een gedicht op de lippen
en verder wat knutselend nog
aan luchtvervuiling en zo

zo zal ik dan worden
een propere oude man
als ons hondje dat niets mocht
in huis doen en zo doof
was geworden als een pot en zo

zo zal ik dan worden
met wat schorre stem verhalen
aan mijn kleinzoon over vroeger
de revolutie die we toen wilden
de sovjetrepubliek Vlaanderen en zo

zo zal ik dan worden
en vragen naar mijn bril
en zoeken naar mijn stok
om op te steunen en zo

 

 

Grenadierstrasse Berlijn

-Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.
     
Eén van de bekendste dichtregels uit de Nederlandse poëzie. Slot van het gedicht Pogrom van Ed. Hoornik. Geschreven op 12 november 1938 te Amsterdam, nadat in Duitsland in de nacht van 9 op 10 november de Reichskristallnacht had plaatsgevonden.
      Lees eerst het gedicht en dan zal ik uitleggen waar de Grenadierstraat was, wat er mee aan de hand was en waarom die straat niet meer bestaat.

Van Ed Hoornik

Pogrom

Is dat de maan, die naar het laatste kwartier gaat,
of een gelaat, omspeeld door walm en vlam?
Waar is Berlijn en waar de Grenadierstraat?
-Wat deed de jongen, toen de bende kwam?

Is dat zijn schim, die daar voor de rivier staat,
is dit het water, dat hem tot zich nam,
is hier de Spree, en daar de Grenadierstraat?
-Het is de Amstel, het is Amsterdam.

Op ’t Rembrandtplein gaan de lantarens branden.
Over de daken sproeit een lichtfontein.
-Ik druk mijn nagels dieper in mijn handen.

De Jodenbreestraat is een diep ravijn.
Een korte schreeuw weerkaatst tussen de wanden.
-Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.  

  

De Grenadierstrasse werd zo genoemd, omdat er sinds de zeventiende eeuw soldaten waren gelegerd. Net als in de parallel lopende Dragoonerstrasse.
      In de eerste helft van de twintigste eeuw kwamen veel voortvluchtige Oost-Europeanen (vooral Polen) naar Berlijn. Zij vestigden zich in en rond deze straten, waardoor het een wijk in Oost-Berlijn werd met veel joodse winkels en synagoges. Er ontstond een religieus en cultureel centrum.
      Al begin 1938 werd een groot aantal Polen uit die wijk verbannen en terug naar de grens gestuurd. Daar werden ze geweigerd, waardoor ze in feite statenloos werden.
      In de Kristallnacht werden in Duitsland zo’n 1500 tot 2000 synagoges in brand gestoken. Woonhuizen van Joden, winkels, scholen en warenhuizen werden vernield, begraafplaatsen verruïneerd. In die bewuste nacht werden 400 Joden vermoord of tot zelfmoord gedreven.
      Na de oorlog lagen beide straten vanaf 1949 in de DDR. Reden waarom de straten een andere naam kregen. De Grenadierstrasse werd de Almstadtstrasse (naar de communist Bernhard Almstadt) en de Dragoonerstrasse werd de Max Beerstrasse, naar Max Beer de Marxist.

Ed Hoornik (1910-1970) was journalist, dichter en romancier. Hij dook onder in 1942. Zijn werk werd verboden. In augustus 1943 werd hij gearresteerd en overgebracht naar Kamp Vught. In mei 1944 kwam hij in het concentratiekamp Dachau terecht, waar hij op 29 april 1945 door de Amerikanen werd bevrijd.

 

 

Mijn hospita & haar heren

Van half 1966 tot april het jaar daarna woonde ik op een vrij kleine kamer in een heel groot huis vlak achter het Centraal Station van Leiden. De hospita was mevrouw D. een deftige dame van middelbare leeftijd.
      Zij was hospita over drie heren. Ik was met mijn 21 jaar de jongste. Eén van die heren was Johan.
Hij had een kunstbeen en werkte in het Academisch Ziekenhuis op de afdeling Orthopedie. Je kon aan Johan niet zien dat hij een kunstbeen had. Hij bewoog zich soepel voort en kon zijn been ook snel en eenvoudig afdoen. Hij liet dat wel eens zien. Dit kwam hem in het ziekenhuis goed van pas, want hij werd vaak geconfronteerd met mensen, die een amputatie moesten ondergaan.
      ‘’Het sterkt ze als ze zien wat je allemaal met een prothese kan doen’’, zei hij.

Mevrouw D. zei op een bepaald moment tegen mij: ‘’Je mag wel Jenny zeggen hoor’’.
      Ze was er op tegen dat de heren damesbezoek ontvingen.  ‘’Dat geeft geen pas’’.
Wij vonden dat een beetje merkwaardig, maar ala … je kon ook zorgen dat ze er niets van merkte.

Dat veranderde toen ik op een zondagmiddag onverwachts thuis kwam. ‘’Ben jij daar Ron?’’, vroeg zij hevig geschrokken. ''Ik deed even een dutje"
      Ze was schaars gekleed.  Er sloop een man weg uit haar kamer.

      Vanaf die tijd was damesbezoek niet meer taboe. 

Het kwam allemaal naar boven toen ik het volgende vers las van Lennaert Nijgh: Almere. Geschreven in 1977 toen Almere nog helemaal tot ontwikkeling moest komen. Een jaar eerder waren daar namelijk pas de eerste huizen gebouwd.

      Die oude stad in het vers moet Leiden zijn. De mooie Lakenhal daar stamt uit 1640 en bevindt zich aan de Oude Singel, een statige gracht. Die lakenhal is tegenwoordig een uitermate interessant gemeentelijk kunstmuseum.


Van Lennaert Nijgh

Almere

De stad lijkt af en toe
Een beetje op een mooie vrouw,
Die niet zo jong meer is
En met haar charmes doelbewust
De aandacht afleidt van oud zeer.

Niet naar de afbraakbuurt
Vlak achter het Centraal Station,
Maar naar de zeventiende-eeuwse pracht.
Waarmee haar lakenhal zich spiegelt in de gracht:
Een slanke gordel rond haar gotisch silhouet.

En ’s avonds linkt ze met lichtreclames,
Als valse tanden naar ’t publiek;
Een oude vrijster met nepjuwelen,
Gerestaureerde romantiek.
Maar in ’t donker gaapt
Achter de uitgaansbuurt een gat,
Waar ooit een woonwijk stond,
Die zo bouwvallig was, dat die nu plaats maakt voor een bank.

Maar kijk de kinderen,
Maar kijk de kinderen
Scheppen in ’t zand,
Tussen het puin der huizen
En rioleringsbuizen
Een heel nieuw land.

De stad lijkt af en toe
Een beetje op een ziek oud wijf,
Dat eens haar ziel verkocht
In ruil voor welvaart en voor macht
En nu verstild in ’t snelverkeer.
De planologen staan
Als toverdokters om haar heen,
Daar komen technisch tekenaar en de gemeente aan,
Ze slopen wijk na wijk.
De operatie slaagt, de zieke overlijdt.

Ze scheppen dromen op tekentafels,
Het is een sierlijk mooi lijnenspel.
Het is heel kunstig, mooi op maquettes,
Maar wie er wonen moet is niet in tel.
Want nee, zij meten niet
met mensenmaten zoals wij,
Maar met een schuifmaat en
Ze schuiven ons en onze kleine mensenmaat opzij.

Maar kijk de kinderen,
Maar kijk de kinderen
Scheppen in ’t zand,
Tussen betonnen dozen,
Tussen de blokkendozen,
Een heel nieuw land.

Hoe zal Almere zijn…..een heel nieuw land,
Een stad, die uit ‘t niets gemaakt wordt
Op de bodem van de zee?

Ik ben zo benieuwd hoe Almere zal zijn.
Wordt ’t een ontwerpersdroom?
Of zal Almere
De tijd zal het leren,
Almere wordt zoals de kinderen doen;
Een stad uit het niets, uit het niets
Almere wordt een stad in de zee, wordt een stad in de zee,
Almere in het groen.
  
 
Maar had Lennaert Nijgh iets met Leiden? Ik kon het zo snel niet vinden.
      Hij groeide op in Heemstede bij Haarlem. Met die stad voelde hij zich zeer verbonden.
Hij bezocht daar het Coornhert Lyceum samen met Boudewijn de Groot voor wie hij later veel teksten schreef.

      En Almere? Ach Almere is anno 2020 een stad met meer dan 200.000 inwoners. Veel mensen zeggen dat ze daar heel plezierig wonen.
En… het heeft volgens mij de jongste Voorstraat van Nederland. Als eerdaags alles weer een beetje normaal is ga ik ernaar toe. En onderweg luister ik naar Almere gezongen door Jasperina de Jong op muziek van Joop Stokkermans. HIER.


Almere Voorstraat

 
    

 

 

Beledigingen & huiselijk geweld

Het was rustig op de provinciale wegen. Op de radio hoorde ik Willy en Willeke Alberti.
      Zij zongen ‘’Omdat ik zoveel van je hou’’.
Natuurlijk kende ik dat liedje wel, maar nu had ik even tijd om er echt naar te luisteren.
      Wat een vreselijke tekst!
Zelfs als je bedenkt dat dit lied in 1934 is geschreven.
      Verwijten, beledigingen, vernederingen en huiselijk geweld.  
Toe maar!
      Lees eerst het vers.
     

Omdat ik zoveel van je hou

Je bent niet mooi, je bent geen knappe vrouw
Je nagels zijn voortdurend in de rouw
Toch wil ik van geen ander weten
Omdat ik zoveel van je hou

Al ben je ook een beetje vreemd van ras
Toch ben ik danig met jou in m’n sas
‘k Wil van een ander nooit iets weten
Omdat ik zoveel van je hou

Wat verdriet, mooi ben je niet
Vooral wanneer je kijft

Al ben ‘k geen plaat
Schoonheid vergaat
Maar weet de lelijkheid die blijft
Daar moet je maar aan wennen

Al zijn je kleren ook niet van satijn
En doe je niet mee aan de slanke lijn
Toch wil ik van geen ander weten
Omdat ik zoveel van je hou

Al zijn je haren niet gepermanent
En is ‘t gebruik van zeep je onbekend
Toch zou ik jou niet willen ruilen
Voor zo een maag’re modeprent

Al heb j’ een ongeschoren apesnoet
Waar j’ als fatsoenlijk mens aan wennen moet
Ik wil je met geen ander ruilen
Omdat ik zoveel van je hou

Lief en leed, zoals je weet
Tezamen deelden wij

‘t Lief o vrouw
Dat was voor jou
En al het leed dat was voor mij
Dat heb je toch geweten

Maar al liet jij me dikwijls in de kou
Al sloeg je mij ook dikwijls bont en blauw
Toch kan slechts maag’re Hein ons scheiden
Omdat ik zoveel van je hou

De tekst is geschreven door Rido, pseudoniem voor Philip Pinkhof (1882-1956). Hij was journalist en werkte een leven lang bij de Telegraaf. Hoewel.
      In juli 1940 werd hij ontslagen omdat hij Jood was. In 1949 na het verschijningsverbod keerde hij terug bij die krant.
Pinkhof was getrouwd met Heintje Davids. Toen in 1934 een film werd gemaakt van het toneelstuk De Jantjes schreef hij zijn lied, waarin Heintje Na Druppel speelt en Sylvain Poons De Mop.
      Zij zingen ‘’Omdat ik zoveel van je hou’’ op muziek van John Brookhouse McCarthy. (Jan Broekhuis).

Luister HIER naar een fragment uit de film. Heintje Davids (midden) en Sylvain Poons (rechts)    

              


En HIER zingen ze het 25 jaar later.




Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje