Poëzie (319)

 

Over Alcest & een Zangberg

Een jaar of veertig geleden las ik het puntdicht voor ’t eerst. Toen keek ik er over heen, want ik las zandberg. Tien jaar later dacht ik dat ’t een drukfout was en meende ik nog steeds dat het zandberg moest zijn.
     
Inmiddels weet ik beter.
Lees eerst het gedicht:


Van A.C.W. Staring


Aan een' navolger

Alcest, wilt gij den Zangberg op?
Zo rijd een eigen paard; geen huurknol haalt den top.

1789


Er staat inderdaad Zangberg. Dat is de bijnaam voor de Helikon, een berg in Griekenland waar volgens de mythologie de muzen woonden. Op de berg ontspringt een bron waaruit in de Griekse oudheid de inspiratie rijkelijk vloeide.
      Staring wijst dus op originaliteit en verfoeit navolgers en plagiaatplegers. Hij doet dat met ‘’rijd’’ in de gebiedende wijs.
Dit werpt vervolgens de vraag op: wie is Alcest?
     
Welaan: Alcest (Alcestis) is een vrouw uit de Griekse mythologie, een klassiek voorbeeld van liefde en huwelijkstrouw. Alcest komt diverse malen voor in het werk van Staring’s tijdgenoot Willem Bilderdijk. Een door Staring bewonderd dichter. Maar ook iemand die hij van plagiaat beschuldigde.

Later bleek Staring op zijn beurt plagiaat gepleegd te hebben, toen duidelijk werd dat ''zijn'' beroemde Oogstlied een soort vrije bewerking was van het Erntelied van Ludwig Hölty (1748-1776).

Vergelijk maar even de beginregels:

Sicheln schallen,

Ähren fallen

Unter Sichelschall;

Auf den Mädchenhüten

Zittern blaue Blüten,

Freud' ist überall.

 

Sikkels klinken
Sikkels blinken
Ruischend valt het graan
Zie de bindster gaaren!
Zie, in lange scharen,
Garf bij garven staan!

 


Ik stop verbaasd

Dit versierde bankje staat in Friesland aan de Wide Ie (Wijde Ee).
      Nabij Oudega in de gemeente Smallingerland.

Er wordt hier veel gejogd. Zo veel dat het iemand  begon te irriteren. En er verscheen een poëtische tekst op het bankje.
      Er staat : ‘’Ik ren, ik denk, ik stop verbaasd. Waarom liep ik nou te rennen…..  Ik heb helemaal geen haast’’.


Wide Ie

 

 

 

Meisjes van dertien & de merels 

 Ik luister op de radio naar Paul van Vliet, die het lied ''Meisjes van dertien'' zingt.
   En dan is daar ineens de regel: "Te groot voor de poppen, te groot voor de merels'',

Curieus!    
     Wat kan daar mee bedoeld zijn?

Ik zal het zo uitleggen, maar  luister er hier
eerst eens naar:

      Hoogst actueel nog, zij het dat ze tegenwordig vooral aan cyberpesten doen.
     

Van Paul van Vliet

Meisjes van dertien

 
Hebben van die wapperende voeten

Lopen altijd overal tegenop

Weten helemaal niet wat ze moeten

Kauwen dus de hele dag maar drop

Moeten oude jurken van hun grote zusjes aan

Die hun moeders hen nu juist zo enig vinden staan

Houden niet van zomerkampen; moeten daar toch heen

En zijn daar met z’n honderden verschrikkelijk alleen

 

Meisjes van dertien, niet zo gelukkig

Meisjes van dertien, er net tussenin

Te groot voor de poppen, te groot voor de merels

Te klein voor de liefde, te klein voor de kerels

Met een glimmende neus

En met knokige knietjes

En in hun dagboek

Staan de kleine verdrietjes

 

Meisjes van dertien, vlak voor ‘t begin

Meisjes van dertien, er net tussenin

Hebben van die dromerige koppies

Hebben van dat dunne steile haar

Willen niet meer samen met de jongens

Willen nou alleen nog met elkaar

Giechelen bij de naam van ‘t onbereikbare idool

Giechelen om hun vader en de leraren op school

Giechelen van ongemak en giechelen van spijt

Giechelen zich een weggetje naar een betere tijd

 

Meisjes van dertien, niet zo gelukkig

Meisjes van dertien, er net tussenin

Te groot voor de poppen, te groot voor de merels

Te klein voor de liefde, te klein voor de kerels

Nog nergens een vrouw, ja van boven voorzichtig

Maar verder nog nergens, nog te dun en te spichtig

Meisjes van dertien, droom er maar van

Meisjes van dertien, giechel maar an

 

Meisjeskoor; Radiokoor 

  

De Merels was in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een meisjeskoor, dat regelmatig optrad voor de radio.
      Als de meisjes dertien werden, moesten ze eruit.
Er werd in die tijd nog veel naar de radio geluisterd, zodat Paul van Vliet er vanuit ging dat iedereen wist wat ermee bedoeld werd.
      Dit is het koor, dat onder leiding stond van Leo v. d. Werf.

 

 

Op een haring, een made & een spreeuw

Ik ben op een receptie in Dordrecht, waar goed voor de aanwezigen wordt gezorgd. Er ligt ondermeer een grote schaal nieuwe haring. 

      Ik raak in gesprek met een man over de voors en tegens van uitjes bij de haring.
Tot hij ineens het volgende versje oplepelt:

Een nieuwe haring sprak te Dordt:
''Ik denk dat ik geen oude word''

Had die man dat nou ter plekke verzonnen?
      Ik vroeg het en hij gaf toe het eens gehoord en opgeslagen te hebben, omdat hij het grappig vond. Maar hij wist niet waar het vandaan kwam.

Welaan: Het versje heet ’Op een haring’ en is van Trijntje Fop, dat weer een pseudoniem is van Kees Stip (1913-2001). Het heeft slechts die twee regels.
      Stip was niet alleen dichter, maar werkte na de oorlog ook als tekstschrijver bij de Legervoorlichtingsdienst en de Regeringsvoorlichtingsdienst. 
Het pseudoniem Trijntje Fop ontleende hij aan Woutertje Pieterse van Multatuli.
      Het was een leerling uit de klas van Meester Pennewip, die het volgende versje schreef:

Ik heet Trijntje Fop
en heb een muts op mijn kop.

Stip begon in deze trant vooral zesregelige versjes te maken, die vanaf 1951 met grote regelmaat in de Volkskrant werden gepubliceerd.
      Die versjes volgen bijna altijd een vast stramien: Strak metrum, een dier en een plaatsnaam in het begin; een verrassende vondst aan het eind en het rijmschema AABBCC.

 
Op een made


Dit weekend ging een groepje maden
in Scheveningen pootjebaden


De welbespraakste van het stel
sprak: ‘Makkers, merken jullie wel?

Er zijn hier heel wat maden bij
die made zijn in Germanij”.

 


Op een Aal


Een jonge aal uit Hardinxveld
besteedt aan kleren heel veel geld


Hij dost zich als een dandy uit
al kost hem dat een flinke duit


En de gevolgen van die kwaal?
Elk meisje zegt: ‘Hij is fat-aal!’

 


Op een spreeuw


Een rupsenzamelende spreeuw
vloog door het keelgat van een leeuw


‘Ik hoop’, zo sprak het beest benauwd
‘dat deze leeuw van rupsen houdt’


Leert kinders, dit van deze spreeuw
Humor is lachen in een leeuw

 

Het Beestenfeest

In 1988 verscheen een groot aantal Trijntje Fops in de bundel Het grote Beestenfeest.
      Het bekendste vers is waarschijnlijk Op een Bok, omdat het in het Groningse plaatsje Siddeburen een eigen standbeeld kreeg.
      Dit vers heeft opmerkelijk genoeg meer dan zes regels.

 

Op een Bok

 

In Siddeburen was een bok
die machtsverhief en worteltrok


Die bok heeft onlangs onverschrokken
de wortel uit zichzelf getrokken


waarna hij zonder ongerief
zich weer in het kwadraat verhief


Maar ‘t feit waardoor hij voort zal leven
is, dat hij achteraf nog even


de massa die hem huldigde
met vijf vermenigvuldigde

 

Kees Stipprijs

 In 1985 lanceerde het literaire tijdschrift De tweede ronde de Kees Stip Prijs voor ‘light verse’.
      Stip zelf ontving de prijs ‘t eerst.
Daarna werden bekroond:
      Drs. P, Driek van Wissen, Jan Boerstoel, Ivo de Wijs, Nelis Klokkenist, Patty Scholten, Kees Jiskoot, Frank van Pamelen, Jaap van den Born en Marko Fondse.

 

 

 

 

VERBAZING, ANGST & INGEHOUDEN WOEDE

 

 Van Ursula Krechel (vertaling Hannie Groen)

Boetedagen

Nadat we snel
onze brieven verbrand hebben
en onze notitieboeken
van 1970, 1971, 1972
dit lieve, aanhankelijke papier,
overleggen wij, wat wij nog
allemaal vergeten moeten.

Duitsland in verwarring 

Linkse sympathieën 

Rote Armee Fraktion 

Adoptie 

NS-Justiz 

Nach Mainz 

(Het gedicht Boetedagen heb ik gevonden in de bundel ’”Ik heb tien benen” dat in 1990 is verschenen bij uitgeverij De Geus in Breda. ISBN: 90 5226 0109)

 

 

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje