DIEUWKE


Mijn fietsroute ligt in de westhoek van de Waard. Rust, ruimte; veel ruimte. Akkers. Polders. Rechte wegen langs verkavelde gebieden. Graan, bieten, aardappelen. Maar ook kronkelende bomen-, struiken- en kruidendijken. Slapers, dromers. Prachtige kreken, slikken, grienden en gorzen. Boerenhoeves, molens en kerken. Veel kerken. Dit land van zware klei, wolken en luchten; dit land moet zuchten. Maar God, wat is het mooi!
      Gisteren belde ze. Dieuwke. Ik luister naar haar en denk: ‘dat is toch een Friese naam?’ Zo klinkt ze niet. Prettig, warm, beschaafd. Mooie enigszins donkere stem.
     
      ‘We hebben je verhaal gelezen. Allemaal. Lieve ook. We vinden het prachtig. Maar er is één ding waar ik met je over wil praten.’

Hoe ziet ze eruit. Dieuwke? Hoe oud is ze?

‘Het is vooral die ene zin. Waarin je schrijft: en dan is er nu ook nog die kunstzinnig verantwoorde luchtfietserij van AIR. Dat vindt Lieve onacceptabel’.

Ze is vast donker. Dieuwke. Halflang haar. Hier en daar wordt het al wat grijs. Maar dat vindt ze niet erg. Begin veertig. Niet dat gladde strakke, maar een beetje doorleefd. Aantrekkelijk. Volslank. Vrij lang.

‘Die luchtfietserij? Dat is een grapje’.
      ‘Nou zo hebben we het anders niet opgevat. Als het er niet uit mag, wordt je verhaal niet geplaatst. Lieve wil het niet.’

     
Dat klonk dreigend! Gisteren.

Route

Mijn route begint op de Zuidzijdsedijk. Er is altijd wind. Die wijst mij de weg. Soms wil ik wind mee, soms tegen. Ik trek grillige patronen door dit platte land.
      Lieve!
      Ze is al eens naar Oud-Beijerland gereisd om mij te ontmoeten, want ik woon al heel lang in de Hoeksche Waard. Ze is veel aan het woord en jargont in een diep zuidelijk accent. Lieve is een Belse. Ik begrijp niet altijd waar ze het over heeft. Op mijn beurt vertel ik een paar verhalen en anekdotes. Over de angsten van de Hoeksche Waard. Dat vindt ze interessant. .

Dieuwke is een beetje hees.
     
Ze rookt toch niet? Is ze kunsthistorica? Nee! Cultuurfilosoof. Ze heeft al een paar mislukte relaties achter de rug. Geen kinderen. 
Ze bereidt zich voor op een discussie, die ze liever niet wil voeren.
       Maar ja, Lieve is de baas.
Ik geloof dat ik haar aardig vind. Dieuwke.
       Hoe is ze gekleed? Nonchalant? Nee! Meer een type voor broekpakken. 
     
‘Ieder individu en iedere instelling moet zichzelf kunnen relativeren. Zeker Architecture International Rotterdam’, denk ik.
      ‘Het is alleen die ene zin’, zegt Dieuwke. Lieve wil het echt niet’.
      ‘Ach dan laat je het er toch uit’ zeg ik.

Ze valt stil. Dieuwke. Dat had ze niet verwacht.
      Zal ik haar uitnodigen om naar de Hoeksche Waard te komen?
Dan gaan we fietsen en kan ze al die bijzondere, mooie, specifieke en karakteristieke plekken zelf zien.
      Molen Landzigt in Zuid-Beijerland bijvoorbeeld daar in de verte. Een korenmolen van het type grondzeiler, waar je meel kan kopen. Hij brandde in 1990 af tijdens de orkaan. De wieken sloegen op hol en draaiden tegendraads. Een intriest, prachtig schouwspel.

‘Oké’, zegt ze.’Dag’

AIR-Zuidwaarts

Van september 1998 tot diep in de zomer van het jaar daarop werd de Hoeksche Waard overspoeld door de zesde AIR onder het motto AIR-Zuidwaarts/Southbound. Een ‘interdisciplinaire architectuurmanifestatie’ die zich richtte op het cultuurhistorisch landschap van dit eiland ten zuiden van Rotterdam.
      Lieve legde het me allemaal uit bij een cappuccino in het Grand Café. In merkwaardige volzinnen, die ik thuis direct noteerde.
     
‘AIR Zuidwaarts/Southbound’ zei ze bijvoorbeeld, ‘gaat op zoek naar de metapositie, die de bekende romantische of liever modernistische positie overstijgt waardoor begrippen als stadslandschap en stedelijk veld betekenisvoller worden voor het regionaal ontwerp op de schaal van Nederland en Europa’.     
      Kunstenaars zouden er komen. Vormgevers. Fotografen. Schrijvers, dichters. Stedenbouwkundigen. Landschapsarchitecten. Antropologen. Deskundigen op het gebied van de nieuwe media. Ze kwamen uit de hele wereld.
      Behalve uit de Hoeksche Waard.
Tentoonstellingen zouden worden ingericht. Er kwamen gespreksgroepen, toneelvoorstellingen, excursies en ontmoetingen met inwoners waaronder autochtonen.
      ‘Vandaar waarschijnlijk die antropologen’ denk ik geprikkeld en stop bij dat boerderijtje aan de rand van Piershil om een paar geitenkaasjes te kopen.

STEF    

Er zouden publicaties verschijnen, waarvan ik er ook een paar voor mijn rekening mocht nemen. Ik schreef over de bewoner van dit monumentale pand hier aan het Zwartsluisje. Stef zit voor het raam en klingelt met zijn wijsvinger.
      Hij woont al bijna zestig jaar in zijn geboortehuis; een ontwikkeld man. Erudiet. Studeerde theologie. Iemand met een subtiel gevoel voor humor. Tot hij gaat drinken. Dan slaan de angsten toe. En na iedere borrel wordt het erger. De angst voor het water, dat in 1953 bezit van zijn ouderlijk huis nam en vooral de angst voor het geloof. De ware helleangst. Als hij zijn gevoel wil uitdrukken pakt hij een oude VPRO-gids en citeert oud-programmamaker en dominee Klaas Vos, want niemand kan het beter onder woorden brengen dan hij:
     
‘Die God is niet mis hoor. De mens deugt immers niet. Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Zo staat het in de Heidelbergse Catechismus. Ook al ben je nog zo gelovig; ook al voel je je in hartelijke verbondenheid met de Here Jezus, dan is het nog niet zeker dat je straks de poorten van de hemel binnenkomt. Want wat is zonde? En wanneer zullen de fiolen van Gods toorn over mij worden uitgegoten? Ik krimp ineen, voel de pijn in me en kan Hem alleen maar om vergiffenis vragen.’ 

Irritatie

Vaak speelt er lichte irritatie op tijdens mijn tocht. Over plannenmakers, bestuurders, autoriteiten, politici. Ruim 30 jaar geleden komt uit Rotterdam het plan 2000-plus. Insteekhavens aan de noordkant van het eiland. Opslagruimtes voor containers. Industrieterreinen. Hele dorpen, landerijen en wegen zijn van de kaart geveegd. De mensen kunnen gaan wonen in een nieuw te bouwen stad in het centrum van de Hoeksche Waard en de boeren moeten maar naar de Flevopolder. Een megalomaan plan waar burgemeester Thomassen en de havenbestuurders later hun verontschuldigingen nog voor zullen aanbieden.
      Maar er zijn meer plannen. Een tweede internationale luchthaven bijvoorbeeld. Groter dan Schiphol. Bedacht door het Openbaar Lichaam Rijnmond onder leiding van André van der Louw. Mijn huis is op alle tekeningen verdwenen.
      Zomaar.

Het plan kan worden uitgevoerd –staat er letterlijk- mede vanwege de reeds aanwezige infrastructuur.
      Voor een internationale luchthaven?
      In de Hoeksche Waard?
      Wat kan dat toch zijn?
Ik schiet vijf mensen aan bij dat Openbaar Lichaam, maar niemand weet het. Tot een ambtenaar de oplossing aanreikt.
     
‘Die akkers worden toch wel eens bespoten vanuit sproeivliegtuigjes. Daar heb je je infrastructuur. Die vliegtuigjes moeten toch ook stijgen en landen”.

Gek zijn ze. Soms.
Volkomen gek.

Daar op de Oosthoek is zo’n baantje van 25 meter lang en twee meter breed.

Ik zal het haar in het staccato van mijn pedaalslag vertellen. Dieuwke. Dat we een een foto hebben laten maken, die in alle kranten kwam. Dat daar toen hard om gelachen is, Dat niet zo gek lang daarna het Openbaar Lichaam Rijnmond werd opgeheven. Dat ik daar veel genoegen in schepte. 

Er moesten twee kerncentrales komen. Eén bij ’s Gravendeel en één op Tiengemeten. Een pretpark verscheen op de tekentafel. Een depot voor giftig havenslib in het Hollandsch Diep. Grootschalige glastuinbouw. De hoge snelheidslijn is er inmiddels. Bedrijvenparken zijn niet uitgesloten.
      ‘Blijf er met je poten vanaf ’, denk ik en schakel naar een hogere versnelling. ‘We zijn inmiddels toch Nationaal Landschap’.

Herinneringen

Gelukkig zijn er veel bijzondere herinneringen. Vooral door ontmoetingen met autochtonen. Oud-Beijerland. Het huis van Adri, een gekend man in de streek. Hij verlaat zijn goedkope huurwoning om jongeren daarvan te laten profiteren. Hij doet ombudswerk, helpt mensen met hun belastingformulier, zit in het bestuur van de P.v.d.A., draait jarenlang mee in de gemeenteraad en doet alleen boodschappen bij partijgenoten.
      Hij sterft een beetje als de Oud-Beijerlandse schokbrekerfabriek KONI wordt overgenomen door ITT. Het mooie bedrijf dat groot werd door het harde gedisciplineerde werk van arbeiders uit de Hoeksche Waard, wordt achter zijn rug om verkocht aan een ‘vuige’ Amerikaanse multinational. Als Adri echt dood is, neemt niemand van zijn partij tijdens de uitvaartbijeenkomst de moeite om een woordje te spreken.


Mijn tocht voert langs veel kerken. Van de gereformeerde gemeente, de hervormde gemeente, de Evangelische gemeente, de Evangeliegemeenschap van Jezus Christus, de Nederlandse Protestantse bond, de gereformeerde gemeente vrijgemaakt, de oud-gereformeerden, de Christelijk gereformeerden en de stichting tot instandhouding van de oud-gereformeerde waarheid.
      Goudswaard zucht het meest. Even buiten het dorp staat verstild in het landschap het angstaanjagende kerkgebouw van de gereformeerde gemeente. Eben Haëzer. Steen der hulpe. Samuel 4 vers 1.
      Ooit kwamen twee kinderen bij ons op bezoek toen er een polio-epidemie heerste. Ze waren niet ingeënt.

Zou ik ze een klontje geven? Gewoon in een kopje thee. Is dat dan ook niet Gods wil? En zijn die ouders diep in hun hart dan niet heel dankbaar?
     
Ik stap, niet wetend dat weer een ander kind op bezoek is, bloot de badkamer uit. ‘s Avonds komt de vader verhaal halen. Zijn dochter heeft voor het eerst van haar leven een blote man gezien.
      Jacob is geboren aan de dijk. Hij is een man van weinig woorden. Zijn vrouw stierf op betrekkelijk jonge leeftijd aan K. Vrijwel niemand aan de dijk die wist dat ze zo ziek was.
      ‘Weet je buurman’ is zijn sonore commentaar later,’er zijn nu eenmaal dingen waar je niet over praat’.

Op het Vuurbaken herinner ik me weer een paar zinnen van Lieve.     
‘Air Zuidwaarts/Southbound is eigenlijk een symfonie in drie delen. Je moet ons zien als een katalysator om het debat over nieuwe stedenbouwkundige kwesties aan te zwengelen en te stimuleren. De Hoeksche Waard is immers het resultaat van een occupatiegeschiedenis van vele generaties.’      
        Ik schakel naar mijn hoogste versnelling als ik merk dat ik al die rimram onthouden heb. Daar is veehouder Schil, één van de weinigen op het eiland.
Hij zwaait en roept:
      ‘Volgende week’.
Er zijn kalfjes geboren. Ik kan biest halen. Daar is geen hormoon aan te pas gekomen, want ook Schil is een diepgelovig man.

Zou ik haar wat biest cadeau doen? Dieuwke. 
      'Van het platteland', kan ze dan tegen haar stadsvriendinnen zeggen.
      'Word je vruchtbaar van'!     

't Kleine buikje

Ach dat kleine buikje. Toon woont even voor Goudswaard. Het gebeurde op zijn dertiende. Zijn vriendje leerde hem dat het kleine buikje er niet alleen was om te plassen, maar dat het ook tot wonderlijk genot kon dienen.
      Toon wist dat God dit niet goed zou vinden en dat hij in de hel zou komen om tot in eeuwigheid te branden. Als dominee het in de kerk over zonde had, wist hij precies waar het over ging. In opperste verwarring, angst en opwinding vertelde hij het zijn vader en werd tot bloedens toe in elkaar geramd.

In het centrum zal Bas wel in zijn achtertuin zitten. Ooit had hij een unieke functie: burgemeester van drie gemeentes tegelijk: Goudswaard, Piershil en Nieuw-Beijerland, waar de curieuze coalitie PvdA-SGP tot stand was gekomen. Bas hult zich graag in leer op zijn zware motor. Hij wil nog wel eens gas geven. Ook op zondag en dat neemt niet iedereen hem in dank af. Bas maakte zijn jongensdroom waar: Route 66 op een Harley Davidson 1200 cc.
      Hij viel en brak het één en ander. Maar hij zette door en bereikte Los Angeles. Toen het gips verwijderd was ging hij in de oceaan zwemmen en botste tegen een pijlstaartrog, die zijn giftige staart in hem zette. Hij zweefde geruime tijd tussen hel en hemel. De ervaring van zijn leven.

Daar buitendijks voorbij Goudswaard zijn in de winter de ganzen. Duizenden, tienduizenden. Rotganzen, kolganzen, grauwe ganzen, brandganzen. En pas als ik ze voor het eerst en masse in beweging zie, begrijp ik wat dat is: in de ganzenpas lopen.
      Verderop diep in de polder werd voor het eerst Poëzie Buiten gehouden.
      Cees Buddingh’ leest er een gorgelrijm. Simon Vinkenoog rookt en de beroemde dichter S. is te dronken om nog iets te doen. Binnen in de schuur is het stampvol, buiten worden schapen geroosterd.
      In Nieuwendijk woont Leo. Hij werkt parttime. Neemt altijd vrij op dinsdag, want dan gaat hij het Haringvliet op met de kano. Leo leeft met de seizoenen mee. Hij leest het landschap en kent het water, de geluiden, de vogels.
      ‘Die zeearenden komen ieder jaar weer terug’.
Leo is woedend over alle plannen.
     
‘Baggerdepots. Dijken doorsteken. Bedrijvenparken. Dat soort dingen. Eufemistische benamingen. Plannetjes van mensen achter een tekentafel. En dan noemen ze dat: ecologische hoofdstructuur. Me reet’.

Het Haringvliet is sinds de sluiting begin jaren zeventig volkomen zoet; een enorme ecologische schok. De rietgorzen zijn vrijwel verdwenen. Maar toch: wat een mooi water. En bovendien zijn er wel doordachte plannen om de sluizen weer een beetje open te zetten. De terugkeer van de driedoornige stekelbaars, een scharretje, een gul, een rog, een zeepaling.

Frisse lucht

Ik fiets verder en adem frisse lucht. Handen losjes op het stuur.
      Daar is het huis van de dierenarts, die in een andere cultuur opgroeide. Hij heeft zijn eigen aanpak. Ooit liet ik bij hem een kater castreren. De man vond dat ik daar bij moest zijn.
      ‘Dat is goed voor u’.
Hij gaat aan de slag en zegt na een tijdje:
       ‘Houdt u die balletjes even vast’.
En dan de kat, die ik dood reed op de dijk. Ik bel aan en vertel het de eigenaar. Hij zwijgt, loopt weg en keert even later terug met een schep.
      ‘Hier! Begraaf jij hem maar’.

Verderop zit Dieneke in de bijkeuken van haar grote boerderij. Zij heeft zicht op de dijk en kent vrijwel iedere automobilist die voorbij komt. Bij mooi weer zit ze buiten en moet dan veel zwaaien. Ze leest in de Bijbel, Psalm 58: ‘Handhaaf het recht O God’. Daar moet ze binnenkort over vertellen in de Bijbelstudieclub. Het gaat over goddelozen en afvalligen.
      De mooiste hoeves passeren. Vaak vernoemd naar vrouwen. De Petronellahoeve. Helenahoeve. Adriana, Agatha Johanna en Suse. Als ik mijn route wat uitbreid en het pontje naar Tiengemeten neem, volgen Laurette, Marquerita, Louise, Helene, Susanna , Tessa, Irene, Ida en Nicole. Een eerbetoon aan de vrouwelijke nakomelingen van het geslacht Van Brienen, dat tot 1967 eigenaar van het eiland was, zoals valt te lezen in het boekje ’Over het Vuile Gat naar Tiengemeten’ van Ton van der Graaf.

Zou zij ook een hoeve op haar naam willen? Dieuwke. Nee! Ze klinkt als een stadsmevrouw. Ze houdt wel van gezonde buitenlucht, maar niet te vaak. En klompen? Nee! Klompen doet ze niet aan.

Op één van die mooie karakteristieke zwartgeteerde schuren stond de poëtische zin: ‘Dan denk ik: wat tob ik!’.
Het is van kraanmachinist Simon de Geus uit Puttershoek.

Hij kwam met dertien jaar van school
`de boer op’ was toen het parool
dat zou jan met de pet niet deren
Hij werkte bijna vijftig jaar
Als dwangarbeider hier en daar
Zo wilden het de grote heren.

Grote kijkers

Bij de laatste kreek die ik tegenkom zie ik R. en L. met grote kijkers. Zij inventariseren iedere zondagochtend de vogelstand. In het bosje verderop zijn negen reigersnesten. En er is een wilde pauw. De dodaars is weer in de kreek teruggekeerd. Eén smient vandaag en naast het gebruikelijke spul een tafeleend. Maar voor L. kan de dag niet meer stuk als hij een beflijster ziet.
      Jannie woont al dertig jaar aan de dijk. Ze komt uit de Achterhoek en vond de Hoeksche Waard in het begin kaal.
      ‘Na al die jaren ben ik van dit landschap gaan houden. Het mooist zijn die onaanroepbare akkers.’

Ik ben er bijna. Daar is de Polder-eterij. Er staat struisvogelbiefstuk op het menu. Die beesten worden honderd meter verderop gefokt. In de hoofdstad kun je bij de visboer inmiddels zwaardvis kopen; de delicatessenzaak heeft Vindaloo-pasta, er is al een slager die gelardeerde lever verkoopt en de dim-sum hapjes bij de supermarkt zijn ook weer terug. In de boekwinkel is het behelpen. Ooit zocht ik iets van Multatuli. De jonge verkoopster kijkt mij wanhopig aan.
     
‘Multatuli? Is dat een tijdschrift of zo?’

De kantoorboekhandel verkocht een tijdje de International Herald Tribune, maar ook dat is weer voorbij. En nooit zal ik het onthutste gezicht vergeten van de jongen in de platenwinkel, toen ik vroeg of ze toevallig iets van Vladimir Vyssotski in huis hadden.

Ze kwamen meestal kort langs in de Hoeksche Waard. De kunstenaars en de vormgevers. En ze verdwenen nog sneller. Ze heetten ondermeer Peter Calthorpe, Matthew Taecker, François Roche, Stefano Boeri, Jörg Dettmar, Ulrike Beuter, Harald Fritz, Simone Hastenpflug, Edzo Bindels, Ruurd Gietema , Henk Hartzema, Arjan Klok en Marieke Timmermans.
      Het waren slechts passanten, die ’een dingetje’ deden. Dingetjes , die in een boek werden gepubliceerd, maar waar natuurlijk niets mee gedaan werd.

In de Hoeksche Waard heerst angst. Angst voor het geloof. Angst voor het water. Angst voor de toekomst. Maar het verstand zal zegevieren. Bij het kunstatelier op Zuidzijde staat het in grote letters. ‘Bij het trekken van de lijn is de verandering een feit’. Of is bij het trekken van de lijn de verandering slechts schijn?

Dit land blijft kruien van bieten en uien.

(Aangepaste versie; eerder geplaatst voorjaar 2007)