TOERDEFRANS

(Door Peter Flik, photosooph te Hongarije)

Het is vandaag, dinsdag 18 juli  2017, een dag na de rustdag in de toerdefrans.

Tijd voor enkele bespiegelingen.

Ik begreep een aantal jaren geleden geen hout van dat wielrennen. Dat maakt je in de ogen van veel vrienden een sporthater. Dat steekt. Dus een bevriende collega uitgenodigd om mij maar eens de basisprincipes van het wielrennen uit te leggen. Dat hielp. Met toch wel enige moeite volg ik nu de toer. Maar kom nu wel tot de volgende dwingende vaststelling.

ZONDER DE VOLGENDE VOORBEREIDING IS DE VERSLAGGEVING IN DIE TOER NIET TE VOLGEN.

  1. Schaf je het toerdefrans boek aan. En verdiep je in de namen van de renners.
  2. Leer de namen van de sponsors uit je hoofd. Anders struikel je steeds weer over bijvoorbeeld AZJEEDEUZERRE.
  3. Leg een kaart van Frankrijk naast je en probeer de route te volgen.
  4. Als het over klassementrijders gaat wordt bedoeld de eerste tien van het klassement.
  5. Het commentaar van Herbert Dijkstra en Maarten Ducrot is niet te volgen als je niet eerst op het internet hebt opgezocht wat al die wieleruitdrukkingen inhouden. Ik geef een lekker voorproefje! Veel succes.
  1. à bloc: voluit, met volle inzet, rijden.
  2. treintje oproken: te snel haken een aantal ploeggenoten af die de sprinter naar de finish moeten brengen.
  3. aan de boom schudden: hard doorrijden om tegenstanders in de kopgroep te lossen.
  4. aan het elastiek hangen: achter in een groep fietsen en op het punt staan gelost te worden.
  5. achterwielrenner (ook: wieltjeszuiger): wielrenner die steeds achter een ander aanrijdt en niet op kop gaat. Gezegd door Eddy Merckx over Joop Zoetemelk.
  6. Als Jan Janssen de Tour kan winnen kan mijn schoonmoeder het ook. (Kees Pellenaars)
  7. De Tour de France win je in bed. Goed slapen is essentieel om te herstellen. (Joop Zoetemelk)
  8. binnenband: inspuiting in de ader.
  9. chasse patate : Dat is de situatie waarbij een groepje renners uit het peloton ontsnapt om naar een kopgroep te rijden, maar halfweg blijft hangen. Ze slagen er kilometers lang niet in de kopgroep te bereiken, maar ze zijn ook te ver voorop om zich nog te laten inhalen door het peloton. Zoals taal- en sportkenner Mark Uytterhoeven ooit opmerkte: "je voelt je redelijk onnozel, 'en chasse patate'."
  10. bolletjestrui: trui met rode stippen die in de Ronde van Frankrijk aan de leider in het bergklassement (de bergkoning) wordt gegeven; in het Frans: "maillot à pois" ("erwtjestrui"). De leider zelf wordt ook "de bolletjestrui" genoemd, net zoals de leider in het algemeen klassement ("de gele trui") of in het puntenklassement ("de groene trui").
  11. boterham met pindakaas: "Je rijdt de Tour niet op een boterham met pindakaas", dat wil zeggen niet zonder verboden middelen, opmerking toegeschreven aan Gerrie Knetemann.
  12. de bus: groep renners die niet mee kan in de bergetappes en gezamenlijk in een rustiger tempo naar de finish fietst. De chauffeur van de bus is doorgaans een ervaren renner die het tempo zodanig regelt dat de groep nog binnen de toegelaten tijd aan de finish komt.
  13. de deur dichtdoen: (bij een sprint) van de eigen lijn afwijken en daardoor de tegenstander de pas afsnijden.
  14. de dood of de gladiolen: (in de laatste fase van een wedstrijd) zo hard mogelijk fietsen en maar kijken wat het resultaat is: de bloemen of helemaal niks.
  15. de koers hard maken: groepsgewijs een hoog tempo rijden, waardoor ontsnappingen worden bemoeilijkt.
  16. de sprint aantrekken: op ruime afstand van de streep zo hard mogelijk rijden zodat de kopman in een ideale positie kan beginnen met sprinten.
  17. De Tour wacht op niemand: er is geen mededogen met pechvogels in de Tour de France.
  18. Door de wind boren: met wind pal op kop voor het peloton proberen te blijven.
  19. doorkachelen (Gerrie Knetemann): met het verstand op nul hard blijven doorfietsen.
  20. d'r op en d'r over: een renner of groep inhalen, en vervolgens direct voorbij rijden.
  21. derde bal: Een blessure die begint met een puistje in de bilnaad dat door druk en wrijving uitgroeit tot een ontsteking ter grootte van een ei.
  22. een gat laten vallen: een of meer renners laten wegrijden, al dan niet met opzet.
  23. een gat toe rijden: een achterstand goedmaken.
  24. een jasje uitdoen: een inspanning leveren, een stuk uit de reserves putten.
  25. een koffiemolentje draaien: met een zeer kleine versnelling rijden.
  26. een kwak geven: tijdens de sprint bewust iemand opzij zetten door een bruusk manoeuvre.
  27. een loper: een beklimming die geleidelijkaan steiler wordt en geen bruuske afwisseling in percentages kent (Michel Wuyts)
  28. een waaier trekken: bij zijwind rijden de renners het liefst schuin achter elkaar, zodat de renners (behalve de eerste) uit de wind rijden. Wanneer zo de ganse breedte van de weg gebruikt is en er geen plaats meer is, komt de volgende renner in de wind en zal die het moeilijker krijgen om te volgen. Omdat hij in feite verplicht wordt om een nieuwe waaier te vormen, kan hij en de rest van het peloton "eraf gereden worden". (Verwant: (het peloton) op de kant zetten.)
  29. een wapper krijgen: Hongerklop krijgen. Te weinig gegeten hebben waardoor het lichaam in eens niet meer in staat is tot grote fysieke inspanning.
  30. elkaar bij de keel vasthouden (Maarten Ducrot): Wanneer klassementsrenners elkaar geen strobreed toegeven in de strijd om de koppositie. Daarmee wurgt de klassementsrenner ook zijn eigen kansen. Vaak wordt gedacht: 'Ik ni
  31. OSCAR Freire ziet af met DERDE BAL

 

Klik HIER voor alle Photosophieën