Mamma & het brandalarm

Het hotel bjj het Amsterdamse Vondelpark wordt mede gerund door de inbreng van werkstudenten. Als we bij de balie arriveren is de receptioniste in een vurig telefoongesprek gewikkeld. Ze neemt ons op, zegt nog even in de telefoon dat ze echt geen tijd had en na een kort ’momentje’ legt ze het toestel even weg.
      Ze heet ons in het Engels welkom.
Ik heb drie dagen geleden per e-mail gereserveerd, maar zij kan onze namen niet vinden. Ze zegt ter geruststelling, dat er in ieder geval nog een kamer over is, neemt de telefoon op en zegt:
      ‘Mam. Ik heb hier een probleemgeval. Ik bel je zo terug’.
Ze bladert wat door de papieren en ziet dan dat de reservering op de verkeerde maand is geboekt.   
       ‘Ik ga u upgraden’, zegt ze triomfantelijk. ’In onze dependance hebben we namelijk nog een suite. Een hele mooie. Die is 75 Euro duurder, maar u krijgt hem voor dezelfde prijs.’

Ze roept een jongetje, dat niet ouder is dan achttien en zegt dat hij ons wel even voor zal gaan.
      In de gang ruikt het naar verf. ’Het klopt dat u verf ruikt’, zegt de jongeman. 
      ’Vier maanden geleden is de boel hier opgeknapt’.
Mijn echtgenote pakt de leuning vast en heeft prompt een grijze verfvlek op haar hand. 
      ‘Die verf blijft dan wel lang nat’, zeggen we maar eens.
In de inderdaad mooie suite blijft de jongen een tijdje plakken. Hij is duidelijk op zoek naar fooi.
      ‘Dit hier’, zegt hij bijvoorbeeld,’ is het bed. Dat is pas nieuw.’
Dan loopt hij naar de badkamer.
      ‘Hier is de douche en daar het toilet’.
Hij blijft talmen en loopt naar de straatzijde van de kamer. 
      ‘Als u het gordijn opzij schuift kunt u -kijk daar- het raam open doen.’

We zitten twee hoog. Er zijn geen balkons.
      ‘s Nachts om zeven minuten over half drie worden we gewekt door het angstaanjagende geluid van het brandalarm in de kamer. We schieten snel wat kleren aan, constateren dat we te hoog zitten om eventueel uit het raam te springen en gaan richting de trap.
      Het is heel rustig in de dependance. We horen niets en ruiken ook niets. Nergens paniek. Dan stopt het alarm abrupt.

De volgende ochtend zit er weer een andere jongeman achter de balie. 
      ’Is het u bevallen?’, vraagt hij.
      ’Ach ja; alleen dat brandalarm was een beetje vervelend’.
      'Brandalarm?’, zegt hij. ‘Daar weet ik niets van’.

En dan komt het.
      ‘MAAR DAT IS NIET ZO GEK, WANT DAT GEBEURT NAMELIJK HEEL VAAK!
      ‘Hoe kan dat dan?’, vraag ik enigszins onthutst. 
      ‘Tja’, zegt hij. 
      ’Ik weet ook niet precies hoe het komt. Maar als mensen in bad gaan en het duurt wat langer, stijgt er stoom op en dan gaat het alarm af'. 
      ‘Maar meneer, we zaten niet in het bad; we lagen in het nieuwe bed’. 
      ’Ach’, zegt hij.
      ‘Dan zijn het waarschijnlijk uw buren geweest’.

 

Goedemorgen!