In die eerste deelseconden valt de beslissing

(Door Els Smit, journalist te Rotterdam)

‘Ik ken u wel’, zei koningin Juliana tegen Toon Hermans tijdens een receptie, ‘van de televisie.’ ‘Ik ken u ook’, zei Toon, ‘van de postzegel.’

En dat is echt waar, want Toon (17 december 1916 – 22 april 2000) heeft het me zelf verteld. Ook prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven bewonderden hem. Maar toen ze hem in de jaren zeventig na een voorstelling uitnodigden om verder te praten, zei hij: ‘Nee, dank u, erg aardig, maar ik ga naar huis.’ Hij had zichzelf een flink glas rode wijn beloofd. En hij had niet veel met status.‘Ze vroegen me laatst of ik bij een prijsuitreiking aanwezig wilde zijn. Want Mies Bouwman kwam ook.’

      Meteen die blauwe ogen met lampjes erin.
‘Jij bent leuk,’ zei hij daar bom bovenop. ’Jouw glimlach bevriest niet.’
      Later vertelden ze me dat hij aura’s kon lezen.

Ik interviewde hem in oktober 1996 in zijn huis in Bosch en Duin, enkele jaren na het overlijden van zijn echtgenote Rietje. Hij was bijna 80 jaar, had een prachtige cd gemaakt met ‘Liedjes’.


‘’We weten onbewust dat we niets weten’’

Er staat een hometrainer op de stoep en er staat een hometrainer in de tuin.

‘Nou ja, hometrainer. Het zijn ouwe beestjes. Ik zit al dertig jaar elk dag een tijdje op die dingen. Toen ik ermee begon, was het nog geen rage. Nú is bewegen je van het, het is fanatisme. Ik vind al heel lang dat mensen fitter moeten zijn dan ze zijn, maar je moet er geen cultus van maken. ’t Is allemaal onzekerheid.

Met mate dingen doen, de dingen die je bevallen een plaats geven in je leven. Dat is moeilijk. Ik denk dat we allemaal onbewust weten dat we niets weten. Van de essentiële dingen dan. Ik realiseer me steeds meer dat de essentiële dingen in je leven je overkómen.

Wie had kunnen weten dat toen ik drieënveertig jaar geleden bij de Ferdinand Bol de hoek omging ik iemand zou ontmoeten met wie ik mijn leven verder zou delen? En het overkomt ons allemaal, hoor: de één op het strand, de ander op de wc, weer een ander ergens anders. Overal zit het leven vol kleine wondertjes. Maar we hebben vijfenveertig soorten jam, dat is een hele houvast.

Zo zing ik het ook in het liedje “Jam” op die nieuwe cd. Ik begrijp alleen niet dat er zo veel over die cd wordt geschreven. Ik begrijp ook al die interviews niet. Ik maak niet iets om het dan ook nog te moeten verkopen. Ik ben geen standwerker. Maar ja, het moet van de dames en de meneren met de portemonnee bij de platenmaatschappij. Ik hou niet van reclame. Nee, ik hou er niet van. Ik vind een affiche voor een show al veel.

Ik ben een maker. En als het af is, is het klaar. Ik luister nooit dingen van mezelf terug. Dus ook deze cd niet. We zijn trouwens al met een tweede bezig, Gé Reinders en ik. Hij is met het idee gekomen om een studio-cd te maken. De samenwerking verloopt goed. Hij is ook een Limburger, maar of dat er iets mee te maken heeft, weet ik niet. Het gaat toch altijd in de eerste plaats om de kwaliteiten van degene met wie je werkt.

Ik was onder de indruk van Gé’s cd ‘Truuk Nao Aaf’, puur op vakmanschap afgaand. Hij heeft nu prachtige arrangementen geschreven bij mijn liedjes. Dat klinkt weer zo ikkerig, hè. Daarom heb ik nou zo’n hekel aan interviews. Het is altijd: Ik héb, Ik bén. Wat bèn je nou? Ik ben niet eens een kunstenaar. Ik durf mezelf althans niet zo te noemen. Ik ben misschien kunstzinnig, in de zin dat ik zin heb voor kunst. Maar kunstenaar. Wat is dat? Als je je zo noemt, dan ben je het nog niet. En steeds meer mensen noemen zich kunstenaar, kijk maar om je heen.

Artiest? Ik ontdek ook hoe langer hoe meer dat ik nooit artiest ben geweest. Die showbiz … ik heb me er nooit deel van gevoeld, heb er maar een paar vrienden. Dat hele vak wordt overschat. Als het leven een bord soep is, en mijn moeder zei vroeger dat het leven een bord soep is, dan is het theater maar een heel klein lepeltje.

Ze zeggen: “André van Duin heeft charisma”. Dan denk ik: André van Duin? Als ze het nou over Gandhi hadden. Als ze Van Duin een goede vakman zouden noemen, zou het genoeg moeten zijn. Want het is gewoon een vak en misschien is het dat niet eens. Akkoord, misschien dat ik onderhand van mezelf voorzichtig kan zeggen dat ik een aantal technieken beheers, dat ik de stemming van een zaal kan peilen. Maar ja, als je maar vaak genoeg vrijt, word je ook een expert op vrijgebied.

Vroeger, eigenlijk tot een paar jaar geleden, liep ik voor een voorstelling maar om zo’n theater heen en dan dacht ik: waar begin ik aan? Hoe kom ik deze avond nou weer door? Maar, en dat is ook waar, als ik eenmaal op moest, viel dat allemaal weg. Je raakt in een roes. Mensen die me goed kennen, zien de verandering in me. Er komt iets over je dat ik tot nu toe nog niet heb kunnen verklaren. Het heeft in feite veel elementen van mystiek in zich. Alleen al de ontmoeting van jezelf en een zaal. Het zijn als het ware twee persoonlijkheden. Voor de zaal ben jij de ene partij en de zaal is voor jou de andere, want al die mensen lossen op tot één geheel, ik zeg dat met respect voor ieder individu in die zaal.

Je jut elkaar ook op. Of het klikt niet, dat kan ook. In die eerste deelseconden, als het doek net op is, valt de beslissing. Beide partijen voelen iets en dat kan goed of verkeerd uitpakken. Toch is er bij de huidige show iets veranderd. Ik geniet er zelf meer van dan ooit. Voor mij is het ook een avondje uit. Ik denk dat ik volgende keer maar een kaartje koop!

Ik realiseer me dat in deze fase van mijn leven de rolverdeling anders is: vader vertelt. Ik merk het aan de verwachtingen van de zaal. Wat ook een rol speelt is natuurlijk: ‘Wat goed dat die ouwe lul er nog is, anders had ik deze avond gemist’. En: ‘Wie weet of ik er nog ben op mijn 79ste en als ik er nog ben of ik dan nog zo bezig kan zijn’. Het is hetzelfde mechanisme dat ten grondslag ligt aan het kijken naar een baby. Zet een wieg in een kamer en iedereen gaat in die wieg kijken en raakt vertederd.

Weet je waarom dat is? Iedereen is nieuwsgierig naar een levensfase die hij niet bewust heeft meegemaakt. Dat inzicht is niet van mij, hoor, dat is van de kerkvader Augustinus. Omgekeerd gaat dat ook op voor de interesse in oude mensen. Mits ze bij de tijd zijn en nog volop in het leven staan. Want in oude mensen die de pech hebben dat ze verzorging behoeven, hebben we niet zo veel interesse.

Ik was altijd al beschouwend, maar sinds de dood van Rietje heeft die eigenschap zich verdiept. Je kan het ook horen aan de muziek die ik schrijf. ‘Méditerranee’ was aardig, maar ik merk dat er meer nuance in mijn composities komt. Af en toe hoor ik iets waarvan ik denk: dat gaat naar het chanson toe. Verdriet rijpt je en dat heeft z’n weerslag op je werk.

Als je leert dàt je te realiseren, sterkt het je. Dan merk je dat je breder bent geworden in je mogelijkheden. Een groot deel van mijn show bestaat nu uit improviseren. Dat ik me dat kan permitteren en dat ik er op durf te vertrouwen, beschouw ik als een geluk. Het helpt je ook als je hoort wat ze over je schrijven. Ik zou op een zolderkamertje wonen. De laatste mare is dat ik wegens gezondheidsredenen de ene na de andere voorstelling afzeg. Ik denk dat dit land onderhand beter over mij is geïnformeerd dan ik over mezelf.’

GPD, 12 oktober 1996

 

Luister HIER naar JAM. :