Van Remco Campert
Tegen de zomer
Niets is vernielender dan de warmte.
De kou houdt in stand, is statisch;
de warmte beweegt met de vernieling mee
en wekt valse schijn
van zon, gezondheid, zinvolle zonde.
De warmte vleit, paait, belooft,
maakt stofgoud van stof,
liefde van begeerte,
poëzie van leugens.
Ik hou niet van warmte,
broedplaats van muggen en maden,
poel van limonade en andere slopende dranken.
Schenk mij liever klare
kou en koffie;
destructie bevroren, duidelijk zichtbaar
en aanvaardbaar:
wie in de kou zit schept geen illusies,
maar schept sneeuw, vrij ongenaakbaar,
in de menselijke,
soms bovenmenselijke winter.

