Van J.C. van Schagen
December
Het winterland lag dof en dicht in den hopelozen zondagmiddag.
In het dode gras gingen zacht mijn voeten.
Op den vuilen akker lagen slenters blad.
En er was een veldje met bevroren kolen.
Een schrompelig blaadje zwikte nog, aan een tak, ver zwierf een kraai.
Misschien een bode?
Een hoeve stond gedoken in zwartig hout.
Een vrouw ging naar den regenbak, binnen waren kinderen.
Het werd donker.
Op het ijs lag een steen.
Voorbij.
Waar was mijn huis?
Roerloos stonden de smartelijke bomen; het dode riet was stil, zo stil.
Wat zwegen zij, wat werd er toch gezwegen?
Ik wilde roepen, maar het kon niet.
Er was geen antwoord.
Slapen maar, slapen.
Maar waarom was er geen antwoord?
Het spoor op den weg wees ver.
Er blafte een hond op een hoeve.
Een meisje met een bruin bontje ging kouwelijk op den grijzen weg als altijd.
Vroeger?
Wachten nu maar. Wachten…

