Het curieuze Oecusse

Rolf Weijburg, die u kent van zijn serie over de kleinste landen van de wereld, bezoekt op dit moment de twee laatste bestemmingen om zijn atlas van die landen te kunnen afmaken. Dat zijn Micronesië en de Marshall Eilanden in de Stille Oceaan.
      Hij maakt er echter een hele rondreis van en deed onder meer Singapore, Papua Nieuw-Guinea en Darwin Australië aan.
Ook het deels onafhankelijke eiland Timor, waar hij de curieuze enclave (of beter: exclave) Oecusse vond.


Een slaperig ‘’Backwater’’

    (Door Rolf Weijburg)

     Het eiland Timor is verdeeld onder twee staten: het westelijk deel hoort bij Indonesië, het oostelijk deel vormt het leeuwendeel van de onafhankelijke staat en ex-Portugese kolonie Timor-Leste.
      Naast dat Timorese deel omvat Timor-Leste ook het eiland Atauro én een stukje land aan de noordkust van het Indonesische deel: de exclave Oecusse-Ambeno, alias Oecussi, of Oé-cusse, zeg maar Oecusse.

      Oecusse is van het moederland gescheiden door een strook van een kleine honderd kilometer Indonesisch grondgebied. Het was aan deze kust nabij Lifau dat de Portugezen rond 1550 voor het eerst op Timor aan land gingen maar door oorlogen met de Nederlanders is het nooit gelukt Oecusse met de rest van het Portugese bezit in Oost Timor te verbinden. Oecusse raakte daardoor geïsoleerd en werd nooit goed ontwikkeld. Het bleef een wat achtergebleven gebied.

 

Pante Makassar

Ook nadat Oost Timor na een heftige en heldhaftige 24 jaar durende guerrilla-oorlog met Indonesië onder de naam Timor-Leste in 1999 onafhankelijk werd, bleef Oecusse een slaperig “backwater”.
      In de “hoofdstad” Pante Makassar woonde slechts een klein deel van de 65000 inwoners, er was wat handel in sandelhout maar de rest van de bevolking in het bergachtige gebied hield zich toch vooral bezig met “subsistance farming”.

      Het was niet eenvoudig om vanuit Kupang in het Indonesische West-Timor transport te vinden naar Oecusse. Het leek wel of niemand er heen wilde maar na twee dagen slingeren door het ruige Timorese berglandschap werden we dan toch afgezet aan de grenspost.
      We waren de enigen

Modern 

De Indonesische post was modern en veel te groots opgezet, er stond een enorm beeld van een dreigende adelaar met de overduidelijke boodschap dat er met dit grote land beslist niet te spotten viel. Aan de andere kant van de grens knikte een groepje Timorese militairen ons vanuit de schaduw van een grote boom vriendelijk toe.
      Een douanier zette zonder omhaal de stempeltjes in onze paspoorten, een ander plukte wat lusteloos en uitsluitend voor de vorm aan wat spulletjes in onze tassen. Iemand vroeg of we een taxi naar de 15 kilometer verderop gelegen hoofdstad wilden maar na enig heen en weer gepraat moest er toch geconcludeerd worden dat er helemaal geen taxi wás. Motortaxi’s, die waren er wel en vrijwel direct startten twee jongens hun motoren en reden voor. Ze namen onze tassen voor zich op de benzinetank, we kregen een helm en klommen achterop.
      Kijk, zo hoort het, dacht ik nog, terwijl ik met mijn handen houvast zocht. Zo hoort het als je een slaperige, geïsoleerde en wellicht wat vergeten tropische exclave in wilt rijden. Dan moet er geen luxe taxi klaarstaan, of erger nog een lijnbus, nee dan zou je lopend of, ok, achterop een motor zigzaggend het slecht onderhouden en lastig begaanbare wegdek richting het exclavisch onbekende tegemoet moeten treden.

Tegen een achtergrond van een grillige diepgroene bergketen draaiden we het grensgebied uit.
        Nog geen halve minuut later moest ik mijn verwachtingen bijstellen.
Voor ons strekte zich een prachtige vierbaans snelweg uit, ongerept glad asfalt kronkelde zachtjes tussen de zee en de bergen westwaarts.

In de middenberm stonden om de 25 meter lantaarnpalen te blinken in de zon. Grote borden gaven in letters die ongetwijfeld ‘s nachts in het licht van koplampen zouden oplichten aan waar iedere afslag zoal heenvoerde.

Voetgangers

Maar er was geen verkeer. De weg was leeg. Afgezien van wat voetgangers of andere motoren kwamen we niemand tegen. Geen enkele auto kruiste ons pad en de motoren die we tegenkwamen gebruikten de twee dubbele snelwegbanen als twee parallelle tweebaanswegen.

We reden door tot aan Pante Makassar, het hoofdstadje waar alle wegen bleken te zijn rechtgetrokken en voorzien van asfalt en brede trottoirs met veel te hoge stoepranden. De kruispunten waren veranderd in grote rotondes.

Voor het oversteken waren brede zebrapaden op het wegdek geschilderd en er was een permanent squadron werkers in de weer om het fraaie wegenstelsel blijvend te ontdoen van vallend gebladerte of ander vuil. Maar verkeer was er nauwelijks.

 
Hobbelpad

Buiten de stad, verder naar het westen, liep de weg nog zo’n tien kilometer door en eindigde in een prachtige brug over een brede rivierdelta.
      Na de brug hield het asfalt abrupt op en veranderde de weg in een stoffig hobbelpad tussen de rijstvelden.

 


Beesten

Het was een vreemde gewaarwording de beslist niet rijke exclave doorkruist te zien door dit gloednieuwe wegenstelsel dat berekend leek op misschien wel honderd keer meer verkeer dan er daadwerkelijk was. Vijf jaar geleden was het allemaal met het verwachtingsvolle oog op grootse verandering aangelegd, maar vijf jaar later bleek er niets veranderd aan de ontwikkeling van Oecusse en zijn de straten leeg gebleven.
      Hier en daar liepen wat beesten langs de weg.