Het mooie dorpje Sønderho

  

Fanø in Denemarken is het meest noordelijke Waddeneiland, maar maakt volgens deze kaart geen deel uit van het UNESCO Werelderfgoed.
      Dat lijkt mij onterecht en ik zal uitleggen waarom.

    

Het is een prachtig eiland met zo’n 15 kilometer ononderbroken breed strand, met bossen en duinen en twee aantrekkelijke plaatsjes: Nordby en Sønderho.
      Vooral dit laatste dorp is zeer de moeite waard om te bezoeken.
Het werd in 2012 door de Denen uitgeroepen tot mooiste dorp van het land.


   

Je kunt er komen per veerboot vanuit Esbjerg. Nog geen kwartier varen. Er is een bootje voor voetgangers en fietsers en een ferry voor auto’s.

   

Een retour voor een auto en maximaal negen personen kost 195 Deense Kroon. Omgerekend is dat circa € 26,70. De inwoners van Fanø vinden dat veel, want ze zijn voor een belangrijk deel van hun inkomsten afhankelijk van het toerisme. Ik lees ergens dat er per jaar zo’n 30.000 toeristen komen. Ik betwijfel of dat klopt, want het lijkt me bijzonder weinig voor zo’n mooi eiland.
(Ter vergelijking: Texel ontvangt per jaar ongeveer 1 miljoen bezoekers; een retourticket voor een auto en max. negen personen kost daar € 37,--)

   

Sønderho heeft kleurige huizen met rieten daken, want het riet groeit daar volop. Ze staan vrij dicht opeen. Er lopen tussen de huizen door voetgangerspaadjes, die het allemaal intiem maken.
      De huizen staan in verband met heersende winden min of meer in gelid. De daken in het zuiden worden het meest geteisterd en moeten om de paar jaar hersteld of vernieuwd worden. Een enkel huis staat door ruimtegebrek ‘’verkeerd’’.

   

   

 

Dat leren we tenminste van Robert Peel. In een plaatselijk café sprak hij ons aan in vlekkeloos Engels.
Of we soms uit Nederland kwamen.
      Hij bleek een Engelsman, die zich op dit eiland gevestigd had. Tenminste in de zomer, want in de winter was het er veel te koud en te nat. Robert had ook in Nederland gewoond en bleek goed Nederlands te spreken.
      ‘’Of we 27 minuten de tijd hadden’’. Dat hadden we.
Het bleek voldoende voor een rondleiding door het dorp.

 

Na een tocht over smalle paadjes eindigen we bij een decoratief wandbord, waarop de geschiedenis in voor- en tegenspoed is verbeeld.
      Een voor zo’n klein dorp rijke geschiedenis met op het bord een zogeheten welvaartslijn waarop economische invloeden duidelijk herkenbaar zijn. Rampen, oorlogen, bloei en rijke visvangsten volgen elkaar op.

   

Een bord ook met een kritische ondertoon. Kijk eens naar dit tegeltje.
      Volgens Robert Peel zitten er te veel zeehonden rondom het eiland met als gevolg dat er vrijwel geen vis meer in de zee zit. De plaatselijke overheid wil daar maatregelen tegen nemen, maar wordt tegengewerkt door een Deens alternatief voor ‘’Wakker Dier”.
      Het was de bedoeling dat de tegel met de zeehond onder de paraplu in Delfts Blauw zou worden gefabriceerd bij de Koninklijke tegelfabriek in Makkum Friesland, maar dat bleek veel te duur.

     

Kritiek is er ook op de Kopenhagers, die op Fanø een tweede huis hebben. ‘’Te arrogant’, vindt de plaatselijke bevolking. En ze ‘’doen maar wat’’. Verven hun huizen in kleuren en strepen ‘’alsof het wenkbrauwen zijn’’.
      Op het bord komt dit tot uitdrukking door de K (Kopenhagen) op het oude nummerbord.

  

In de haven van Sønderho lagen in 1980 nog zo’n 30 schepen.

  

Nu is het dichtgeslibd. Er zijn plannen om de boel uit te baggeren, maar ook dit ondervindt weerstand.

  

Buiten het dorp is daar allemaal niets meer van te merken. De duinen zijn hoog en het strand is breed.

  

Overstromingen waren er in het verleden ook. Op deze paal staan de jaartallen van de laatste twee eeuwen. De hoogste stand werd bereikt in 1839.