Van Pori in Finland naar Mars in Zutphen 

  

Polderverval

Treinen van Amsterdam naar Zutphen is niet langer een reis door de tijd. De dubbeldekker lijkt een rondje te rijden. In plaats van oost naar west. Er verandert niets meer. Vanuit het raam kijk ik honderd kilometer lang naar hetzelfde. Vroeger kon ik me nog plaatsvervangend schamen dat ik dwars door de Hoge Veluwe stoof.
      Nu hebben de Ceaucescus van het poldermodel die aan mijn oog onttrokken door glashoogbouw en informatie-industrieterreinen. Binnen merk ik het aan mijn medepassagiers; dertig jaar geleden kwam ik gaandeweg het traject in een andere wereld. Amersfoort was het point of no return. Daar viel ik uit het Magische Westen of slokte het me op.
      Daar ging het naar Twente ruiken, of nog erger naar de Achterhoek.  Dialecten volgden elkaar op, zwijgzame Hollanders die vreemde kranten als het NRC en De Groene lazen, stapten uit voor provincialen, met de Margriet of de Graafschapbode, die toevallig de buurvrouw in de coupe ontwaarden. Nu is men hetzelfde. De poldertaal verdringt elke andere tongval. In plaats van rabarberrabarber hoor ik lindademollindademol.
      Iedereen boven de zestig lijkt gegoededood of gefacelift. Men is jong, de mannen scheren zich glad, de vrouwen hebben een blond staartje. Men lult naar harte lust, veelal in een reistelefoon. Ik zit naast iemand die HP/De Tijd of zo'n ander fusieproduct koopt. Ik merk dat hij slechts de advertenties leest.

Zutphen in 'n nevelige zondagochtend. De meubelboulevard is open. Uit de radio van een geparkeerde auto schalt het nieuws van tien uur. Ik zou wel naar een mis willen, die heb je in Finland niet. Rond de kerk bij mijn oude school is het echter doodstil.
      Ik loop enige keren tevergeefs rond het gebouw op zoek naar een deur die uitnodigend openstaat. Volgens het bordje op de ingang zou hier wel degelijk iets van zingevende aard moeten plaatsvinden op dit tijdstip. Maar misschien is het ding inmiddels bestemd als bankfiliaal of sportschool. Ik loop naar de IJssel en onder de spoorbrug door, langs Reesink en waar Lovable ooit bh's maakte. Als kind speelde ik al veilig tussen de verroeste spoorbilzen. Hier is sindsdien niets veranderd maar dat komt omdat er al lang niet meer van dit soort industrie is.

      De Mars.
      Eigenlijk de Marsweg.

Een lange, gebogen straat met woninkjes, de rest is bedrijfsterrein en parkeerplaats. Ik weet wat ik hier niet meer zal vinden. Veertig jaar terug kwam ik hier op zondag om naar het voetballen te kijken. Naar Be Quick. Be Quick, het Ajax van Zutphen, in dezelfde karakteristieke shirts maar dan in blauw.
      Het Be Quick van de kalende doelman Piet Bethlehem, die ik ook wel eens buiten De Mars aantrof op zijn fiets met een blik boterhammen onder zijn bagagedrager. Het Be Quick van Jac. Woltman; één van de drie of vier broers Woltman in het eerste elftal. Jac. schoot er in 1970 ruim veertig in, Be Quick werd toen kampioen van de oostelijke amateurs.  
      Ik weet dat ik Be Quick hier niet meer zal vinden. Dertig jaar terug reeds, verhuisde het weg van De Mars. Evenals dat andere Ajax wilde het een 'modern imago'. Het balt sindsdien anoniem in de derde klasse. Het Be Quick-veld van toen is nu een volkstuin. Verder is de straat niet veranderd. Winkels zijn hier niet, kerken ook niet, auto's weinig.
      Het is bijna stil. Drie kinderen spelen op een stapel hout. Vrolijke zuidelijke ogen kijken naar de vreemdeling in hun straat. Vroeger voelde ik hier ogen in mijn rug priemen. Het verliet me pas als ik me onder de massa langs de lijn mengde. Ik loop de straat helemaal uit totdat ik voor de kruising van de IJssel met het Twentekanaal sta.   Ik wandel de dijk op. Rechts van me staat de IJssel roerloos in de nevel. Twee mensen lopen over het terrein van de visclub.

Aan hun achterzijde zien de huisjes links van me er nog meer vertrouwd uit. 'n Man op klompen kleppert over de tegels achter zijn woning. Hij staat stil voor een hok waaruit gekoer opstijgt. 'n Duiventil. De man is een duivenmelker. Ik was het geluid vergeten. Vergeten dat het koeren heet. Vergeten dat het bij de zondagochtend hoort.
       In een opwelling wil ik naar beneden lopen om hem te vragen of Piet Bethlehem daar nog woont. Maar waarom zou ik die man storen? Voor hem is Piet Bethlehem waarschijnlijk de beste keep ter wereld gebleven. De dijk geeft weer weg naar het begin van de straat. Ik zie een telefooncel. Nederland is verkaart en zelfs deze werkt niet meer op muntjes. Eén ding is dus wel veranderd op De Mars. Ik bel vrienden op om te zeggen dat ik thuisgekomen ben.

Audio 7

 Radioportret van Joop Wassenaar.