Van Lissabon naar Bissau

  

Time out in Bissau

Guinee-Bissau, aan de Westafrikaanse kust ten zuiden van Senegal, en zo groot of zo klein als Nederland, werkt verslavend. Dat is wel duidelijk na mijn bezoek in januari
2005. Binnen het jaar ben ik, branco pelelé of foté (blanke) weer terug en word ik meteen na aankomst al ondergedompeld in het menselijke warme bad waar Guinee-Bissau een patent op heeft. Kuma de korpo? Korpo esta bem! Djarama buí!. Hoe is het met je lichaam? Lichaam is oké! Dank je zeer!
      Anders dan die andere vroegere Portugese koloniën is Guinee nooit verwesterd. De Guineenses behielden hun tradities, godsdiensten en niet te vergeten, hun strijdlust. Altijd verzet gepleegd tegen de koloniale overheersing en Portugal kreeg er feitelijk nooit een voet aan de grond. Portugees wordt er maar matig gesproken en Creools is de officieuze voertaal. De onafhankelijkheidsoorlog was fel, duurde ruim tien jaar en het Portugese koloniale pleit werd hier in Guinee beslist.

                                                                                                    Halve kantoorstoel  

Een visum aanvragen bij de ambassade van Guinee-Bissau in Lissabon is al een goede opmaat: uiterst vriendelijk, nogal chaotisch, met onduidelijke rijen geduldig wachtende mensen. Afgedankte computers en een halve kantoorstoel midden op het dorre gazon. Dan, daags na Kerstmis, landen we in het holst van de nacht in Guinee en brengt de rammelende helblauwe zesdehands Mercedes taxi ons naar het centrum van Bissau. Eerste verrassing: de straatlampen van de grootste avenida branden weer! Zou de vers gekozen president Nino het land dan toch een nieuwe, betere, koers bezorgen?
      Eerste reisdoel, samen met mijn vrouw Teresa: de Bijagós-achipel, tientallen bounty-eilanden op 50 kilometer van de kust. Ruwweg één-derde van het land bestaat uit water. De kust moet vele duizenden kilometers lang zijn door ontelbare kreken, inhammen en forse rivieren die tot diep in het binnenland reiken. Een groot soort Biesbosch. We hebben een boot gehuurd van een milieuorganisatie die ons vandaag zou overzetten, maar ja, grote golven, en waar is de kapitein? Die wordt de volgende dag gevonden, en zo staan we tegen zonsondergang op Bubaque, het enige eiland met een verharde hoofdweg.
      De Portugese Dora heet ons warm welkom met een steenkoud biertje en een week lang verkennen we Bubaque en omliggende eilanden. Vogelliefhebbers, kies Bijagós als reisdoel! Rond de één miljoen zweef-, drijf-, en loopsijzen uit het hoge noorden overwinteren er. Je struikelt er over de krombekstrandlopers (mooi woord voor Scrabble), kanoeten, tureluurs maar ook koningssterns, zadelbekooievaars (Scrabble!), pelikanen, flamingos en zeearenden.
      Sinds een paar maanden haalt Bijagós het internationale nieuws en de agenda van de VN echter om een heel andere reden: als doorvoer route van drugs uit Latijns-Amerika. Zo vonden dorpelingen onlangs op het strand duizenden pakketjes met wit poeder dat ze op de lokale markt verkochten als kunstmest. De salades smaakten inderdaad overheerlijk.

                                                                                                                     Telejornal 

Het Telejornal van Bissau brengt omstandig de opperbevelhebber van de strijdkrachten in beeld met de dringende oproep: “Soldaten, gebruik uw geweren niet met de jaarwisseling! Er mag niet geschoten worden!” En denk er aan: “tussen 24.00 en 01.00 mag er geen auto worden bestuurd.”
      Teresa keert terug naar Lisboa, en René Zwaap, vliegende free-lance reporter, landt. We hollen van afspraak naar afspraak. René is vooral nieuwsgierig naar de gevonden olievoorraden voor de kust van Bijagós. Maar telkens als het woord `olie´ valt, stokt het gesprek. Het is een taboe in Bissau. En stel dat het staatsinkomen (nu 60 miljoen dollar) er al door zou verdrievoudigen, wat zou de bevolking er van merken? Kijk maar naar Angola.
      Geen bezoek aan Bissau zonder een gesprek met de Honorair Consul voor Nederland én het Verenigde Koninkrijk. Maar bij onze binnenkomst in het kantoor boven zijn supermarkt, gooit Jan van Maanen een Gemenebest-paspoort voor onze neus. Op naam van Brandon Charles Clarke, ruim 84 jaar. Jamaicaan. “Hij overleed gisteren, geen familie, nauwelijks bagage, en hij begint al niet zo best te ruiken”. Wij mee naar het belendende hospitaal waar Johannes Mooij, ook Nederlander, lid van de directie en verder-voor-van-alle-klussen, de lijkenzak al aan het dichtritsen is. Een TAP label zit er nog op, van een vorige lijkenzending. We scheuren achter de ambulance aan richting Atuna, de grote begraafplaats van Bissau en daar wordt Clarke, hup, in een armengraf gedeponeerd. Adieu, Brandon, wie zal je ergens ter wereld missen?
      Dan langs bij John Blacken. Eind vorige eeuw was John Amerikaans ambassadeur in Guinee. Keerde terug, trouwde een Guineese vrouw en leidt nu een organisatie die landmijnen ruimt. Mijnen liggen er genoeg in Guinee. Portugal ruimde niet eens zijn eigen troep op na afloop van de koloniale oorlog, toen kwam die ellendige burgeroorlog (1998-1999) en nu sluimert er nog steeds het conflict om de Casamance, de grensstreek met Senegal, met maar liefst twee rebellenbewegingen. Blacken´s kantoor is gelardeerd met allerlei kwalijk mijnenspul en aan de muur hangen foto´s van een jonge John samen met Ronald Reagan.
      Of we wat gevaarlijke munitie in het echt willen zien? Dat willen we, en zo rijden we naar Brá, even buiten Bissau. Een vroegere kazerne waar tijdens de burgeroorlog een Senegalese bom midden in het munitiedepot terecht kwam (ja, de Senegalezen deden ook mee, en sleepten bovendien het hele nationale archief van Guinee richting Dakar). Naar verluidt, was de klap enorm en de kazerne meteen een ruïne.
      Al na de eerste meters stuiten we op stapels onontplofte bommen, mortiergranaten, en AK47-geweren. Verderop heeft iemand het hoge, droge gras in brand gestoken. Of dat niet gevaarlijk is? “Welnee”, zegt John, intussen zijn jeep half op een levensgrote bom parkerend. Enige tellen later een reuzenklap: een mortier gaat de lucht in. Dichtbij de plek waar René zojuist de krater van het munitiedepot werd getoond. Later spreken we anderen aan over Blacken. “CIA”, wordt er gefluisterd.

                                                                                                                     Onvrede  

De lantaarns aan de Avenida Amílcar Cabral mogen ´s nachts dan branden, willekeurige gesprekken leren dat er grote onvrede heerst: de overheidsambtenaren wachten al maanden op achterstallig loon en juist rond de kerst komt dat extra hard aan. En dat valt nog in het niet vergeleken met João Cunde Balde uit Mampatá die voor de electriciteitsmaatschappij werkt en al 71 maanden op zijn loon wacht.
      En verder blijft hier de politiek op dorpsniveau door etteren: de pas benoemde regering van president Vieira zou ongrondwettelijk zijn. Dus vroeg de minister van Justitie het hooggerechtshof om een oordeel. En de opperrechter van dit hof is de echtgenote van de minister. Symbolisch is dan ook de plaatsing van het oerlelijke borstbeeld van de vader van de natie, Amílcar Cabral: met zijn rug naar het vaderland gekeerd, zijn verstand op nul en zijn blik op oneindig, de zee.

                                                                                                                      Time Out  

Time out in Bissau. 
       We kunnen zo al een eenvoudige reisgids schrijven: het beste restaurant? Tá Mar. Slapen? Dona Berta´s Pensão Central (kamer 7!). Postkaarten? Alleen bij GSM in Santa Luzía. Informatie? Jan van Maanen (regelt eventueel ook je begrafenis!). Perskaart? Senhor Pereira (“de minister is nog éven in gesprek”). Beste terras om ´tout Bissau´ voorbij te zien komen? Baiana. Ga je naar het gat dat Buba heet? Praat met Alí Ousmane (en zeg maar dat je namens ...). Geen restaurant te vinden op Bolama? Vraag naar Dona Maria van de apotheek.
      Ah, Bolama!
      Het eiland dat tot 1941 de koloniale hoofdstad was. Eén groot filmdecor. Die veranda´s, dat machtige plein voor het gouverneursgebouw. Maar alles deerlijk vervallen. Hotel Turismo staat er nog maar voor één-derde. Gigantische lantaarnpalen, die op het parkeerterrein van Schiphol niet zouden misstaan, branden helaas ´s nachts niet. Geen diesel voor de generator. Ja, twee dagen met kerstmis maar toen waren wij er niet.
      Drie dagen trekken we voor Bolama uit, en net als vorig jaar wordt het een feestelijk bezoek. Logerend in het gastenhuis van het ministerie van visserij, aan het water. Een prachtige plek om het ongeëvenaarde “Evenaar” van de Portugees Miguel Sousa Tavares uit te lezen (in een prachtige vertaling van Harrie Lemmens, uitgegeven bij Ambo. Een echte aanrader, alleen jammer dat het maar 400 bladzijden telt).
      De grote getijdenverschillen, de talloze vogels die langs-paraderen, de vissers, de kano´s met kleine zeiltjes van nylon voedselhulpzakken vormen samen met de ondergaande zon een altijd fraai décor voor foto´s die we later in het archief onder het label `zeemeeuwenseks´ zullen opbergen. Dona Maria (ja, die van de apotheek) houdt ons in vorm met forse borden rijst en vis.
      Alle koloniale standbeelden zijn na de onafhankelijkheid in 1974 van hun sokkels gerukt. Ook dat van de Amerikaanse president Ulysses Grant die in 1870 bemiddelde in een dispuut tussen de Engelsen en de Portugezen. Bolama ging naar Portugal en als dank kwam er zijn standbeeld. Maar waar is Ulysses nu? Uiteindelijk vinden we zijn bronzen onderlijf, in stukken, in de garage van het vervallen paleis van de gouverneur. Maar zijn hoofd ontbreekt.
       Een ander aspect van het koloniale verleden wordt opgerakeld door de blanke Tomás José Sampaio, geboren (1922) en getogen op Bolama. De oude bok doet het nog best want nog niet zo lang geleden hertrouwd met een Guineese vrouw en alweer drie fraai gekleurde kinderen van 4, 6 en 10 jaar.

                                                                                                                           Skelet

Ook de excursie naar de vruchtensappenfabriek (Scrabble!) is leerzaam. Eind jaren zeventig neergezet door de Nederlandse ontwikkelingshulp, een tijdlang draaiende gehouden door Nederlandse technici en toen overgedragen aan de staat. Nu staat er alleen nog het skelet en in de dichtbegroeide bush vinden we stapels etiketten. Het Nederlandse idee was goed: breng de fabriek naar de grondstoffen want Bolama produceert het meest prachtige fruit. Maar de machines, de onderdelen, de brandstof voor de generatoren, de pectine, het potje, het etiket en het dekseltje moesten allemaal worden ingevoerd van buiten Guinee-Bissau. En, tja, geen deviezen.
      René en ik besluiten ter plekke tot de oprichting van Pelelé Tours. Vogel-, kano- en andere excursies voor kleine groepen Afrika-liefhebbers. We keren terug naar Bissau. Twee uur met een 18 meter lange kano (piroga) met een flinke buitenboordmotor onder het straffe bewind van een scherp sturende kapitein Ivo. Ruim honderd passagiers gaan er mee plus nog een paar ton aan vracht. De zon zakt en de kleuren worden voller terwijl flamingos show-rondjes boven ons draaien.
      Dan vanuit Bissau koers gezet richting Buba in het zuidwesten. Vroeg naar de buitenwijk Brá, waarvandaan alle toko-toko´s in alle windrichtingen vertrekken. Een vrolijke chaos, lang wachten, maar de verkoopstertjes met koele dranken, cakes en imitatie Rolex horloges maken veel goed. De branco-pelelés kopen drie kaartjes voor hun tweeën wat enig extra comfort geeft en begeleid door vrolijke tinkel-tinkelmuziek stuurt onze chauffeur zijn Mercedes Funk-Bus (ooit in bedrijf in München) met élan langs de forse gaten in de weg. Verderop ontaardt de rit in een soort van Dakar-rally waarbij onder luid gejoel van de 28(!) passagiers de `Siertuin van Eggendonk´ en `Maxi´s Conditorei, Luzern´ worden ingehaald.
      Ik herinnerde me Buba heel anders van mijn bezoek in 1979. Wat een gat! Maar de ligging aan de rivier en het warme welkom door de Roemeense Gabi in haar gastenhuis Bela Vista maakt veel goed. Gabi trouwde in Boekarest een Guineese student en woont hier sinds 1984. Roemenië zegt haar nauwelijks meer iets maar hier is het ook niet alles. En nauwelijks gasten behalve wij dan nu... De bar “O Contentor” scharrelt wat eten bij elkaar en er is (erg kurkige) wijn uit de Alentejo, en koud bier, en Gomes de barman behandelt ons als vips.
      Buba heeft eigenlijk maar één hoofdweg met het huis van de gouverneur als fraaiste orientatiepunt en eindigt aan de rivier de waar de coaster Thameswood uit Londen ligt weg te rotten. Het water is bij hoog tij zo breed als de Waal bij Gorkum en bij laag water zo smal als de Eem bij Baarn. Kano´s, sijzen, ondergaande zon, kortom: zeemeeuwenseks.

                                                                                               Rottende  archeologie

We lopen de lange weg landinwaarts af. Daar staat een mooi voorbeeld van industriële archeologie. Als aandenken aan de tijd dat de zaken nog min of meer liepen. Een spaanplaatfabriek, door de Zweden neergezet, acht jaar lang draaiende gehouden door allerlei Elvströmen en Eriksonnen en toen met een groots gebaar aan de staat overgedragen. Nu ligt ook dit complex weg te rotten maar de vroegere hoofdtechnicus senhor Moreno ontvangt ons vriendelijk in zijn met Ikea gemeubileerde pre-fab huis.
      Twee andere ex-werknemers voegen zich bij ons en het wordt een treurige excursie langs enorme machines en gestrande Volvo- trucks. In Buba geniet Holanda nog steeds een stevige reputatie middels een groots waterproject in de jaren tachtig dat voor 800 drinkwaterputten zorgde. Hoeveel er nu nog werken is onbekend, maar we zagen toch nogal wat pompen die het deden. Een afspraak met een Guineese ex-functionaris van het Nederlandse project leidt tot consternatie. We komen ruim een uur te laat terwijl de goede man dacht: Nederlanders! Punctualiteit!
      René keert terug naar Bissau waar hij nog meer te weten wil komen over de olievoorraden (en wat hij te weten kwam, klonk niet best. Lees zijn ervaringen in De Groene Amsterdammer). Ik blijf nog een dag in Buba en krijg een lift van vissers, de lange en trage rivier op. Ik maak een praatje met senhor Torres, een klassieke koloniale Portugees die vis- en jachtexcursies organiseert. Ik had al gehoord van zijn niet zo beste reputatie en sterk achterstallige loonuitkeringen (28 euro per maand) aan de plaatselijke arbeiders. Torres: “ik ben hier om rijk te worden, niet om de Guineërs rijk te maken”. 
      Die avond lukt het om met Lisboa te bellen via een mobiel nummer. En daarmee kom ik gelijk op wat wel de grootste en meest revolutionaire verandering in Afrika lijkt van de laatste jaren: ook in Guinee-Bissau kan nu vrijwel in alle uithoeken mobiel gebeld worden! Ineens contact tussen Abubácar in het diepe zuiden met zijn familie in Bafatá in het oosten! Het land wordt ontsloten, en het isolement van veel afgelegen streken is snel aan het verdwijnen.

                                                                                                                      Verleden

De niet-gouvernementele organisatie Acção para Desenvolvimento, AD in de wandeling (Actie voor Ontwikkeling) heeft me uitgenodigd om een week lang haar projecten in het zuidelijke Tombali en met name de tropische wouden van Catanhez te bezoeken. Ik krijg een lift van Pepito, de directeur. Pepito is een nationale figuur in Guinee. Hij richtte AD 16 jaar geleden op en, het moet gezegd worden, zijn club doet het voorbeeldig. Kleinschalige projecten met een grote participatie van de bevolking. Of liever, AD faciliteert (boort de nodige financiële bronnen aan en coördineert), de bevolking is eigendom van haar eigen activiteiten. Meer dan elders in Guinee is hier de invloed van het verleden merkbaar: dit was de regio waar de bevrijdings-beweging PAIGC het Portugese leger letterlijk uitrookte.
      We stoppen in Guiledje, in heel Guinee-Bissau een begrip en voor veel Portugese oud-militairen het equivalent van een nachtmerrie. Een Portugese legerplaats die voortdurend onder vuur lag van de PAIGC-strijders, en toen Guiledje op 22 mei 1973 eenmaal viel, werden alle acht kazernes in de regio binnen enkele weken tot overgave gedwongen.
      Vijf maanden en één dag later verklaarde Guinee-Bissau zich eenzijdig onafhankelijk en op 23 september 1974 kwam de definitieve onafhankelijkheid, erkend door Portugal. Voor de Portugees lezenden: veteranen houden een weblog (blogueforanada.blogspot.com) bij die een goed beeld geeft van de gruwelijke (en de heel soms vrolijke) ervaringen van eenvoudige jongens uit de Alentejo en Trás-os-Montes die geen idee hadden waar ze verzeild waren geraakt.
      Hoewel een ruïne, is de lay-out van de kazerne nog goed te zien: de omheining, de tabanca (dorp) van de lokale bevolking die als menselijk schild diende, de kantine, de kapel, de werkplaats met talloze autowrakken waar bomen dwars doorheen zijn gegroeid, de landingsbaan, de kanonnen en het munitiedepot waar nog flink wat onontplofte granaten rondslingeren.
      Verder op weg naar Iemberem, het hoofdkwartier van AD. Een agent gebaart ons te stoppen. `Imposto-cerveja´ , bierbelasting, mompelt Pepito. Maar nee, de agent wil graag weten waarom Radio Lamparám al enige dagen uit de lucht is. Ook een initiatief van AD: de gemeenschaps-radio. Net zoals Radio Kassumai in het noorden, Djalicunda in het oosten en Quelelé in Bissau razend populair. De weg is bedroevend slecht, we doen een vol uur over 20 kilometer en zelfs van deze forse jeep hangt regelmatig een van de wielen in de lucht.

                                                                                                             Prachtig dorp

Iemberem, een prachtig dorp met één hoofdstraat. De antenne van Radio Lamparám als orientatiepunt. Het marktje, de moskee (de meerderheid is moslim), de bar, de discotheek en, tegen het bos aan, het kampement van AD. ´s Avonds paradeert ´tout Iemberem´ langs om Pepito te begroeten: de régulos (traditionele hoofden), de Homem Grande (de religieuze leider), de administradora (het districtshoofd), en verder iedereen die er hier een beetje toe doet.
       Ik noteer ijverig namen in mijn zakboekje en krijg allerlei suggesties voor “Time out in Iemberem”. Mijn programma voor de komende week is meteen vol en elke dag neemt een andere persoon mij op sleeptouw, onder het wakend oog van Abubácar Serra, de plaatselijke AD-directeur. Pepito vertelt met verve tot laat in de nacht. Over de tegenslagen, de corruptie, de burgeroorlog, de onmogelijkheid om plannen te maken (en de donoren willen liefst tienjaren schema´s!) als je vanavond niet weet of er morgen een staatsgreep in Bissau wordt gepleegd, maar vooral over de successen.  
      Zo heeft de streek nu een medische post, scholen, goed drinkwater en electriciteit (dank Lister-Petter!) terwijl het nieuwe milieuproject goede vorderingen maakt. Zo zijn er corridors gecreëerd voor grootwild uit het nabije Guinee-Conakry, werkt de bevolking steeds beter mee aan het beschermen van de flora en fauna in de enorme matos, wouden, en wordt er gejaagd en gevist volgens gemeenschappelijk afgesproken quotas.
      Olifanten komen hier (nog) niet, maar geregeld zien we gazelles, everzwijnen, en talloze onstuimig uitgedoste vliegsijzen, zoals de geelhelmneushoornvogel – 3x woordwaarde! - (officieel Ceratogymna elata geheten).  En, last but not least, herbergt Catanhez de meest westelijke Afrikaanse levensvatbare populatie van daris, chimpansees! Er zijn vergevorderde plannen voor eco-toerisme en de eerste natuurgidsen hebben zich al aangemeld voor cursussen Frans en Engels. U hoort nog van Pelelé Tours!

                                                                                                           Braima Galissa  

Een lovenswaardige aktiviteit van AD is ook het verzamelen van de levensverhalen van de oudere régulos, waarvan sommige al over de tachtig zijn. Hun portretten ontbreken nog in het archief en Pepito is in zijn nopjes met mijn aanbod om die te maken. Zo sjouwen we die week van régulo naar régulo en krijg ik hun indrukwekkende verhalen te horen.
       Zo besloot Braima Galissa, nu 84 jaar jong, om samen met de hele bevolking van zijn tabanca over te lopen naar de PAIGC. Pas bij zonsopgang merkten de Portugezen dat het hele dorp leeg was, letterlijk geen kip meer te zien. Het waren drie taaie jaren in de bush geweest, honger, ziekte en Fiat- straaljagers die napalm- en fosforbommen strooiden (bedankt, NATO! Bedankt, Joseph Luns!).
      Mamadu Séidi, anno 1915, die nog drie jaar in het Portugese leger in het Aziatische Macau diende. En Alaíji Salifo Camará, 82, gaat nog verder terug in de geschiedenis en geeft in een uur een heuglijke geschiedenisles: over het Kaabu-rijk, de slavernij, de conferentie van Berlijn, de Portugese pacificatiecampagnes eind 19e eeuw. Hij begint te haperen als hij bij de onafhankelijkheid van Guinee-Bissau arriveert. Hij zucht: “en vandaag is het nog wel de sterfdag van onze nationale held Amílcar.” (Amílcar Cabral, oprichter van de bevrijdingsbeweging PAIGC en op 20 januari 1973 in Conakry vermoord, E.S.).

Tja, die onafhankelijkheid heeft maar bitter weinig opgeleverd, zelfs de weg wordt al tientallen jaren niet meer onderhouden en daarom doet de onder hem resorterende bevolking het maar zelf (en goed!). De Tombali-regio is de graanschuur van Guinee. De bolanhas (rijstvelden) produceren de mooiste rijst van de wereld maar de oogst van vorige zomer viel tegen door te weinig regen en als de oogst al goed is, kunnen we die nauwelijks kwijt.
       Geen afvoerwegen en de gratis rijst uit China en Thailand draait de handel van de kleine boeren de nek om. De Wereldbank was nog wel zo goed om vier prachtige betonnen kades met kranen aan te leggen maar helaas, er loopt geen weg naar toe. Dat was volgens de bank de verantwoordelijkheid van “Bissau.” “Ha”, hoont Alaíji, “Bissau… Wij regelen onze zaakjes hier zelf wel.”
      Ik wil graag naar Caxixe, waar ik veel over hoorde en dat destijds een Portugese enclave was, omringd door `marxistisch-leninistische terroristen´. De boot die me overzet is nogal hoekig maar in perfecte staat. Van aluminium, naar blijkt. Achterin zit een koperen plaatje en ik noteer:

Corps of Engineers, US Army – Ponton Half, Aluminium M4 for floating bridge, M4.

Manufactured by Consolidated Builders Inc., Portland, Oregon.

Model Nº M4 - Serial Nº 1491 - Dated Dec. 28, 1944

Dát spreekt tot mijn verbeelding want die ponton zou best eens over het Wilhelminakanaal bij Spoordonk dienst hebben kunnen gedaan. Zo verbindt de vroegere brug van Oosterhout nu toch ook de oevers van de rivier de Púnguè in Mozambique?
      De volgende dag vroeg op pad, ik ken de weg al redelijk en terwijl de zon nog niet op is, zie verderop, midden op de weg, een paar levensgrote, pikzwarte chimpansees. Ze zien mij ook, gaan rechtop staan en beginnen angstaanjagend en oorverdovend te brullen alvorens in de mato te verdwijnen. Even later loop ik een groepje minjéres, vrouwen achterop. Met netten, gespannen om een hoepel, en een emmer op hun hoofd.
      Ze gaan vissen en ik vraag of ik mee mag. Gegiechel. Rare vogels, die fotés, zie ik ze denken. Het water in de rivier begint al wel te stijgen maar de modderige oevers zijn nog breed. Vederlicht en razendsnel huppelen de dames over het modderige talud naar het water. Ik trek mijn schoenen uit en loop ze achterna met mijn camera´s over mijn schouders. Eerst gaat het nog goed maar dichter bij het water zink ik roemloos tot aan mijn kruis in de drijfmodder. De vrouwen barsten uit in daverend gelach als ze mij als een levend statief zwaar verankerd in de modder zien fotograferen.
      Ik kan geen kant op, de camera´s op de ´grond´ leggen is geen optie want die dierbare Leica-M zou onmiddellijk zinken. Dan komt de redding in de persoon van senhor Bissoram die bezig was op zijn akker, even verderop, en nieuwsgierig is geworden door het geschater van de vissersvrouwen. Ook hij huppelt naar mij toe, neemt de camera´s over, brengt ze in veiligheid en komt terug om mij uit de zuigende modder te trekken.
      Als dank schenk ik hem mijn bootmes met de ontelbare functies waarmee Bissoram dik tevreden is. Daarvoor wil hij me nóg wel een keer redden en zo geschiedt want uit een andere hoek, met tegenlicht, zijn de vissende dames nog veel mooier…
      Terwijl thuis senhora Duturma mijn voorraad Biotex (`voor uw vakantiewas´ - uit de winkel van Jan van Maanen) op de pikzwarte kleren los laat, is voor mij die altijd al intense voldoening van een koele emmer water over je kop nu extra groot. Dan uitblazen op de koele veranda met een koude pils en een sigaar, - het leven is prachtig.
      ´s Avonds krijg ik weer les vam Mamadu Silá in Creools, en leer ik: minjéres di Guiné tá panha pis tiú (de vrouwen van Guinee vangen veel vis). In de hoofdstraat klinkt tumult: op een levensgroot scherm projecteren Braziliaanse missionarissen een mierzoete film over het leven van Jezus Christus. Opwinding maar een wereldcupfinale voetbal had het waarschijnlijk nóg beter gedaan.

                                                                                                                      Vliegsijs 

De laatste dag in Catanhez en nog één ronde langs de enorme bomen waaronder de 60 meter hoge Copaefera Salicunda, waarvan er slechts vier exemplaren in Guinee bekend zijn. Komt uit Brazilië. Maar hoe? Een zaadje overgevlogen door een vliegsijs?
      Die middag word ik weer ruw geconfronteerd met mijn eigen ontwikkelingshulpverleden (2x woordwaarde!) als er twee Italiaanse consultants aan komen waaien. Voor de VN doen ze aanbevelingen voor een betere afvoer van landbouw- en andere producten. Abubácar: `simpel, maak betere wegen´. Ja, goed idee, betere wegen maar dát is de verantwoordelijkheid van Bissau. Bissau… Even later nóg een Italiaanse VN-expert. Die bestudeert de mogelijkheid van eco-toerisme in Guinee. Of Abubácar hem Catanhez wil tonen.
      Even kijken, morgenmiddag, schikt dat? Nee, dat schikt niet. Pierluígi heeft slechts twintig (20!) minuten voor een bezoek want hij moet nog vanavond terug naar de hoofdstad. Bij de eerste grote woudreus struikelt hij de jeep uit, neemt twee foto´s en vindt het zo wel genoeg. Dat wordt vast een prachtig rapport à duizenden dollars per werkdag.
      Het is tijd om op te stappen. Ik deel mijn Benfica- en Sportingkalenders uit aan de mannen en de Portugal-haantjes aan de dames. Djarama buí! Omhelzingen, abraços. Volgend jaar kom ik terug, God schenke jullie allen een lang leven! Adeus te para ano, pa Deus danu vîda kumprido!
      In Bissau is het bed in kamer 7 van Dona Berta´s pension al opgemaakt. Een laatste maaltijd, een souvenir kopen op de markt, en het is huiswaarts geblazen. Ik verlaat Guinee-Bissau met enige weemoed maar ook met een zekere opluchting. Zo is het wel weer mooi geweest en bovendien, als troost, Portugal ligt dichter bij Afrika dan bij Europa.

 

Lisboa, februari 2006
 
This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.
www.ernstschade.com