Een soort opa

Op 15 mei 1977 werd ik (32) eindredacteur van het VPRO-radioprogramma Embargo. Een vermaard programma. Het werd wekelijks op vrijdag uitgezonden van kwart over zes tot acht uur ’s avonds. Vast onderdeel was de column of -zo u wilt- het commentaar van Dr. Anton Constandse, vrijdenker, anarchist en journalist. 

      Hij was een intellectueel, zeer belezen en had een enorme staat van dienst. Grote kennis van de internationale politiek. Hij was -met zijn raspende stemgeluid, eloquentie en intelligentie- de superieure tegenhanger van de zoetgevooisde Mr. G.B.J. Hiltermann, de AVRO-columnist, die ook wekelijks op zijn manier de toestand in de wereld besprak.

Anton Constandse was toen 77 jaar. Hij woonde in Scheveningen met zijn echtgenote, die gezondheidsproblemen had. Het werd hem allemaal wat teveel om wekelijks naar de studio in Hilversum te komen en daarom werden de columns opgenomen.
      Omdat ik min of meer in de buurt woonde, werd mij de eer gegund om iedere vrijdagochtend naar Scheveningen te gaan. Dat waren gezellige bezoekjes. Er was vers sap of koffie met cake, er waren warme broodjes en vrijwel  iedere week kreeg ik een cadeautje. Een nieuw boek van hemzelf bijvoorbeeld; met een opdracht er in. Of er waren cadeautjes voor mijn kinderen, die in de vakantie ook wel eens mee gingen.

Esthetiek & imperialisme

Hij liet mij zijn commentaar eerst lezen en informeerde dan even of het ermee door kon. Het kon er altijd mee door. Mijn God wat wist die man veel.
      Hij was ondermeer redacteur buitenland bij het Algemeen Handelsblad geweest, had een paar duizend publicaties op zijn naam, tientallen boeken geschreven, was cum laude afgestudeerd en later -ook cum laude- gepromoveerd op Frans en Spaans en was actief geweest  in de Spaanse Burgeroorlog.

      In oktober 1940 werd hij door de Duitsers opgepakt en naar Buchenwald gedeporteerd. Later kwam hij in kamp Vught terecht.
      Omdat ik mijn beide opa's niet bewust had meegemaakt begon ik hem een beetje als mijn opa te zien. En omdat Anton niet zoveel meer te doen had, duurden de bezoekjes steeds langer.

      Maar er moest nog worden uitgezonden; dus vertrok ik toch om een uur of elf richting Hilversum en was dan weer geheel op de hoogte van de internationale politiek, hoewel hij af en toe ook verhandelingen hield over erotiek, esthetiek of casuïstiek, over atheïsme, imperialisme of kapitalisme.

 

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Vijf jaar daarvoor woonde Constandse nog in Haarlem. Theo Uittenbogaard zocht hem toen daar op en maakte het volgende interview.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

Anton Constandse, politiek commentator

 

Een vrij man

Studio, 21 mei 1972

Een vrij man. Misschien is dat de enig juiste karakteristiek voor iemand die zijn onafhankelijkheid een leven lang wist te bewaren. Anton Constandse is 72 jaar oud en loopt nog steeds, onvermoeid, voorop. Zijn strijdlust tegen wat hij 'onredelijkheid' noemt, is nog even fel als toen hij vocht in de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939).  Hij geeft nog elke twee weken commentaar op het nieuws in het radioprogramma VPRO-Vrijdag.  Met zijn nasaal, wat toonloos stemgeluid formuleert hij helder en onverveerd zijn mening over  onrecht in de wereld. Theo Uittenbogaard sprak urenlang met hem.  De samenvatting

 

De Zonnebloemstraat in Haarlem is een wat grijze straat. Een eindeloos lijkende rij burgermanswoningen, aan het begin van de eeuw gebouwd in de kennelijke overtuiging dat fatsoen en smakeloosheid iets met elkaar te maken hebben. Miniscule voortuintjes bieden ruimte aan een rijwiel of een ligusterhaag. Het eind van de straat wordt beheerst door de enorme kolos van de baseliek van Sint Bavo.
Hier woont dr. A.L. Constandse. Een man die gedurende zijn lange leven, door zijn onafhankelijke houding, het benepen fatsoen, met z'n in conformisme geboren normen, tegenover zich vond.
      Hij verzette zich al jong tegen de macht die de staat ten opzichte van zijn burgers uitoefent, en die de kerk zich ten aanzien van zijn leden veroorlooft. Hij deed en hij doet dat met glasheldere analyses, opgetekend in brochures (de eerste in 1922: Weg met de Vakorganisatie) boeken, (het laatste in 1969: Anarchisme van de Daad), artikelen (van 1945 tot 1965 in het Algemeen Handelsblad) en commentaren (nog elke 14 dagen voor de VPRO-radio).
      Hijzelf schrijft over zichzelf in een aan een bloemlezing van zijn werk gewijd nummer van het letterkundig tijdschrift De Gids:

"Ik heb nooit anders willen zijn dan een ambachtsman wiens werktuig het woord was. Geen letterkundige en geen politicus, maar een onafhankelijke (en vaak individualistische) commentator voor wie omgeving en buitenwereld stof leverden voor overpeinzing, en vooral tot reageren. Soms opstandig, vaak in vrijheid analyserend, en gewoonlijk afkerig van dienstbaarheid."

Constandse doet open.
De radiostem, die ik ken, krijgt een gezicht. Een vriendelijke grijze man in een sobere huiskamer. Aan de muur hangt een prachtige, antieke Chinese prent van een paar meter lang 'De Tijgerjacht'. Bij elk voorwerp of schilderij hoort een verhaal. Geërfd, gekregen, meegenomen van verre reizen.
"Ik heb nooit de tijd gehad om ergens lang te blijven. Was ik in Azië, dan dacht ik na zes weken", zegt hij, "Eigenlijk moet ik toch maar weer eens terug naar de krant."
"En ik heb nóg niet veel tijd, want ik geef colleges en lezingen en ik schrijf artikelen en commentaren. Voor het weekblad Vrij Nederland en de VPRO".
Constandse is 72 jaar oud.

Zijn er nog dingen die u gráág zou willen doen ?

"Mijn hevige belangstelling gaat uit naar de 18e eeuw. De Franse en Engelse filosofen. Ik zou graag een boek schrijven over de veranderende 
zeden en gewoonten. Een soort 'zeden-schets' van de 18e eeuw.
Dan zal je merken, dat er niets nieuws is onder de zon. Alles wat nu aan de orde gesteld wordt, van seksuele variaties tot cynisme over het voortbestaan van het maatschappelijk systeem, is in die tijd vrij breed ontwikkeld.
Vooral bij de heersende klassen groeide in die tijd een enorm ongeloof."

Waarin ?


"Religieus ongeloof. Ongeloof in het systeem. Met als tegenhanger het genot-zoeken. Casanova was niet alleen een man die erotische verhalen schreef, hij was een filosoof. Een filosoof met de gedachte "après nous le déluge"
-"na ons de zondvloed" En met de overtuiging, dat je zoveel mogelijk lustervaringen moet proberen te ondervinden, en dat daarbij alles is geoorloofd. Hij betrekt dat niet alleen op seks, maar ook op eten, en -wat het interessantste is- ook op agressie. Hij was een pessimist.
      Net zoals De Sade en Masoch; mensen met een grote teleurstelling over het leven.
Net zoals tegenwoordig. Nu ook, zijn er mensen, die voornamelijk naar genietingen streven. Bij gebrek aan geluk. We kunnen onze tegenwoordige maatschappij evenzeer omschrijven als een "genotzoekende ongelukkige samenleving".
Die parallel tussen onze tijd en de 18e eeuw is zeer interessant... Allerlei theorieën zijn toen ontkiemd; ideeën over atheïsme, de evolutie-theorie, anarchisme.
      Als ik tijd zou hebben, zou ik me daar graag mee bezighouden. Maar ja, daar zal wel geen tijd voor zijn.
Ik loop trouwens al jaren rond met het idee om 'l histoire intime van de Stadhouders te schrijven."

De Stadhouders van Holland,

Willem I, enzovoort ?

"Ja. Willem I was bijvoorbeeld helemaal geen religieus mens. Hij is luthers geweest, katholiek geworden, luthers geworden, calvinist geworden.
      Zijn verdraagzaamheid was niets anders dan onverschilligheid ten opzichte van het geloof van het volk. Een opportunist. Zijn keuzes waren politiek geinspireerde keuzes.
      Maurits was een beroepssoldaat, een houwdegen met maitresses, buitenechtelijke kinderen, en tezelfdertijd, een goed veldheer, kennelijk.
      Frederik Hendrik was meer gepolijst, erg eropuit om bij de vorsten van Europa te mogen behoren.
      Willem II leefde maar kort.
      Willem III, die koning van Engeland werd, was een zeer interessante figuur. Hij is de schepper van het idee van het Europese Evenwicht. Als hij in 1702 sterft, dan sterft het Oranjehuis. Hij heeft geen nakomelingen. Hij vermaakt zijn titel en zijn prinsdom aan een neef, de koning van Pruisen. En het is een ráádsel hoe de familie Nassau uit Leeuwarden, -waarvan ons koningshuis afstamt- aan de titel Prins van Oranje komt.
      Willem IV noemt zich op een gegeven moment Prins van Oranje-Nassau. Een man die naar alle waarschijnlijkheid impotent was, zodat zijn kinderen in ieder geval niet van hèm zijn. (Lacht vrolijk). Maar dat maakt niet veel uit, want 'vaderschap' is een juridisch begrip...

      Die dingen vormen een fascinerende geschiedenis. Een soort alternatieve vaderlandse geschiedenis. Maar ik denk niet dat ik daar ooit toe kom; dat kost me járen..."

Onze Libelle-lezeressen zouden geschókt zijn...

"Ja. Ja. Zij misschien wel, maar historici niet, hoor."

Constandse vertelt waardoor zijn belangstelling voor geschiedenis werd ontwikkeld, en zijn visie op de maatschappelijke gevormd. Zijn ouders waren doopsgezind. Daarmee begon zijn fundamentele argwaan tegen het gezag van de staat. De doopsgezinden van vóór de Franse tijd weigerden de oorlog in te gaan, of de eed af te leggen, omdat ze het staatsgezag niet gerechtigd achtten dit van een mens te eisen.
"In de oude doopsgezinde ideologie", zegt Constandse, "zit een fundamentele afwijzing van een staatsgezag, dat zich de controle over het menselijk geweten zou toe-eigenen."

      Het is dus niet zo verwonderlijk, dat na de Russische Revolutie van 1917 de sympathie van de jeugdige Constandse meer uitging naar anarchisten als Tolstoi, Bakoenin en Kropotkin, dan naar de bolsjewiki; de marxisten met hun theorieën over Staat en Geweld.
"Het anarchisme is eigenlijk een resultaat van de hoogste idealen ten aanzien van zedelijkheid en van redelijkheid", legt Constandse uit.
"Een zedelijke daad is een vrije daad, waarvoor een mens zèlf verantwoordelijkheid aanvaardt. Iets wat je op bevel doet, heeft met zedelijkheid niets te maken. Dat kan goed aflopen en dat kan slecht aflopen, want je hebt geen motief voor die daad."
      "Als anarchisten weigeren te denken, te geloven of te handelen op gezag, hebben ze volgens de ethiek gelijk. Een handeling is ten eerste ethisch te rechtvaardigen als deze vrijwillig is. Ten tweede, als die gebaseerd is op wederzijds geluk, hulpbetoon en dergelijke. En, als die daardoor samenhangt met een gevoel van sociale verantwoordelijkheid. Dat zit sterk in de theorieën van Domela Nieuwenhuis en Proudhon."

      Van 1918 tot 1938 was Constandse pleitbezorger van het anarchisme. Door de consequenties van zijn anti-militairistische theorieën kwam hij eind jaren '20 zelfs nog enige maanden in het gevang terecht "wegens opruiing tot opzettelijke ongehoorzaamheid en tot muiterij" omdat hij in een artikel in het blad De Vrije Socialist in 1927 protesteerde tegen het deelnemen van Nederland aan de bezetting van Sjanghai: Oorlog tegen de Oorlog!

       Hij zegt nu over het anarchisme:
"Het anarchisme, dat streeft naar een staatloze maatschappij en een maatschappij zonder leger, is het meest in overeenstemming met de zedelijkheid en de rede, maar het houdt geen rekening met puur menselijke eigenschappen, zoals driften, ontaarde driften, belangen, egoïsme en natuurlijk angst.
Angst is een zeer bepalende factor, waardoor èn redelijkheid èn zedelijkheid buitenspel gezet worden."Ik vond bij nader inzien de theorie van het anarchisme te absolutistisch", zegt hij", omdat juist de menselijke tekortkomingen de volledige verwerkelijking van die ideeën onmogelijk maken. Ik heb de utopische kant van het anarchisme afgezworen, maar ik heb er nog altijd grote bewondering voor. En als ideaal is het buitengewoon belangrijk."

Waarom zijn mensen zo bang om zelfstandig te zijn ? 

''Wanneer een mens een stap wil doen, een stap op deze weg, dan komt hij in conflict met zóveel machten, met zoveel belangen en zoveel tradities, dat hij terugdeinst. Hij is bang om in conflict te raken met de maatschappij die hem zekerheid belooft. Historisch speelt godsdienst daarbij een grote rol. De voorstelling van God als Opperheer is eeuwenlang door de kerk zo verbreid. De mens wordt ondergeschikt, dienstbaar gemaakt. En leert zo gehoorzaamheid aan overheden, die daar belang bij hebben. De godsdienst is daarmee heel lang een instrument geweest ter onderdrukking".

Later legt Constandse uit:

"De cultuur die we tot nu hebben gekend, heeft allerlei driftleven onderdrukt. Daarmee ook allerlei bronnen van vreugden en lustgevoelens. Dat kwam door de idee dat de mens op aarde was om te lijden en onderworpen te zijn.
Die gedachten hebben in de mens allerlei ontaardingen tot gevolg gehad van het driftleven.
      Het gebrek aan geluk is verworden tot leedvermaak, rancune over het leven-zelf en de omgeving. Daaruit resulteerde sadisme: het behagen scheppen in het lijden van de ander. Het geluk monopoliseren.
     Wat zie je nu gebeuren ? De mensen verzetten zich. Het gezag wordt op allerlei manieren problematisch gesteld. Door de crisissituatie waarin we nu verkeren komt de mens tot bewustwording."
      ''Want het ís een crisissituatie; overbevolking, de vervuiling, de verdergaande industrialisering, het voldoen aan toenemende consumptiebehoefen, de uitputting van de energievoorraden, aan de ene kant. Aan de andere kant de enorme bedragen die worden uitgetrokken voor de bewapening. Volgens recente cijfers wordt per jáár zeven-honderd-duizend-miljoen gulden uitgegeven aan bewapening. Een onvoorstelbaar groot bedrag.

       Dat moet de mensen aan het denken zetten, zeker als ze geconfronteerd worden met de misdaden die door de VS in Vietnam gepleegd worden. Wat is er nu niet een bewéging ontstaan in de wereld over Vietnam. Het is het symbóól geworden van een nieuw bewustzijn.
Het bewustzijn dat er een onvoorstelbare hoeveelheid macht is samengebald in een land als de Verenigde Staten, dat geregeerd wordt door een onderdrukkende minderheid."

Bent u optimistisch of pessimistisch ten aanzien van de komende ontwikkeling ?

"Optimisme en pessimisme zijn moeilijke begrippen. Ze geven meer uitdrukking aan iemands gevoelens en karakter dan aan heldere analyse.

Iemand kan eigenlijk niet leven zonder het uitzicht op verbetering. Een optimist is dus eigenlijk een idealist. Een pessimist is iemand die niet veel heil ziet in de menselijke ontwikkeling en mogelijkheden.
Maar als ik de geschiedenis van de mensheid bekijk, neem ik aan dat na crisissituaties en catastrofes, die zich voltrekken toch niet alles verloren gaat."

     ''Er hebben zich tenslotte al zóveel ontwikkelingen voorgedaan in het menselijk bewustzijn. Ik kan me een dialectische ontwikkeling in de toekomst zeer wel voorstellen. Je moet een redelijke hoop hebben dat we het teboven komen. Op korte termijn echter; de laatste dertig jaar van deze eeuw zie ik een grote serie crises en catastrofes zich voltrekken op al-ler-lei gebied. Misschien zal het resulteren in een revolutie; in ieder geval tot een versnelde evolutie."

     ''Ik ben een scepticus wat betreft de ontwikkeling. Maar ik kan me niet voorstellen hoe iemand zou kunnen leven zonder het vertrouwen in de ontwikkeling van een vrijheidlievende vorm van socialisme".

Vreest u de toekomst ?

"Persoonlijk vrees ik die niet. Ik ben bang voor mijn medemens".

Constandse aarzelt na de vraag of hij wel eens bang is geweest; hij vindt persoonlijke gevoelens minder belangrijk dan ideeën:

"Toen ik in oktober 1940 des morgens om half 7 door een Duitse Feldwebel van mijn bed werd gelicht was ik niet bang. Iets wat je misschien wel zou verwachten.
Kijk. Na de Eerste Wereldoorlog ben ik meteen zeer oppositioneel komen te staan tegenover de bestaande instituties. Ik voelde mij ten aanzien van de maatschappij in een strijdhouding, waarbij ik een zeker soort superioriteitsgevoel had.
      Ik was een enkeling, en in zekere zin zwak. Maar aan de andere kant had ik gelíjk. Je kréég wel geen gelijk maar je hàd gelijk.
Dat heeft ertoe geleid dat ik me wel vaak bedreigd voelde. Niet wat betreft mijn innerlijk; niet wat betreft mijn ideeënwereld.
De bedreiging betrof mijn maatschappelijke positie. Ik heb het risico van m'n betrekkelijke eenzaamheid in deze maatschappij vanaf den beginne aanvaard".

Hoe kon u dat ?

"Belangrijk is, dat je je niet bepaald hecht aan maatschappelijk comfort, de maatschappelijke zekerheden, of prestige van het burgerlijke leven.
Om je vrijheid te behouden is het zeer belangrijk om elk ogenblik afstand te kunnen doen. Je moet je zekerheden niet te kostbaar maken. Je moet je ook wennen -en dat heb ik consequent gedaan- aan een zekere soberheid. Ik geloof overigens dat dit een noodzakelijke levenshouding voor de toekomst gaat worden. "
      "Een hoog levenspeil, en een hoog consumptiepeil is helemaal niet noodzakelijk. Ik heb altijd de betrekkelijkheid voor ogen gehad van dit soort zaken. Je moest je ook wennen aan het leven van iemand, die een geweldloze guerilla tegen de maatschappij voert."

Werd u nooit eens moedeloos ?

"Ja. Ik werd wel eens moedeloos. Vooral in de periode van de Spaanse Burgeroorlog... Toch bleef die zekerheid van het ethische gelijk."
"Ik wist, dat toen de Duitsers het in 1940 niet lukte om Engeland te bezetten, dat ze zouden verliezen. Ik was daarvan overtuigd. Het nationaal-socialisme moest verliezen.
      En toen in oktober 1940 die Duitse Feldwebel 's morgens de trap opkwam en me een kwartier de tijd gaf om me aan te kleden, was ik niet bang. Dat was ook niet abnormaal; het was iets wat ik verdisconteerd had in mijn leven".

Was u nooit bang om te sterven ?

"Tijdens de oorlog verandert je houding ten opzichte van de dood. Je wordt tot op zekere hoogte onaantastbaarder. "

Constandse werd op 7 oktober 1940 samen met 109 andere prominente Nederlanders als gijzelaar naar het concentratiekamp Buchenwald in de buurt van Berlijn, getransporteerd. Later werd hij in Nederland geïnterneerd, onder meer in het kleinseminarie Beekvliet in Sint Michielsgestel, en in Kamp Vught.

"Ik behoorde tot een groep gijzelaars, en het wezen van het gijzelaarschap is, dat je elk ogenblik ter represaille gefusilleerd kan worden. Dus je bent erop voorbereid. Je realiseert je dat je sterfelijk bent. Wanneer je je dat bewust bent schakel je een aantal 'gevaren' die het leven bedreigen uit. Op basis van de tijdelijkheid van het bestaan krijgt het leven destemeer waarde. Dan begrijp je, dat je in de jaren die je hèbt, er zoveel mogelijk van moet maken.
      De waarde van iets kan gemeten worden naar de kortstondigheid ervan, en de intensiteit. Je bestaat niet voor de dood, maar voor het leven."

 

Anton Levien Constandse (Brouwershaven, 13 september 1899 - Den Haag, 23 maart 1985)