Van Jan van Nijlen
Oktober
Er waart een mist van duisternis en dood
door ‘t stille woud waar bonte spechten kerven;
oktober heerst; nu zijn de blaren rood
met nog wat groen in hun verzwakte nerven.
De lijsterbes verliest de oranje trossen.
kastanjes vallen met een zacht gebons,
en zwammen sieren, tussen gras en mossen,
de vochtige aarde met hun giftig brons.
En als vervuld is wat de dag voorspelde:
een blonde straal, een laatste bloem die geurt,
als aanruist over mistbezwaarde velden
de klacht des jachthoorns die romantisch treurt;
dan lokt de rosse, donkre gloed der steden,
die rustig aan de verre kimmen blaakt,
met de beloften zijner zaligheden
den zwerver die zich arm gevoelt en naakt.

