Algemeen

 

Egodocumenten in de tuin

 De gemeentes Bad Berleburg en Schmallenberg liggen in het Duitse Sauerland (Westfalen) naast elkaar.
     
De verbinding is een bochtige weg door het Rothaargebergte, waar je in de winter erg moet oppassen. Je kunt er over 23 kilometer een beeldenroute volgen (Waldskulpturenweg). Leuker, want origineler en creatiever, is echter Der Wettbewerb. Een project van de kunstenaar Jochen Gerz.

Het werd in 2002 gestart.
      Bewoners van de ene gemeente werden uitgenodigd om een briefje te schrijven aan de burgemeester van de andere gemeente.
Een persoonlijke brief.
      Waarom men in dit gebied woont, waar men van houdt, wat zoal opvalt, wat de mensen bezielt en wat er verder nog over familiegeschiedenissen, vriendschappen, verdriet en vreugde te schrijven valt.

Van iedere brief uit Bad Berleburg werd een emaillen straatbordje gemaakt, dat geplaatst werd in de tuin van een briefschrijver uit Schmallenberg.
      Andersom natuurlijk ook, zodat er nu in iedere gemeente evenveel bordjes staan.
Het is waanzinnig leuk om die briefjes te lezen. Als je eenmaal begint, kun je bijna niet meer ophouden.
      Mijn god, wat een bekentenissen die mensen in het openbaar afleggen.

 

Katharina Dickel

 

 

Neem dit briefje van Katharina Dickel uit Bad Berleburg, dat dus in een tuin staat in Bad Fredeburg (Gemeente Schmallenberg).
      Als je een praatje maakt met de inwoners, begrijp je het allemaal veel beter.

--------Der Müsse is de naam van de straat in Bad Berleburg waar Katharina woont.

--------Fleckenberg en Fredeburg zijn plaatsjes in de gemeente Schmallenberg.

--------Zum Schäferhof is een soort jachthuis in diezelfde gemeente. Je kunt daar eten & drinken

--------Laasphe, Erndtebrück en Siegen zijn plaatsen, die een stuk verderop liggen in geen van beide gemeentes..

--------Im Kelschen is plaatselijk dialect! Je kunt dat het best vertalen met Paap of Paaps.


Nicht erwünscht

En….
     
Het zou dus kunnen dat de man van Katharina een zoon is van één van die Roomse Maria's van haar vader.
Want als haar vader wel daarmee getrouwd zou zijn had Katharina met haar stiefbroer moeten trouwen.
      En dat is ook in ‘t Sauerland nicht erwünscht.

 

Gemeentehuis Bad Berleburg

 

 

 

 

In herinnering: Achttien jaar en tien dagen later

 

De zelfmoord van Hans                                                                                                                                                                                      

HAARLEM 1998 (De reconstructie)

Hij zit rechtop in het bed en neemt alles nog eens door. Voor hem ligt een grote grijze plastic zak. Op zo’n vijftien centimeter van de opening een dik elastiek. Dat sluit straks stevig om zijn nek, want hij heeft geoefend en gemerkt dat de zak beslaat, maar ook dat er frisse lucht naar binnen komt als hij zijn duim tussen hals en elastiek legt. Op het tafeltje naast hem een papieren stofmasker. Dertig Nemtubal-slaappillen, vergruisd. Een doosje Seresta kalmeringspillen en Dramamine, een anti-braakmiddel, dat hij al drie dagen slikt. Er staat een fles single malt Macallen whisky en een glas sodawater.

      Hij haalt nog eens diep adem, gaat zo gemakkelijk mogelijk zitten en plaatst de plastic zak als een soort muts op zijn hoofd. De kalmeringsmiddelen, die hij ook al eerder heeft ingenomen werken. Hij pakt licht trillend het bordje met alle slaapmiddelen, giet ze naar binnen, neemt een flinke slok whisky, spoelt na met het water en laat dat volgen door nog meer sterke drank. Hij zet het maskertje voor zijn mond, raakt in een roes, trekt de zak over zijn hoofd en probeert het koord stevig om zijn hals te doen. Hij valt bijna weg. Zijn lippen, neus en mond worden langzaam blauw. Hij stuipt. Onwillekeurige bewegingen volgen elkaar op.

      Zelfbenoemd suicide-counselor J. staat op vanuit zijn leunstoel en loopt naar het bed. Hij probeert krampachtig de man in bedwang te houden. Maar de kracht ontbreekt hem. Hij valt om en slaat met zijn arm alles van tafel. De fles breekt. De man glijdt van het bed en blijft stuiptrekkingen maken.

Dan wordt het rustig. De man is in coma geraakt. 

      J. wacht ongeveer een half uur. Controleert of de man echt dood is. Daarna ruimt hij alles keurig op. De zak en alle middelen gaan in zijn eigen koffer. Hij legt de man op bed, trekt twee lakens over hem heen en verlaat kamer 211 van het hotel in het Haarlemse Schalkwijk. Het is de nacht van 6 op 7 december 1998.


Het vervolg

      ‘Kent u Hans C.?’ De politieman aan de telefoon vraagt het met een zeker ongeduld in zijn stem.

       ‘Ja’, zeg ik. ’Hoezo?’

       ‘We hebben hem vanochtend dood in een hotelkamer aangetroffen. Hij had vrijwel niets bij zich. Een toilettasje, een portefeuille met een paar munten erin, een rijbewijs, de hotelrekening die hij van tevoren betaald had en een briefje in zijn zak. Een briefje met uw naam en telefoonnummer’.

      Hans, mijn vriend. Mijn God. Hans, de kunsthistoricus, de cellist, vioolbouwer, bijzonder hoogleraar filologie, dan wel artistiek leider van een vermaard orkest. Hans, de gokverslaafde met zijn fluwelen stem, elegante kleding, charme, erudiete en innemende manier van optreden; zijn verhalen en anekdotes.

      Hans, die er altijd in slaagde om rijke dames voor zich te winnen. En ze daarna geld aftroggelde. Veel geld, want het waren altijd grootse projecten, waar hij zich in zijn ongebreidelde fantasie mee bezig hield. Soms kon hij een unieke kunstverzameling kopen of wilde hij investeren in een opvallend nieuwbouwproject; dan weer was het een bijzonder exportplan. Hij leefde van dat geld op goede stand. Soms trok hij tijdelijk bij één van die dames in.

       Het ging meestal redelijk goed, tot hij weer ging gokken. Dan maakte hij in korte tijd alles op en was onvindbaar. Hij belandde in de goot, woonde op straat of in een bos, trok zich terug in een klooster, leefde in een tehuis voor daklozen of ging belangeloos werken bij de Emmaüsgangers. Zijn belangrijkste spullen stopte hij dan altijd in een kluis op Schiphol.

Ik had een sleutel van die kluis. Hij had mij die gegeven, nadat we samen een bijzondere reis naar Indonesië gemaakt hadden.

‘Als er wat met mij gebeurt, weet je waar je moet zijn’, zei hij ooit.

Nu was het zo ver.

‘Kunt u zo spoedig mogelijk hiernaar toe komen’, zegt de politieman nadat ik hem een paar vragen heb gesteld. ‘Dan leg ik het u allemaal uit’.

Twee uur later zit ik op het bureau

      ‘We weten niet veel’, zegt de hoofdagent. ‘Vanochtend is hij op die hotelkamer door een schoonmaakster aangetroffen. Het is een natuurlijke dood. Geconstateerd door de politiearts. Een misdrijf achten wij uitgesloten. Veel weten we niet van hem. Alleen zijn naam. U bent een kennis hè. Geen familie. Jammer, want dat maakt het er niet eenvoudiger op. Weet u waar hij woont? Kent u verwanten? Er moet een begrafenis komen enzo. Kunt u daar voor zorgen? Hij ligt opgebaard hier in Haarlem; mortuarium Zijlweg’.

Ik besluit er direct naar toe te gaan. Ken de weg, want mijn vader lag daar in 1973 ook al opgebaard. Hallelujah!
     
     
‘Meneer heeft zijn onderbroekje nog aan’, zegt de man in het zwart. Hij tilt het zeil op. Daar ligt Hans. Mijn vriend. Vredig en kwetsbaar. Striemen in zijn hals. Grove blauwe en paarse vlekken.
      Hoezo natuurlijke dood?!
‘Dat Is toch niet normaal’, zeg ik en wijs naar die vlekken. De man kijkt mij berustend aan. ‘Daar doe ik geen uitspraak over. Ik ben geen arts’.
      En dan begint ook hij over eventuele familieleden en nog meer praktische zaken, die opgelost moeten worden. ‘Een begrafenis is duur hoor tegenwoordig. Ik hoop dat u zich dat wel realiseert’.

Op weg naar Schiphol bedenk ik dat zowel de hoofdagent als de man in het mortuarium nu niet bepaald fijnzinnig in hun optreden waren. ‘Wij zitten in ons maag met een lijk. Verlos ons daar maar van’. Dat is ongeveer de strekking.
     
In de grote kluis bevinden zich twee koffers. En er ligt een kaartje met daarop in sierlijke letters mijn naam.
      Er staat ondermeer:

 

 ‘Met een kort berichtje (helaas) en 'n groet het volgende: mijn zwerfleven, ten volle geleefd, is morgen voldoende uit om begraven te kunnen worden.
      Eindelijk vrij!!
Een koerswijziging is 'n besluit, waarom ikzelf geen kracht genoeg meer had om verder te gaan’.

                                                                                                            

TANGERANG JAVA 1986 (De Opmaat)

Tangerang Java. Een stadje even ten westen van Jakarta. Juni 1986. Hans en ik zijn in de jeugdgevangenis.
      Hij rolt zijn mouw op en laat het nummer zien dat op zijn bovenarm getatoeëerd is: 1554. Hij herkent alles nog, want er is vrijwel niets veranderd.
      Hij zat hier na de tweede wereldoorlog 25 maanden in celletje 6. Twee bij twee meter en niet meer dan anderhalve meter hoog. Een zandvloer. Kale afgebladderde muren. Tralies.

‘Hier’, fluistert Hans, ‘hier heb ik nauwelijks momenten van genade gekend’.

Vrijwel zwijgend gaan we door het complex. Een gebedsruimte, de eetzaal, isoleercellen en een schoolklas waar zo’n 25 jongetjes zitten. Twaalf, dertien jaar oud. Ze zien er slecht uit. Ondervoed. Ruim vallende overalls met vlekken en scheuren. Er hangt misère. Wanhoop, uitzichtloosheid, verstild verlangen. Wij zwijgen, de jongens zwijgen, de onderwijzer zwijgt. ‘Wat moeten jullie hier?’ Ik hoor het ze bijna denken. Voel de onversneden haat.

       ’s Avonds in de bar van hotel Borobudur in het nieuwe centrum van Jakarta komt Hans een beetje los. ’Ik wil het wel vertellen. Maar in vertrouwen. Geen bandrecorder; geen microfoon‘.

      Ik aarzel. We zijn naar Indonesië gegaan om een documentaire over zijn jeugd te maken. Over zijn ervaringen in het weeshuis ; de periode in het Jappenkamp; over zijn invloedrijke pleegfamilie en natuurlijk de gebeurtenissen in celletje zes van die jeugdgevangenis.

      ‘Er zijn grenzen’, zegt hij. ‘Niet alles kan voor een open microfoon verteld worden’.

Dan praat hij. Eerst aarzelend; mij aankijkend en inschattend. Daarna sneller. In trance. Meestal begon het aan het eind van de middag. Even voor het eten uitgedeeld werd. ’Zing Belanda, zing!’ riepen de andere jongens vanuit hun celletjes. Krontjong, altijd Krontjong. Muziekfusion.. Nederlands, Portugees, Indonesisch.
      ‘Hoerenmuziek’, zegt Hans en doet het voor. Hij zingt. Daar in die bar, waar een zeer gemèleerd internationaal gezelschap zich naar hem wendt. Want hij kan prachtig zingen. Zuiver en met emotie. Rollers en een snik in zijn stem. Als hij stopt klinkt er applaus. Hans lijkt het niet te horen. Hij kijkt me weer doordringend aan.

Ik stel me voor hoe dat daar in celletje 6 geklonken moet hebben. Met die lichte stem. Maar terwijl hij doorpraat, is het niet meer nodig me iets voor te stellen. Al bij het eerste lied kwam hij binnen. De oppercipier. Een kleine kalende man met een stokje onder zijn linkerarm. ’Zing Belanda zing’, herhaalde hij zacht.’Zing’.

En Hans zong. Hopend dat het ditmaal mee zou vallen. Maar nooit viel het mee. De cipier begon altijd voorzichtig. Teder bijna. Hij legde zijn stokje neer en trok Hans’ korte broekje uit. Het truitje en de rest. Al zingend werd hij opgetild, waarna de cipier zijn harde pik in zijn kleine anus propte. Het deed pijn. Heel erg. Als hij stopte met zingen werd hij op de grond gezet en kreeg een harde klap in zijn gezicht.
      ’Zing Belanda zing”. En dan zong Hans weer en werd opnieuw verkracht. Daarna mochten twee andere jongens naar zijn cel komen. Ze werden door de cipier aangewezen. Wie die dag het meest zijn best had gedaan kreeg voorrang. Hans moest ze pijpen. Altijd weer pijpen. En als hij het sperma had ingeslikt, moest hij weer zingen.

      Dan kwam de cipier terug. Hij ging op een stoeltje zitten, legde Hans over zijn bovenbenen en ranselde hem af met zijn stok. Altijd weer; iedere dag. Tot slot klonk het dan nog eens: ‘Zing Belanda , zing’.


Het doodsbericht

 

 

     

 

 

       


Eerder geplaatst in december 2007, 2010 en 2013

 

 

 

Een paar opmerkelijke presidenten

De machtigste persoon op aarde is na dinsdag waarschijnlijk voor ’t eerst een vrouw. Hillary Clinton wordt dan de 45ste president van de Verenigde Staten. Als Trump overigens president wordt is hij niet de eerste malloot.
       De geschiedschrijving zal oordelen over Barack Obama. Ik denk dat hij redelijk hoog zal eindigen (Obamacare) op de lijst van de best presterende presidenten. Dat zijn volgens nogal wat onderzoeken Abraham Lincoln, Teddy Roosevelt, George Washington en Franklin D. Roosevelt.

In zijn boekje ‘Alle 42 presidenten’ uit 2.000 haalt publicist en Amerika-deskundige Frans Verhagen een onderzoek aan, dat in 1999 door een aantal Amerikaanse historici op verzoek van het politieke televisienetwerk C-Span werd gehouden.

Presidenten van Amerika 1: James Buchanan

Beste president was volgens deze historici Abraham Lincoln; de slechtste was zijn voorganger James Buchanan, die van 1857 tot 1861 in het zadel zat.
      Een naïeve, plooibare man.
Een incompetente aarzelaar, die volgens deze historici jammerlijk faalde en een erbarmelijke erfenis naliet.

 

Presidenten van Amerika 2: Teddy Roosevelt

Hij riep bijzondere gebieden uit tot vogelreservaten, verklaarde miljoenen hectaren bos tot beschermd gebied en richtte zestien nationale monumenten op.
Volgens sommige bronnen ging hij eens mee op de jacht.
      Hij kreeg een klein beertje voor de loop van zijn geweer en had zo’n medelijden met het beestje, dat hij niet schoot maar zijn geweer neergooide.
      En dat zou de verklaring zijn voor het woord teddybeer.


Presidenten van Amerika 3: William Taft

 

 

 

 

Presidenten van Amerika 4: William Harrison

Het meest opmerkelijke politieke wapenfeit van Harrison is zijn inaugurale rede, die hij uiteraard niet zelf geschreven had. Tijdens het uitspreken van deze rede begin maart 1841 vatte hij kou.. Hij herstelde daar niet van en overleed exact een maand later. De regeringsperiode van slechts één maand is de kortste van allemaal.


Presidenten van Amerika 5: William McKinley

William McKinley was president van 1897 tot 1901.

      Hij was een populair man.

 

 

 

Presidenten van Amerika 6: Franklin D. Roosevelt

 

Presidenten van Amerika 7: Warren Harding

Bill Clinton was volgens Frans Verhagen een briljant politicus. Maar dat alleen als hij zich inspande en vooral als hij onder druk stond. Hij was ook ongedisciplineerd en slordig en wilde graag door iedereen aardig gevonden worden.
      Volgens mij zal hij toch vooral bekend worden door zijn seksuele escapades.
Dit in tegenstelling tot John F. Kennedy, die het niet met stagiaires deed maar met Marilyn Monroe..


 Presidenten van Amerika 8: Martin van Buren

Hij was een zeer getalenteerd politicus, maar kon dat tijdens zijn presidentschap (1837-1841) niet waarmaken. Het land verkeerde in een ernstige economische crisis en Van Buren had daar geen antwoord op.
      Hij was een ijdele kleine gedrongen man.
Little Van werd hij ook wel genoemd.
     

 

 

Lucy: de eerste mens


LUSTOORD VOL BOTTEN EN FANTASIE

Er is geen grasspriet, geen druppel water, alleen zand en steen. We glijden naar beneden, over een bergkam van vier meter breed. Hobbelend op mijn billen rem ik af, met mijn handen balanceer ik, links en rechts de diepte, bloedheet zand schuurt langs mijn broekspijpen.
      Dit is wetenschap, de studie van Human Evolution and Social Change, aldus paleo-antropoloog dr. Donald Johanson. Voor mij als mensaapzuchtige is dit gebied een lustoord vol botten en fantasie.

January 2006.
      Afar, de Danakil Laagte is het heetste gebied op aarde. Het kan hier boven de vijftig graden gloeien. Niets maar dan ook niets verraadt het weelderige oerwoud, het grasland met rivieren waar de Zuidelijke Aap van Afar ooit rondliep.
      Een paar kilometer verder, beneden ons, ligt Location AL 288-1, de plek waar Lucy zich op 24 november 1974 toonde aan Donald Johanson, na miljoenen jaren. Het bleek een 22 jaar oud vrouwtje, slechts 1,1 meter lang.

Mohamed Esse Seko, mijn gids, hijgt voor me. Esse bulkt van de feiten, een ware Lucy-specialist, toch ben ik de eerste sinds jaren die met hem naar deze plek gaat.
      ‘Mijn oom Melo Seko zocht samen Johanson in 1974,’ schreeuwt Esse. Zijn info galmt over de dalen van Afar. ‘Oom Melo wees als eerste Lucy aan!’ Hij draait zich om en kijkt of ik hem wel hoor.
      ‘Mooi…’ roep ik terug.
Mijn voet zakt weg in het mulle zand, ik glij iets te ver naar links. Geen grip.


ROODBESTOVEN JEEP

Het was een hele rit vanaf Addis Abeba. Zeshonderd kilometer naar het oosten. Drie man op de voorbank van een roodbestoven Landrover. Esse Seko schoof steeds wat op, we zaten klem. Ik heb weinig zitvlees, maar Esse heeft veel. Zijn buik schuurde tegen het Japanse dashboard.

We daalden af in de Afar Laagvlakte, vanaf daar te voet tot aan Lucy’s vindplaats. Mijn euforie op weg naar de Afaren werd echter verstoord.
      ‘De Afaren houden niet van bezoekers,’ zei Esse laconiek.

Een jonge Afar krijgt pas een kalashnikov nadat hij volgens oergewoonte een testikel van een andere stam heeft afgesneden. Esse haalde gedetailleerde voorbeelden naar boven. Ik was gewaarschuwd, de Afar houdt zijn tradities hoog, tot op de dag van vandaag.
      Vanaf dat moment keek ik scherp om me heen met beide handen op mijn kruis. Je moet wat over hebben voor Lucy.

NEANDERTHALERS 

‘Wat moet je met die onzin?’ bromde mijn vader.
      ‘Eigen schuld. Wie gaat er nou in zo’n diep hol werken? Wat moet je daar? Die moffen kunnen beter op zoek gaan naar hun Neanderthalers dan kolen rapen. Kolen. Belachelijk.’
      ‘Steenkool,’ zei ik zakelijk.
‘Kolen. Laat me niet lachen. Wie gebruikt er nou kolen vandaag de dag? Slochteren, dat is pas een uitvinding. Al dat gezeur onder de grond. Gas, dat is pas warm.’
      ‘Zit ook diep,’ zei ik.

Die week had mijn vader mij voor het eerst verteld over mensapen die rechtop liepen. Dat was pas wetenschap, daar kon Rome wat van leren.
      ‘Voorouders,’ zei hij, ‘daar gaat het om! We komen uit Afrika, daar is alles begonnen. Weet jij hoe dat heet, 125 opa’s terug?
      ‘Nee,’ zei ik zuinig, ik wilde alles weten.
      ‘Een aarts-voor-edel-stam-betovergrootopa, hoor je, die leefde 3300 jaar geleden, de tijd van Mozes.’
      ‘Mozes had toch een moeder?’
      ‘Weet ik veel,’ bromde mijn vader. ‘En Karel de Grote, weet je hoe je die noemt?’

Ik zweeg.
      ‘Voor-oud-overgrootvader, dat zijn 40 voorvaders.’
      ‘Hoeveel oma’s terug was de eerste mensaap?’
      ‘God jongen, dat is veel, zeker 300.000 voorzaten. Schrijf maar op, een drie met vijf nullen.’

FOSSIELENOGEN

Het is 24 november 1974. Donald Johanson, Tim White en Tom Gray doen veldonderzoek in Afar. Melo Seko, hun gids, had die week fossielenogen. Hij bleef vaak hangen op een plek, raapte stukjes Ancylotherium op en schoof zand en steentjes opzij.
      Die middag kwam een hominide boven, de tweevoetige aap, onze rechtoplopende voorzaat was hier gestorven.
Johanson kon zijn geluk niet op. Bot na bot. De zon had haar dagtaak volbracht, het tentenkamp werd opgeslagen.
      Men was euforisch, dronk wijn en speelde een Beatle-song op een gammele casetterecorder: Lucy in the Sky with Diamonds. Ze kreeg een naam. Na 3,18 miljoen jaar was er een oermoeder geboren.

Op 30 november brak men het kamp op. Lucy bleek het oudste en meest complete skelet van een rechtoplopende hominide. Vanaf hier had de mens zich ontwikkeld. Johanson duwde een grote spijker in het zand op de plek. Het voorlopige startpunt van de mensheid.
      De Ethiopiërs noemen Lucy in Amhaars Dinknesh, dat betekent je bent prachtig. De Afaren willen daar niets van weten en noemen haar Heelomali, iemand die uniek is.

ROMANTISCHE VRAAG  

Wie was de eerste mens? Dit is een romantische vraag, de wetenschap kan hier weinig mee. Dat het een vrouw was is zeker, want iedere vent heeft immers een moeder.
      Ik correspondeerde met Donald Johanson, nu professor aan het Institute of Human Origins in Arizona.
      ‘Waarom liep Lucy ineens rechtop?’ vraag ik.
     ‘Klimaatsverandering,’ zegt Johanson, ‘en tektoniek van de aardkorst. Het landschap veranderde, de apen ging iets meer rechtop lopen. Acht miljoen jaar geleden was Afrika één dicht oerwoud, toen leefde deze primaten nog vooral in bomen.’
      ‘Maar waarom toen rechtop?’
      ‘Minder jungle, meer savannen,’ stelt Johanson, ‘rechtop lopen spaarde energie, dus wellicht kon men daardoor meer baby’s baren. De Australopithecus afarensis bleek een aap met mogelijkheden.’

Zijn wetenschap is een felle strijd. Richard Leakey en Don Johanson kunnen elkaar niet luchten. Er is zo weinig fossielmateriaal dat in iedere theorie meer fictie dan feit schuilt. Of Lucy ons evolutionair in een directe lijn voorging, is een nutteloze vraag, alsof iemand je twaalf willekeurige pagina’s laat lezen van Tolstojs Oorlog en Vrede en dan vraagt: ‘Wat is de plot?’

‘Er staat een grote spijker,’ vertelt Johanson.
      ‘Die heb ik er 31 jaar geleden neergezet.’
Dit is me iets te onnauwkeurig, dus vraag ik de coördinaten noord van de evenaar, oost van Greenwich. Alleen mijn GPS weet waar Lucy stierf.

OERNIJLPAARD

Esse Seko zwaait vanaf een heuvel. Hij is me zeker vijftig meter voor. Om me heen gigantische botten en een onderkaak. Volgens Esse een oernijlpaard. 
    Een zeg maar hoog-opper-aarts-voor-edel-stam-oud-en-nog-wat-betovergrootmoeder van onze tegenwoordige nijlpaarden, hoor ik mijn vader fluisteren.

      ‘Hier!’ zwaait Esse, ‘kijk! Een bot van een Ancylotherium, een neef van de neushoorn! Kom, kijk hier!’
Ik klim, zweet en zak weg in het mulle gruis. Op de top van de heuvel pronkt een vlak veldje. Seko staat trots op een plek. Hij wijs naar de grond. We staan voor de spijker van Johanson. Lucy. Hier lag Lucy.

 BOTTEN VAN LUCY


AFAR-GIRL NU


AFAR HUIS


VINDPLAATS LUCY


Foto's: Henk Weltevreden

 

 

Een soort niet-joodstempel

In 1979 ging ik voor het eerst van mijn leven naar Israël. Er waren mensen, die mij waarschuwden: Laat je paspoort daar niet stempelen, want als dat wel gebeurt kom je een aantal andere landen niet meer in.
      De waarschuwing was overbodig, want bij de douane bleek dat er geen stempeltje in mijn paspoort werd gezet. Kennelijk was dat toen al een bewust beleid ingegeven door bepaalde ervaringen.

Tussen 1970 en '80 van de vorige eeuw was er in Nederland opwinding over de zogeheten niet-joodverklaring. Zakenlieden en ook journalisten moesten verklaren dat ze geen jood waren als ze naar een aantal Islamitische landen in het Midden Oosten en Azië wilden. Als ze dat principieel weigerden kregen ze geen visum.

Er waren Nederlandse bedrijven die hier volop aan meewerkten

Vijandstaten

Overigens heeft Israël zelf ook in 1954 een aantal landen tot vijandstaten bestempeld. Bezitters van een Israëlisch paspoort hebben een speciale vergunning nodig om een visum te mogen aanvragen voor Libanon, Syrië, Saudi Arabië, Irak en Jemen. In 2007 kwam Iran erbij en daarna volgden Pakistan, Soedan en de Gazastrook.

Twee paspoorten

Om eventuele moeilijkheden op dit gebied te voorkomen is het in een paar landen mogelijk om twee paspoorten te verwerven. Dat zijn Groot Brittannië, Australië, Nederland, Duitsland, Oostenrijk en de Verenigde Staten.

U merkt het.
      De krankzinnigheid in deze wereld wordt deels verklaard uit stempeltjes.

Ik ben na 1979 nog vier maal in Israël geweest. Met een paspoort waarin diverse stempeltjes van ''vijandstaten'' zaten. Daar heb ik ondanks zware controles nooit problemen mee gehad. Maar dat geldt niet voor iedereen, want:


Anne Frid de Vries, een Nederlander die in Israël woont tekent hierbij het volgende aan: