Reizen (518)
- Details
- Categorie: Reizen (518)

Operation Red Dog
(Door Rolf Weijburg)

Het onafhankelijke Caribische eiland Dominica (spreek uit Doh-me-níe-ka) is het op éénentwintig na kleinste land ter wereld. Met een oppervlakte van 751 km2 is het net iets groter dan Tonga en net iets kleiner dan Bahrain, of, wat dichter bij huis, iets meer dan de helft van de provincie Flevoland.
Het eiland ligt tussen de twee Franse départements Guadeloupe en Martinique in. Niet verwonderlijk daarom dat de Fransen Dominica sinds de 17e eeuw hebben geprobeerd te bezetten. Soms lukte dat voor enige tijd, een aantal maanden, een paar jaar, maar iedere keer weer werden de Fransen door de Britten verdreven. Frans, Brits, Frans, Brits, het eiland wisselde vele malen van kolonisator en vanaf midden negentiende eeuw is het eiland Brits gebleven.
Dominica werd een British Crown Colony, daarna werd het onderdeel van de Leeward Islands Federation, toen weer een Crown Colony en vreemd genoeg sloot Dominica zich in 1940 aan bij de British Windward Islands. Alsof de wind opeens van de andere kant kwam.
Een nieuwe federatie, The Federation of West Indian States, kwam niet echt van de grond, en Dominica kreeg in 1967 zelfbestuur als een British Associated State.

In 1978 was het dan eindelijk zover: Dominica werd een onafhankelijke staat, een zogenaamd British Commonwealth Realm, een staat binnen het Britse Gemenebest, met (net als bijvoorbeeld Canada en Australië) Koningin Elizabeth II als symbolisch staatshoofd. Bijna logisch lijkt het dan dat Engels er de officiële taal is en het verkeer er zich voortbeweegt aan de linkerkant van de weg. Maar de Franse invloed is nog duidelijk voelbaar: iedereen in Dominica spreekt een op het Frans gebaseerd creools, of patois.
Patrick John
Na de aanvankelijke onafhankelijkheidseuforie kwamen echter al snel de problemen. Patrick John, die al premier was vóór de onafhankelijkheid, werd ook de eerste premier van het nieuwe onafhankelijke Dominica. Maar dat ging niet lang goed. De man vertoonde steeds meer dictatoriale trekjes en werd nog geen jaar later afgezet en vervangen door een interim-premier
Toen begon de ellende.
Het leger zwoer trouw aan de afgezette Patrick John en weigerde bevelen van de interim-premier op te volgen. Aanhangers van Patrick John gingen de straat op. De Dreads, radicale Rastafari’s, vaak verre afstammelingen van ontsnapte slaven, die in kleine nederzettingen leefden in het onherbergzame en onbereikbare binnenland, trokken dronken, stoned en vaak naakt, het oerwoud door en vermoordden in naam van Jah en de absolutie vrijheid, plantagehouders en andere burgers. In hun ogen zou Patrick John een goede bondgenoot zijn.
Een staatsgreep lag op de loer.

En alsof dat allemaal niet genoeg was, raasde op 29 augustus 1979 orkaan David precies over het eiland. Windsnelheden van meer dan 240 kilometer per uur verwoestten huizen, wegen, bruggen en plantages, legden het water- en elektriciteitsnetwerk plat en maakten driekwart van alle inwoners dakloos. Ook de gevangenis, waar onder anderen enkele leiders van de Dreads op verdenking van moord waren opgesloten, lag in puin en de gedetineerden waren gevlucht.
De orkaan had bovendien Dominica’s economie, grotendeels gebaseerd op de export van bananen, in één klap compleet verwoest. Het land was in totale chaos.
Boom op bus 
Als een stille getuige van de verwoestende kracht van deze orkaan ligt in de hoofdstad Roseau nog steeds een door een omgevallen boom verpletterde schoolbus. De bus was gelukkig leeg toen het gebeurde …
Ondertussen droomde, in Houston, Texas, ene Mike Perdue, een huurling en onbetrouwbaar zakenman, van een eigen onafhankelijk paradijs.
De chaotische situatie op Dominica was hem niet ontgaan en mijmerend vroeg hij zich af hoe eenvoudig het kon zijn om het kleine en totaal onstabiele en ongeorganiseerde tropische eiland binnen te vallen en de vroegere premier terug in het zadel te helpen. Het kleine leger was al in het oppositiekamp, de Dreads konden helpen en met wat geld en enkele extra mannen kon de klus eenvoudig worden geklaard.
Perdue reisde af naar Dominica, kwam in contact met Patrick John, met leiders van de Dominican Defense Force en enkele ontsnapte leiders van de Dreads en had na een paar maanden de opdracht om de coup financieel, strategisch en militair te organiseren in de pocket. De deal was dat Perdue na de geslaagde coup zijn eigen casino op het eiland kon bouwen en runnen, cocaïne plantages kon beginnen en exploiteren en een aandeel in de export van alle marihuanaplantages op het eiland zou krijgen. Daarnaast bedong hij Dominicaans staatsburgerschap en een salaris van 200.000 Dollar, plus een vast percentage van al het binnenkomende ontwikkelingsgeld.
Dit zou het soort paradijs worden waar hij altijd van gedroomd had.

Eugenia Charles
Tijdens de Dominicaanse verkiezingen van 1980 werd Eugenia Charles gekozen tot premier, de eerste zwarte vrouwelijke premier in de Cariben. Zij zou het land weer gaan opbouwen, de corruptie en de wetteloosheid aanpakken. Ook de Dreads moesten worden aangepakt. Daarmee dreef ze de Dreads als het ware in de armen van Patrick John’s coup-ideeën.
Vanaf nu zouden de Dreads de geplande coup onvoorwaardelijk steunen.
Mike Perdue had inmiddels in Las Vegas een aantal geldschieters kunnen overtuigen de nodige fondsen voor de onderneming vrij te maken door ze voor te houden dat de hele coup werd ondersteund door de CIA om het “communistische” bewind van Eugenia Charles omver te werpen.
In werkelijkheid steunde de VS juist Charles om te voorkómen dat een communistisch regime, naar voorbeeld van Grenada de macht zou grijpen.
Maar Perdue was succesvol. Hij had nu voldoende geld om wapens te kopen en was erin geslaagd een tiental huurlingen voor de couppoging te interesseren. Een bont gezelschap: enkele Amerikanen, een Canadees, een Brit met een Congo- achtergrond, een Ier met een IRA verleden, alsmede enkele Ku Klux Klan strijders.
Hij had zijn plan inmiddels Operation Red Dog gedoopt en de hele coupactie tot in de puntjes uitgetekend, veelal op basis van Frederick Forsyth’s boek “TheDogs of War”.

Hij had transport over land georganiseerd en een boot voor de overtocht vanuit Louisiana naar Dominica. Het actiescenario zou pas de avond voor vertrek en tijdens de overtocht met iedereen worden doorgenomen. De nachtelijke landing, de aanval langs drie verschillende fronten, de inname van het politiebureau en het radiostation, Perdue had het allemaal uitgestippeld en had voor ieder van zijn medestrijders een koffertje met de nodige gegevens, kaarten en het aanvalsplan ingepakt. Ook op Dominica was alles en iedereen in stelling gebracht.
Op 27 april 1981 was het zover. Op de smalle landstrook nabij New Orleans (USA), die Lake Pontchartrain van Lake Catherine scheidt ontmoetten de huurlingen ’s avonds volgens afspraak twee chauffeurs met een bestelbus en een kleine vrachtwagen die ze naar de pier zouden rijden waar de boot lag te wachten. Al het materiaal werd overgeladen naar de twee wagens: geweren en pistolen, ammunitie en dynamiet, rubberboten, waterflessen, walkie-talkies, whiskey, ontstekingsmechanismen, camouflagekleding, zaklampen. In de overgebleven vrije ruimte van de vrachtwagen namen de mannen plaats. De chauffeur deed de vrachtwagendeur op slot. Mike Perdue nam plaats in de bestelbus. De passagiersdeur zat vast, dus moest hij via de bestuurdersdeur naar binnen. De chauffeurs gaven gas. Bij de pier aangekomen stapte de chauffeur van de bestelbus als eerste uit.
Hij trok een pistool.
“Mister Perdue, you are under arrest!”
Mike Perdue kon zijn oren niet geloven. Met de gesloten passagiersdeur zat hij in de val en kon hij niet anders dan zich overgeven. Zijn kompanen zaten opgesloten in de vrachtwagen en konden direct naar de gevangenis worden afgevoerd…
Waar Mike Perdue in al die maanden van voorbereiden niet aan had gedacht, was dat de meeste van zijn huurlingen bij de FBI bekend waren en voortdurend in de gaten werden gehouden. Nadat Perdue bovendien onderhandelingen was begonnen met de eigenaar van de boot, aan wie hij vertelde dat de boot nodig was voor een CIA actie, had de eigenaar de CIA en het Bureau voor Alcohol, Tabak en Vuurwapens geïnformeerd. Na alle latere gesprekken met Perdue, die graag tegen de man opschepte en steeds meer info vrijgaf, kon de booteigenaar de CIA, FBI en ATF haarfijn op de hoogte brengen van Perdue’s plannen zodat undercoveragenten uiteindelijk konden worden ingezet om de huurlingen in de val te lokken.
Stewart Bell schreef er een mooi boek over, dat een beetje leest als een spannende thriller: “Bayou of Pigs” (een verwijzing naar de mislukte Varkensbaai invasie op Cuba in 1961)
Mike Perdue draaide drie jaar de gevangenis in, zijn huurlingmaatjes kregen tussen de één en de drie jaar celstraf. Ook op Dominica werden de nodige handlangers opgepakt, daar lagen de straffen aanzienlijk hoger. Zo kreeg Patrick John twaalf jaar cel.
Hij kwam echter na vijf jaar al vrij en werd in 1994 President van de Dominicaanse Voetbalbond.
Tóch nog president dus …

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld
Klik HIER voor alle afleveringen
- Details
- Categorie: Reizen (518)
Twee Witte Paarden
Het was 6 mei 2010.
Wij waren in het truffeldorado Norcia in het Italiaanse Umbrië en besloten om niet via Oostenrijk of Zwitserland naar huis te rijden, maar via Frankrijk. Vlak voor de grens kwamen wij na 718 kilometer in Aosta terecht in Hostellerie du Cheval Blanc. Dat was enigszins vreemd, want er zijn in Italië niet zoveel hotels met een Franse naam.
Maar het zou nog veel vreemder worden want de volgende dag belandden wij na 651 kilometer in de Franse Champagne in het plaatsje Montmort-Lucy.
In -jawel- Le Cheval Blanc.


Dat was een merkwaardig toeval, want hoe groot is de kans dat je zonder reserveringen vooraf op goed geluk twee maal achter elkaar terecht komt in een hotel met dezelfde naam?
Ik hou het op een kans van 1 op 123.746 duizend.
Voor het geval u mij niet gelooft publiceer ik hierbij de rekeningen met de data.
Dat zijn bovendien leerzame briefjes.
Aosta
Hostellerie du Cheval Blanc in Aosta is wat betreft de overnachting met € 150,-- aan de prijzige kant.
Het diner is daarentegen erg goedkoop.
Ik denk dat het gebleven is bij uitgebreide antipasti. Er was een flesje witte Lambrusco voor € 18,--
Montmort
Kamer nummer 2 in Le Cheval Blanc in Montmort-Lucy was inderdaad niet meer dan € 60,-- waard.
Twee aperitiefjes -twee glazen champagne natuurlijk- waren er voor € 15,-- en een half flesje witte Sancerre deed € 16,--.
Er was bij die wijn natuurlijk vis, waarschijnlijk forel met amandeltjes want de keuken op het Franse platteland verandert nooit.
Twee ontbijtjes waren er voor € 15,--.
- Details
- Categorie: Reizen (518)

Landing Is Always Tricky.
(Door Rolf Weijburg)
Je kan zeggen wat je wilt, maar we vertrokken precies op tijd vanuit Barbados. Het propellervliegtuig taxiede naar het begin van de landingsbaan, de propellers begonnen op volle kracht te draaien en je voelde dat het vliegtuig van de grond wilde. Toen de piloot de remmen los haalde schoot het toestel dan ook over de baan en trok in een mum van tijd de lucht in.
Bridgetown schoof onder ons door, we zagen de prachtige stranden van de westkust, het turkooizen water, enkele gigantische cruiseschepen en weg was het op twaalf na kleinste land ter wereld.

We waren op weg naar het op eenentwintig na kleinste land ter wereld: Dominica. Niet te verwarren met de Dominicaanse Republiek, een land iets groter dan Nederland dat het eiland Hispaniola deelt met Haïti, weliswaar ook in de Cariben, maar ruim twaalfhonderd kilometer noordwestelijker.
LIAT

Leaves Island Any Time
Het vliegtuig was van LIAT, een vliegtuigmaatschappij uit Antigua & Barbuda die met vluchten naar zo’n beetje alle Caribische eilanden een Caribisch monopolie leek te hebben. LIAT, spreek uit Laai-et, staat voor Leeward Islands Air Transport.
De maatschappij genoot een op zijn zachtst gezegd twijfelachtige reputatie in de regio en er werd dan ook overal naar hartenlust geïmproviseerd met de woorden waarvan de vier letters de initialen zouden kunnen zijn.
“Leaves Island Any Time”, is er één van. Maar we vertrokken op tijd.
We maakten een tussenlanding in Saint Lucia en ook daar landden en vertrokken we nagenoeg op tijd. Toen we Saint Lucia achter ons lieten was het donker geworden.
Het internationale vliegveld van Dominica (toen in 2012,nog Melville Hall geheten, tegenwoordig heet het Douglas-Charles) ligt op het enige stukje vlakke land aan de noordoost kust van het eiland en is omringd door ruig met oerwoud overgroeid bergland. Landen is er niet eenvoudig, het geaccidenteerde omliggende terrein zorgt voor lastige aanvliegroutes met verraderlijke winden. Pas in 2010 vergaarde het vliegveld de noodzakelijke navigatiesystemen, protocollen en certificaten om ook landen in het donker mogelijk te maken.
Na drie kwartier vliegen werd de passagiers verzocht de riemen vast te doen, de tafeltjes in te klappen en de stoelen rechtop te zetten. We wachtten af. Door het raampje zag ik alleen maar donkerte. Het vliegtuig daalde, draaide, en daalde verder. Nog steeds zag ik niets. Het toestel leek weer wat op te trekken en draaide de andere kant op. Het leek alsof de motoren stationair draaiden terwijl we grote cirkels vlogen. De passagiers waren stil. Weer daalden we. Weer draaiden we. Nog steeds zag ik niets. Het leek een eeuwigheid te duren. We hoorden de flaps uitschuiven, het landingsgestel zakken en het geluid alsof er werd teruggeschakeld. Maar er gebeurde niets. Buiten bleef het donker. We trokken weer op.
De intercom kraakte. De captain sprak.
“Helaas kunnen wij vanavond niet landen op Dominica. Excuses voor het ongemak. Wij vliegen nu door naar Guadeloupe.”
Nu maakte LIAT een andere veel gebezigde bijnaam wél waar: “Landing Is Always Tricky”.
Met bestemming Dominica mochten we in het Franse Guadeloupe niet uitstappen en moesten we nog een uurtje door naar Antigua & Barbuda, LIAT’s “hub” en het eindpunt van deze boemel.
De Cariben is een paradijs voor de Kleine Landjes Vorser. Binnen een dag vlogen we van Barbados, het op twaalf na kleinste land ter wereld, via een stopover op Saint Lucia, nummer 18 op de lijst van kleinste landen, en een mislukte landingspoging op Dominica, het op eenentwintig na kleinste land ter wereld, naar Antigua & Barbuda, dat op positie 14 van de kleine landjes lijst staat. Met een beetje meer geslinger hadden we ook nog Grenada (11), Saint Vincent & the Grenadines (12) en Saint Kitts & Nevis (13) mee kunnen pikken.
Maar zo was het wel genoeg.
We waren van Barbados op weg naar Dominica en moesten nu dus om onduidelijke redenen uitwijken naar het noordelijker gelegen Antigua.
Lost In between Antigua and Trinidad
Noem het “Lost In between Antigua and Trinidad”, zoals een andere bijnaam van LIAT luidt.
We zouden de nacht op Antigua doorbrengen en met een stuk of twintig andere verdwaalde passagiers reden we in een bus over het donkere eiland. Kleine weggetjes, linksaf, rechtsaf, helling op, bergje af, door dorpen en langs plantages. Een uur onderweg totdat we bij een groot, verlaten hotel aan de zuidwestkust van Antigua kwamen. Alle passagiers kregen kamers en in der haast werd een aantal maaltijden klaargemaakt. Er waren geen andere hotelgasten. De volgende ochtend zouden we een nieuwe poging wagen om Dominica te bereiken.
Het was nog donker toen we werden gewekt. Er was een snel ontbijt en daarna weer een uurtje in de bus. We konden nu het glooiende landschap van Antigua zien. Het zag er allemaal veel droger uit dan het groene eiland dat ik me herinnerde van een aantal jaar terug.
Het vliegveld was net open. We konden inchecken, maar het kleine cafetaria en de drie winkeltjes waren nog gesloten. Uiteindelijk was het dan zover en konden we aan boord. We vlogen over de grillige kusten van Antigua, later over de bergen van Guadeloupe en na een uurtje kwam Dominica in zicht.


Het vliegtuig daalde, draaide bij en daalde nog meer.
We doken door de bewolking heen en vlogen dicht over de indrukwekkende met oerwoud bedekte bergen.


Toen maakte het vliegtuig nog een abrupte duik en raakten we met een flinke schok het asfalt van Melville Hall Airport.
Luggage In Another Terminal
We waren veilig op Dominica aangekomen, maar toen we als laatste nog stonden te wachten bij het kleine luik waar de bagage doorheen werd geschoven, en er écht niets meer kwam, was het wel duidelijk: de bagage was niet meegekomen.
Lagen de tassen nog in Antigua? Waren ze niet uitgeladen en nu op weg naar Barbados?
Niemand die het wist.
Eén ding was zeker: Luggage In Another Terminal.

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld
Klik HIER voor alle afleveringen
- Details
- Categorie: Reizen (518)
Exorbitante schoonheid

(door Rolf Weijburg)
Ik denk niet dat het heel veel met mij te maken heeft, maar sinds mijn verblijf in Palau in 2007 is het toerisme er explosief toegenomen. Chinezen hebben Filipino arbeiders grote hotels laten bouwen waar sindsdien heel veel Chinezen zijn komen logeren die door Filipino personeel bediend werden. Chinezen, Zuid-Koreanen, Taiwanezen, Japanners en Amerikanen, allemaal komen ze voor óf de tastbare overblijfselen van de oorlogsellende, óf de exorbitante schoonheid van Palau’s eilanden. Het intens groene oerwoud, het kristalheldere water, de stranden, de spectaculaire snorkel- en dive-sites, of het Jellyfish Lake.
Het wordt druk in Palau.

Maar ook om andere redenen brokkelt het paradijs een beetje af.
Jellyfish Lake
Palau’s grootste trekpleister, het Jellyfish Lake, een bijna geheel met kwallen verzadigd zoutwatermeer waar je in kunt zwemmen, sterft af. Waren er in november 2015 nog ruim 8 miljoen kwallen, eind vorig jaar waren het er nog hooguit 600.000. Meest jonge kwallen, de grote, oudere exemplaren bleken te zijn verdwenen. Enkele touroperators hebben hun bezoeken aan het meer onlangs gestaakt, omdat toeristen steeds vaker niet één kwal meer tegenkwamen.
De oorzaak wordt in de schoenen van El Niño geschoven, het periodiek terugkerend fenomeen van opwarming van bepaalde delen van de Stille Oceaan dat wereldwijde klimaatveranderingen teweeg brengt. In Palau is het de afgelopen jaren warmer dan ooit en heeft het nog nooit in het 65 jarig bestaan van haar meteorologische dienst, zó weinig geregend.
Het Jellyfishmeer is daardoor zouter dan ooit geworden.
Over het algemeen zorgt Palau goed voor het milieu. Het land wordt gezien als een leider in de strijd tegen milieuvervuiling en klimaatverandering in de regio. Stemmen gaan nu op om het Jellyfishmeer voor alle publiek te sluiten om zo de kwallen de kans te geven deze moeilijke periode te boven te komen. Een gevoelige beslissing omdat deze zeker weerslag zal hebben op ’s lands grootste kostwinner: het toerisme. Ook het feit dat er eind vorig jaar algemene verkiezingen waren heeft er waarschijnlijk toe bijgedragen, dat het nemen van die beslissing werd uitgesteld. Hoewel er niet zo veel meer te zien is, blijft het meer dan ook vooralsnog voor het publiek toegankelijk.
Politiek
In de presidentsverkiezingen won de zittende president Tommy Remengesau van zijn rivaal en zwager Surangel Whipps. Het verschil in stemmen was maar 255, zelfs met de slechts 16000 stemgerechtigden van het land nog een nipte overwinning.
Naast de president werden ook een vicepresident, 13 nieuwe senatoren en 16 nieuwe leden voor het Huis van Afgevaardigden gekozen. Die 16 zetels in het Huis van Afgevaardigden zijn voor vertegenwoordigers uit ieder van de 16 federale staten van het land.

Het zijn allemaal staten met heel weinig inwoners. Om een idee te geven: de hele staat Melekeok op het grote eiland Babeldaob waar het gehucht Ngerelmud is uitgeroepen tot nieuwe hoofdstad met een kopie van het Amerikaanse Capitool als regeringszetel, heeft slechts 300 inwoners.
Alleen in de staten Airai in het zuidoosten van Babeldaob en in Koror waar de gelijknamige, vroegere hoofdstad ligt, wonen meer dan duizend inwoners (respectievelijk 2500 en 11500).

Tobi
Op de dag van mijn vertrek uit dit op 15 na kleinste land ter wereld toen ik buiten het vliegveldgebouw op een houten bankje in de schaduw zat te wachten op mijn vlucht, kwam een man van typisch Palauaans postuur naast me zitten. We raakten aan de praat.
Hij kwam van het eilandje Tobi, vertelde hij trots en liet me de tekst zien die achter op zijn T-shirt was geprint. TOBI stond er in dikke donkerrode blokletters, als ware het een bedrijfsnaam.

“Where is Tobi?”, vroeg ik en pakte mijn kaart erbij.
De man twijfelde geen moment en wees naar het aller zuidelijkste eilandje helemaal aan de onderkant van de kaart.

Eenzaam lag het daar, samen met het naburige onbewoonde Helen Reef, slechts drie vierkante kilometer groot en achthonderd bijna lege oceaankilometers verwijderd van de rest van het land.
“Dat is heel ver weg!”zei ik. “Hoe kom je daar?”
“Dat moet je regelen”, zei hij mysterieus.
“Maar wie woont daar nou? En hoeveel mensen dan?”
“They’re all my brothers and sisters.”
Ik weet niet of hij het letterlijk of overdrachtelijk bedoelde maar in totaal waren het er 23 die overigens ook nog n’s een eigen taal spraken, het Ramarih Hatohobei, een taal die niemand anders in Palau verstond.
Er was geen haven, alleen een strand. Een vliegveld was er ook niet, daar was het eiland te klein voor. Maar toch was Tobi op een bepaalde manier ook weer groot.

Het kleine eiland Tobi vormde namelijk, samen met het onbewoonde Helen Reef, één van de zestien federale staten van Palau. The State of Hatohobei. Het had, net als de andere staten, een gekozen vertegenwoordiger op een zetel in het Huis van Afgevaardigden daar in dat Palauaanse Capitool midden in de jungle van Babeldaob.
Een staat waar één op de 23 inwoners volksvertegenwoordiger was.


Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld
Klik HIER voor alle afleveringen
- Details
- Categorie: Reizen (518)

De slag om PELELIU

(Door Rolf Weijburg)
Auntie Margaret pruimde een betelnoot. Samen met haar vriendin Evelyn zat ze in kleermakerszit in de schaduw van het met palmbladeren beklede puntdak van een grote Abai. De noten bewaarde ze samen met een klein sierlijk bakje fijngemalen koraal en een zakje met wat tabak (de ideale mix voor puur betelgenot) in een elegant handtasje van gevlochten riet dat naast haar lag. Terwijl Diane een omeletje voor me maakte, vroeg Auntie Margaret me de oren van het hoofd.
Margaret was een nieuwsgierige vrouw. Ze was ook grappig, praatte voortdurend en had slimme heen en weer schietende ogen. Al die dingen contrasteerden eigenlijk een beetje met haar mollig Micronesische relaxedheid. Ze was dertig jaar lang stewardess voor Continental Airways geweest, runde op het eiland nog een winkeltje, maar was eigenlijk met pensioen. Ze had van haar salaris een groot huis van twee verdiepingen kunnen bouwen, één van de weinige op Peleliu. Het stond achter ons aan de rand van het strand op een terrein vol bloemen en palmen. Aan de zijkant van het huis vond ik een aantal in karton en plastic verpakte grote pakketten. Er stond een plaatje van een jacuzzi op.
“Jazeker”, zei Diane, “dat is een echte jacuzzi. Helemaal compleet en gloednieuw. Nooit gebruikt. Er zit ook een hele sauna bij. Ligt hier al een jaar of vijf, schat ik.”
Een jaar of vijf terug zag een Filipijns bedrijf in sauna’s, jacuzzi’s en sjieke badkamers een gat in de markt in Palau. Het bedrijf vloog wat mooie voorbeelden van zijn handel naar Koror, waar het een tijdelijke verkooptentoonstelling inrichtte. Maar de handel viel tegen en na een maand was er niet één product verkocht. Vervelend, mede omdat er daardoor onvoldoende geld was om de uitgestalde sauna’s e.d. terug te vliegen naar de Filipijnen.
Auntie Margaret was er als de kippen bij en kocht een sauna en jacuzzi voor een spotprijs. De grote pakketten werden een paar dagen later in haar tuin gedumpt, maar de installateur was inmiddels naar de Filipijnen teruggevlogen. Op Palau zijn helaas geen jacuzzi-installateurs en Auntie Margaret eiste dat de man terugkeerde om de boel te komen installeren. Maar die wilde dat ze eerst zijn retourticket betaalde en, tja, dát weigerde Auntie Margaret …
“And so it is that Palau’s only jacuzzi and sauna remain unpacked …”
Diane schudde afkeurend haar hoofd.

Auntie Margaret (links) en haar vriendin Evelyne
We gingen op pad. In Margaret’s Toyota pick-up reden we het eiland in. Margaret achter het stuur, Evelyne er naast en Diane en ik in de achterbak. Lekker uitwaaien, want God wat was het heet.
Peleliu, zo mooi en vredig als het er nu uitziet, was ooit het toneel van één van de meest bloedige en gruwelijke slagen uit de Tweede Wereldoorlog. De Slag om Peleliu werd aan het einde van de oorlog, najaar 1944, uitgevochten en duurde twee en een halve lange, vreselijke maanden.
We stopten bij een klein museum dat was ingericht in een enorme bunker die tijdens de oorlog het Japanse commando huisvestte.
Het museum lag vol met verroest oorlogsmateriaal: mitrailleurs, helmen, bajonetten, geweren.

Er waren foto’s en artikelen uit Japanse en Amerikaanse kranten en reproducties van schilderijen vol gruwelijke taferelen van een Amerikaanse kunstenaar. Ook zag ik bebloede hoofddoeken met Japanse teksten, die de soldaten meekregen van thuis voordat ze zich ten strijde begaven. Alles lag en hing er een beetje verwaarloosd bij, iets wat alleen maar bijdroeg aan het gevoel van zinloosheid.
We reden verder over dit prachtige eiland. Door een dichte jungle met hier en daar kleine taro- of bananenplantages.
“Weet je eigenlijk hoe het komt dat de meeste eilandbewoners hier in redelijk luxe huizen wonen en het over het algemeen financieel best wel goed hebben?” vroeg Diane.
Ik had er niet zo over nagedacht, maar nu ze het me zo vroeg, nee, ik had geen idee.
“De meeste mensen hier hebben, verstopt in de jungle, kleine veldjes waar ze marihuana verbouwen. Niemand weet waar ze liggen, zelfs onder elkaar vertellen de eilanders niet waar hun planten groeien. Maar eens in de zoveel tijd wordt er geoogst en wordt de wiet vervoerd naar Guam waar het clandestien aan de Amerikanen wordt verkocht. Het is dé bron van de relatieve welvaart van Peleliu. Een publiek geheim in Palau, maar nog nooit is er onderzoek naar geweest.”
De wegen waren in redelijke staat en dateerden nog uit de oorlogstijd toen ze door de Japanners waren aangelegd. Het waren er veel, kriskras over het eiland. Het eiland lag er vol mee. Ook het flinke en vooral brede vliegveld stamde nog uit de Japanse tijd. Overal groeide onkruid en ik kon me nauwelijks voorstellen dat er hier nog vliegtuigen landden. Maar dat was wel degelijk zo: Palau Air onderhield een paar keer per week een vlucht op het eiland. Tegenwoordig wordt die service aangeboden door Pacific Mission Airways dat als slogan “Serving Jesus Christ” heeft.
“Op woensdag komt het vliegtuig uit Koror hier aan het begin van de avond. Dan branden er lampjes tussen het gras langs de landingsbaan.”
Even dacht ik dat Diane er romantisch van werd.

Misschien was dit vliegveld wel één van de oorzaken van de Slag om Peleliu. In een in 1944 nieuw ontwikkelde Amerikaanse strategie zou het eiland een belangrijk bruggenhoofd moeten worden voor de opmars naar Japan. Eerst Peleliu, dan de Filipijnen, vervolgens via Taiwan op naar Japan, was het plan. Peleliu, met zijn vliegveld, moest als eerste worden veroverd.
Het begon met bombardementen. Duizenden bommen wierpen de Amerikanen af over het eiland. Het vliegveld werd verwoest, de jungle brandde af en de huizen werden platgebombardeerd. In een vlaag van barmhartigheid hadden de Japanners de lokale bevolking gelukkig overgebracht naar de noordelijke eilanden Koror en Babeldaob. Toen de Amerikanen de bombardementen na enkele dagen staakten verschenen schepen langs de kust van waaruit een paar duizend man de ooit paradijselijke stranden van Peleliu bestormden. Het eiland was letterlijk platgebombardeerd, er was geen tegenvuur geweest en de Amerikanen verwachtten weinig weerstand.
Maar de Japanners waren van tactiek veranderd. Ze hadden zich ingegraven in een gigantisch complex van tunnels en schuilkelders die ze hadden uitgegraven in het relatief zachte kalksteen van de met jungle overgroeide bergen en heuvels. Het hele eiland was ondergraven. 11000 man, nauwelijks aangetast door de zware douche van bommen van de afgelopen dagen, had zich stil gehouden en wachtte verscholen in hun tunnels de Amerikanen op.
Het werd een strijd van apocalyptische proporties. In de twee en een halve maand die de gevechten duurden kwamen 11.000 Japanners en bijna 2.000 Amerikanen om het leven. Nog eens 8.000 Amerikanen raakten gewond of vermist.
En om het allemaal nog zinlozer te maken dan oorlog sowieso al is, gaven de Amerikanen later toe dat de hele slag om Peleliu van geen enkel belang is geweest voor de laatste fase van de oorlog …

Op het aller-zuidelijkste puntje van het eiland kwamen we bij het Peace Memorial Park waar een groot monument was gebouwd ter nagedachtenis aan de gevallenen. Het stond op een prachtige plek met in de verte zicht op het eiland Angauer. Dit kleine eiland ligt net buiten de gigantische lus van koraal waarbinnen bijna alle Palauaanse eilanden liggen, zodat je sterke stromingen moet trotseren om er te komen.
“It looks close by, but it takes ages to get there!”, zei Diane. “De 250 inwoners van het eiland zijn er in een lange strijd verwikkeld met groepen apen, afstammelingen van twee makaken die ooit door Duitse kolonisten aan land waren gebracht. Het zijn de enige apen in heel Micronesië. Ze eten krabben. De eilanders ook. Van daar.”

Margaret draaide de auto en we reden weer noordwaarts, langs Orange en White Beach waar de Amerikanen destijds aan land waren gekomen, het binnenland in tot aan een klein parkeerterrein waar een tank lag weg te roesten in het gras.
Wat verderop stak de loop van een mitrailleur dreigend uit de jungle.

Een in de aarde uitgegraven trap leidde tegen de berg op. Dit was Bloody Nose Ridge, de bergrug waar na zware gevechten de Japanse kolonel Nakagawa op 24 november 1944 na twee en een halve maand weerstand de Japanse vlag verbrandde en harakiri pleegde. Zich overgaf, kortom.
Er stonden Amerikaanse en Japanse monumenten en het uitzicht was fenomenaal.
Ongelofelijk wat een ellende zich hier toen moet hebben afgespeeld.
Hier op deze plek, waar nu het woord “liefelijk” het enige was dat me te binnen schoot.

In het eindeloze gangenstelsel binnen in de berg onder ons hebben 34 Japanse soldaten zich, angstig om door de vijand te worden ontdekt en onbewust van het feit dat hun kolonel zich had overgegeven of zelfs dat een paar maanden later de hele oorlog was afgelopen, nog twee jaar - tot april 1947- schuilgehouden …

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld
Klik HIER voor alle afleveringen
Subcategorieën
Reizen Aantal artikelen: 88
Pagina 98 van 106

