Reizen (518)

CARIBEN

   


Een vliegtuigje huren

                                

(Door Rolf Weijburg)

Falmouth Harbour, een schitterende baai in het zuiden van Antigua, het hoofdeiland van de onafhankelijke staat Antigua and Barbuda. We zaten op het achterdek van de “Icaros”, Victors catamaran. Groene heuvels omsloten het kalme turkooizen water aan drie zijden van de perfecte natuurlijke haven. Nelson’s Dockyard lag om de hoek.
      Tientallen andere zeiljachten, de één nog ranker, mooier, glanzender dan de ander, lagen zacht wiegend voor anker op het Caribische water.
Victor schonk de sundowners in.
      “Waarom huur je niet een vliegtuigje?” opperde hij, terwijl hij er een blikje Pringles bij opentrok.

We waren met zijn tweeën vanuit Nevis via Saint Kitts en Sint Eustatius naar Saint Barts gezeild. Daar waren mijn vrouw Catherine en onze dochters Lisa en Kimber aan boord gekomen. Met zijn vijven hadden we twee weken in en rondom Barbuda en Antigua doorgebracht en morgen zouden we terug naar het Franse Guadeloupe vliegen om daarvandaan eind van de middag weer terug te kunnen vliegen naar Parijs.
      Maar alle vluchten zaten vol.
 “We kunnen ook gaan varen hoor, dan moeten we morgen heel vroeg weg. Hoogstwaarschijnlijk komen we dan wel op tijd, maar het blijft onzeker natuurlijk. Nee, morgen een vliegtuigje huren lijkt me helemaal zo gek nog niet!”

De zon dook in een spectaculaire lichtshow de zee in.
      Een vliegtuigje huren! Dat was een mogelijkheid die nog nooit bij me was opgekomen.
“Dat is toch veel te duur? Lijkt me niet echt een optie!”

Toch gingen we bellen. Het chartermaatschappijtje Norman Aviation wilde ons wel overvliegen naar Guadeloupe. De prijs bleek alleszins redelijk, nauwelijks meer dan vier reguliere tickets. We reserveerden.
      De volgende ochtend vroeg stonden we op het kleine V.C.Bird International Airport, Antigua’s enige vliegveld. De piloot, ik denk dat het Norman zelf was, bleek een wat norse man. Iemand van weinig woorden, zogezegd. Hij had duidelijk haast. “Heeft u het geld?”
      We haalden geld bij de pinautomaat en overhandigden hem de kleurrijke Oost-Caribische dollars. In ruil daarvoor kregen we enkele geplastificeerde instapkaarten.
      “Loopt u langs de douane, dan pik ik u daarna weer op. We vertrekken direct.”

   

We moesten bijna rennen om hem bij te houden toen hij naar het vliegtuig liep dat in een hoekje van het vliegveld stond geparkeerd. Het was een zeszittertje, een Piper Seneca. We stapten in, de piloot schoof onze bagage achter een luik, ging op zijn stoel zitten en startte de motor. Hij deed zijn koptelefoon op, draaide aan knoppen en drukte schakelaars in. Wij deden onze veiligheidsgordels om. De piloot sprak over de radio met de verkeersleiding, taxiede naar de landingsbaan en in een mum van tijd waren we los van de grond en vlogen over de heuvels van Antigua. Het vliegtuigje ronkte tevreden.
      We zagen Falmouth Bay in de diepte, de "Icaros" was een vlekje op het water geworden. Het land vervaagde achter ons terwijl we over de diep blauwe Caribische Zee vlogen. Een klein uurtje later landden we op Point-à-Pitre Le Raizet Aeroport. Hier leek, net als bij ons vertrek, spoed geboden: we pakten onze tassen en holden weer achter de piloot aan naar de terminal. Via een achteringang en een paar smalle gangetjes en klapdeuren stonden we zomaar opeens in de vertrekhal. “Have a nice trip home.” zei de piloot en haastte zich weg.

We hadden geen grenscontrole gezien. Geen douane. Geen paspoortcontrole. Toch waren we vanuit Antigua in Europa beland.
      Het Franse Overzeese Département de la Guadeloupe is een zogenaamde Europese Ultraperifere Regio. Een gebied dat behoort tot één van de Europese lidstaten, waar dezelfde Europese regels gelden als in Europa zelf. Hoewel geen onderdeel van de Schengenzone, is Guadeloupe  integraal onderdeel van de Europese Unie waardoor het te beschouwen is als een van de uitersten van Europa, een plek waar Europa tot in de Cariben reikt.

Kijk uw Eurobiljetten er maar op na

   

Je zou verwachten dat de controles er, zoals langs andere Europese buitengrenzen waar soms hoge, met prikkeldraad getooide hekken het Fort Europa tegen indringers moesten beschermen, wat strenger waren. Maar nee, hier op Guadeloupe kon je via een achterdeurtje gewoon de Europese ruimte binnenlopen.
      Ik zou iedereen zonder geldige papieren voor Europa kunnen aanraden om in Antigua een vliegtuigje bij Norman Aviation te huren en naar Guadeloupe te vliegen, ware het niet dat het bedrijfje in 2009 wegens fraudulous and unsafe practices zijn vliegvergunningen verloor en ter ziele ging.

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

 

Voorjaar 2002

Oslo-Tromsø-Longyearbyen

 ''Er zijn mensen -vooral buitenlanders- die de aquavit koud drinken. Dat zijn barbaren''.

‘Zullen we een aperitiefje nemen’, zegt Harald. We zitten hoog in de lucht boven het Bereneiland tussen Tromsø in het noorden van Noorwegen en Longyearbyen, de hoofdstad van Spitsbergen. 
      We vliegen met de Noorse maatschappij Braathens en hebben op de route Amsterdam-Oslo-Tromsø ook al naast elkaar gezeten. Harald heeft toen al een paar keer een klein flesje besteld bij een stewardess. 
      'Aquavit moeten we drinken'' zegt hij. ‘Linie aquavit, want dat is de beste’.

Harald is een Noorse wapenhandelaar uit Trondheim. Maar sinds een paar jaar doet hij ook zaken op Spitsbergen of zoals je het volgens hem moet noemen Svalbard. 
      Toeristen op Svalbard moeten namelijk een wapen bij zich hebben als ze Longyearbyen verlaten om zichzelf te kunnen beschermen tegen ijsberen. Een lucratieve handel, want er komen steeds meer toeristen.
       Daar komt nog bij, dat vrijwel iedere inwoner van Spitsbergen een wapen heeft. Ze mogen namelijk per jaar één rendier schieten. 
Dat moet buiten het stadje gebeuren.  ''En dan moeten ze'', zegt Harald, ''bij de overheid een tand van dat beest inleveren. Iedereen schijnt dat te doen'.
Alles op Spitsbergen gaat eerlijk. Criminaliteit is er nauwelijks. De mensen zijn namelijk heel erg op elkaar aangewezen''.
 

De stewardess brengt vier kleine flesjes aquavit en twee Svalbard glaasjes. 
      ‘Er is met deze aquavit iets bijzonders aan de hand’, zegt Harald. 
‘Het wordt in Noorwegen in houten vaten gestopt en aan boord van een containerschip gebracht. Een schip dat naar Australië gaat. Het spul is dan maanden onderweg en krijgt een zeer aparte smaak door het schommelen van het schip en allerlei verschillende weersinvloeden. En omdat het op die tocht van Noorwegen naar Australië en terug twee keer de Evenaar passeert noemen wij het Linie Aquavit’.

‘Het weer tijdens iedere reis is natuurlijk anders', zegt Harald, die de 0.04 liter van het flesje in één teug opdrinkt. 
      ‘Daarom smaakt deze aquavit nooit hetzelfde’. Er zijn mensen -vooral buitenlanders- die de aquavit koud drinken. Dat zijn barbaren. Die drank is namelijk zo zuiver dat je het op kamertemperatuur moet drinken. Dan pas proef je die licht zilte smaak, dat heerlijke aroma, die invloed van warmte en wind, van passaten en moessons’.

                                

Een blik op het etiket leert dat de aquavit gerijpt is tussen 6 januari 1988 en 13 mei 1988 aan boord van het motorschip Barber Tampa. Het heeft 41.5% alcohol en is gebotteld in Trondheim, inderdaad de geboorteplaats van Harald. 
      Bij aankomst op Svalbard kregen we nog een extra flesje en ook het glaasje mochten we houden.

 (Eerder geplaatst 11-12-''12) 

 

Ontmoetingen in de lucht: 

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan

 

 

 

CARIBEN 

   


 Eiland met twee gescheiden werelden

                         

(Door Rolf Weijburg)

We waren vanuit Barbuda in een grote boog naar de westkust van Antigua gevaren, het hoofdeiland van het op 13 na kleinste land ter wereld, de Caribische staat Antigua & Barbuda. Voor ons lag tussen vaalgroene heuvels de ingang naar de baai waarachter Jolly Harbour schuilgaat.
      We streken de zeilen en voeren op de motor naar binnen.

Toerisme is Antigua & Barbuda’s grootste industrie. Aan het eind van de vorige eeuw werd bijna 70% van ’s lands bruto nationaal product met toerisme verdiend - op de wereldranglijst goed voor een zesde plaats-, hoofdzakelijk op Antigua.
      Het eiland heeft een uitermate grillige kustlijn, vol met baaitjes en inhammen die niet zelden ansichtkaartwaardige stranden herbergen. 365 in totaal, zoals de folders beweren, one for every day in the year. De toeristen weten ze wel te vinden.

De kusten van het eiland liggen bezaaid met grote luxe resorts, sjieke condominiums, vijfsterren hotels en gated communities maar Jolly Harbour spande de kroon: toen we de nauwe doorgang tussen twee landtongen doorvoeren kwamen we in een andere wereld. Lange rijen prachtige villa’s lagen onder de palmen, ieder met een eigen steiger voor de deur waaraan niet zelden een mooi bootje dobberde.
      De palmen wuifden groen, het gras was gemaaid, de bloemen hadden de mooiste kleuren, vogeltjes zongen dat het een lust was. Over de paden reden elektrische golfkarretjes met oudere, meestal blanke, inzittenden. Alles was nieuw en mooi, alles glom. Het leek wel een filmset. We legden aan in de grote marina waar de mooiste jachten lagen afgemeerd.

Jolly Harbour

Jolly Harbour is een afgesloten gemeenschap waar je als gewone Antiguaan niet zomaar binnenkomt. In het omvangrijke gebied dat vroeger een groot moeras was, vind je alles wat je nodig hebt: naast de privé villa’s en de vakantiewoningen zijn er enkele shoppingmalls, een prachtig aangelegde 18 holes golfbaan en tenniscourts. Bij de marina is ook een scheepswerfje en uiteraard zijn er exclusieve restaurants, cafés en bars.
      Het geld dat in Jolly Harbour en in de meeste resorts  en hotels wordt verdiend, gaat, nadat er wat dollars aan het personeel worden uitgedeeld en corrupte regeringsfunctionarissen er wat dikke plakken van afschrapen, hoofdzakelijk naar het buitenland.

          

Jamaica Kincaid, een uit Antigua afkomstige schrijfster, schreef er in 1988 een boekje over, “A small place”, dat inmiddels een klassieker is geworden. Het is één lange aanklacht tegen het egoïstisch neo-kolonialisme van het blanke toerisme, de uitbuiting van de Antiguaan, de corruptie van lokale leiders, de neo-slavernij. Racisme. Een kwaad en ongemakkelijk boek.
      We deden wat inkopen in de lokale supermarkt die vol lag met Amerikaanse producten die twee keer zoveel kostten als hun lokale equivalenten elders op het eiland en vertrokken aan het eind van de middag. We voeren in twee dagen rustig met de klok mee het mooie eiland rond.  Antigua Sailing Week, één van de top regatta’s in de wereld waar jaarlijks tot wel 200 zeiljachten en heel veel kijkers op af komen, was net voorbij en overal kwamen we de prachtigste jachten, vaak beroemde klassiekers, tegen die na de regatta nog wat in Antiguaanse wateren rond waren blijven hangen.

Eenmaal aangekomen in het zuiden van het eiland wierpen we het anker uit in het kraakheldere water van Falmouth Harbour.

(Nelson’s Dockyard met English Harbour op de voorgrond, daarachter Falmouth Harbour)

Om de hoek van Falmouth Harbour ligt Nelson’s Dockyard. Deze fraai gerestaureerde World Heritage Site ligt aan het eind van een bochtige inham, English Harbour, die diep het eiland in snijdt en een perfecte beschermde natuurlijke haven vormt. Een zogenaamd Hurricane Hole, één van de weinige plekken in de Cariben waar schepen tijdens de cyclonen die tussen juni en oktober nog al eens over de eilanden kunnen razen, veilig liggen.
      De baai werd mede daardoor in de 18e eeuw de thuisbasis van de Engelse Caribische vloot en Nelson’s Dockyard groeide in de jaren uit tot een grote bedrijvige scheepswerf. Horatio Nelson, de beroemde Britse admiraal, woonde er enkele jaren, vandaar de naam.
      In het kleine politiekantoortje van Nelson’s Dockyard kocht ik voor 50 Dollar een tijdelijk Antiguaans rijbewijs. Dat moest, want anders kon ik geen auto huren. Ik kreeg er ook een nieuwe naam bij, Rolf Eindhoven, en incognito kon ik zo het hele eiland over rijden.

   

De twee werelden van Antigua waar Jamaica Kincaid over schreef in 1988 bleken in 2005 nog zeker zo aanwezig. Varend langs Antigua’s kusten hadden we toch vooral veel luxe gezien: de resorts, de villas, de exclusieve restaurants en al die sjieke jachten en giga cruiseschepen. Rijdend door het binnenland kon ik zien dat het allemaal slechts een dun laagje doublé was en dat er tegenover al die pracht en praal een wereld stond waar het toch een heel stuk minder was.

Allan Stanford

De Texaanse miljardair Allan Stanford werd in het begin van de jaren tachtig met open armen ontvangen op Antigua. Het ging niet zo goed met het land en Stanford was bereid miljoenen te investeren. Hij bouwde o.a. nieuwe regeringskantoren, een nieuw ziekenhuis en liet de Stanford Cricket Ground aanleggen.
       The Bank of Antigua was van Stanford, heel Antigua werd eigenlijk van Stanford.  Stanford werd Antigua’s grootste investeerder en kreeg zelfs de hoge onderscheiding Ridder in de Orde van de Natie Antigua & Barbuda opgespeld. Hij was een soort Nationale Weldoener, en werd op handen gedragen. Regelmatig was het een komen en gaan van Amerikaanse senatoren en congresleden, van internationale ministers en andere big shots die op uitnodiging in Stanford’s Antigua kwamen feesten waardoor zijn aanzien alleen maar groeide en nog meer investeerders in Sir Stanford’s projecten gingen beleggen.

Tot 2009, want toen zakte alles in elkaar.
      Het complete imperium van Stanford bleek één grote Ponzi-fraude, een piramidespel-achtige constructie die in elkaar stortte en alles met zich mee de afgrond in sleepte.

Stanford werd gearresteerd. De salarissen van de projectontwikkelaars, de aannemers, de bankemployees, van al het personeel in Stanford’s uitgebreide imperium, werden niet meer betaald. Al deze mensen hadden in de loop der tijd een zekere welvaart vergaard en hadden personeel in dienst genomen, tuinmannen, oppassen, huishoudsters, chauffeurs, die op hun beurt ook allemaal niet meer betaald werden. Huizen en auto’s moesten worden verkocht, leningen konden niet meer worden terugbetaald, winkels moesten sluiten, bedrijven gingen failliet.

Heel Antigua ging failliet.

Buitenlandse investeerders wilden hun geld terug en Antigua werd overspoeld met schadeclaims en rechtszaken die tot op de dag van vandaag voortduren. Allan Stanford werd in 2011 veroordeeld tot 110 jaar gevangenisstraf en Antigua bleef met de puinhopen van een in elkaar gezakte economie midden in een internationale financiële crisis berooid achter.

Langzaamaan klautert het land nu weer op. Het toerisme blijft, hoewel minder, de belangrijkste inkomstenbron, maar de inkomsten worden tegenwoordig aangevuld met het  Citizenship by Investment Program. De verkoop van paspoorten.
      Antigua & Barbuda paspoorten kun je voor 275.000 dollar kopen en ook als je voor een half miljoen in onroerend goed in het land investeert (en nog 60.000 voor de kosten neerlegt), wordt je Antiguaan. Het programma is zeer succesvol. Omdat je met een relatief onschuldig paspoort als dat van Antigua maar liefst 132 landen visa-vrij kunt bezoeken is het een erg gewild object voor zakenlui uit landen met minder “betrouwbare” paspoorten die veel internationale reizen maken.

Met een paspoort uit de Verenigde Arabische Emiraten kun je bijvoorbeeld niet meer dan 77 landen zonder visum bezoeken. Emirati’s reizen veel en zijn vermogend en daarom zag een handige zakenman uit Ajman, één van de Emiraten, een gat in de markt, vloog naar Antigua en sloot een deal met de Antiguaanse overheid.
      Nu kun je bij Sweet Homes voor ongeveer 400.000 dollar één van de 600 villa’s in het Ajman Uptown Project kopen en krijg je er een Antiguaans paspoort bij “cadeau”. Ook je echtgenoot, de kinderen én je ouders krijgen dan Antiguaanse paspoorten.

                 


Ooit een voet hebben gezet op het Caribische eiland is daarvoor absoluut onnodig  …

 

 

 

Rolf Weijburg's Atlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen 

 

 

 

 

 

 

Voorjaar 2001

T-shirts & onderbroekjes

      

Saidpur Airport ligt in het uiterste noorden van Bangladesh. Het is klein. In het voorjaar van 2001 landden er per dag niet meer dan vijf kleine vliegtuigen. En toch is het er druk & chaotisch, want er zijn veel mensen die luid roepend allerlei onduidelijke dingen doen..  
      Ik weet dat, want ik ben er een week lang bijna dagelijks geweest.

Mijn bagage was namelijk op het vliegveld in de hoofdstad Dhaka blijven staan. En daar zaten al mijn kleren en al mijn toiletspullen in. Dat was knap vervelend, want het noorden van Bangladesh is één van de meest onderontwikkelde gebieden in de wereld. Bovendien is het er warm, heel vochtig, regent het hard en veel, is er gebrek aan veel dingen en valt de elektriciteit zeer regelmatig uit.

      Als mijn bagage na een dag nog niet gearriveerd is moet ik wat spullen kopen. Onderbroekjes en T-shirts bijvoorbeeld. Dagelijks heb ik er daar bij dit soort omstandigheden minstens twee van nodig. 
      Henk Weltevreden en ik logeren in een zeer primitief guesthouse. Airco is er natuurlijk niet en er zijn geen horren voor de ramen, zodat de talrijke muggen vrij spel hebben. Buiten is een hokje met een gat in de grond, dat dienst doet als toilet.

                    

De eigenaar kent een adresje waar ik het één en ander zou kunnen kopen.
 
      

Gevolgd door een stoet jongens en mannen ga ik ernaar toe. Het is een soort marktkraam op een pleintje.

   

Er liggen naar schatting tien onderbroekjes en tien T-Shirts in de wat grotere maten. Ik koop ze allemaal.  
      Aangestaard door zo’n zestig mannelijke medebroeders. En ja, ga dan maar eens een shirtje of een onderbroekje passen

   

Gisteren kwam ik bij mij thuis een tasje tegen, waarin nog een paar van die Shirts zaten. 
                                

 

Ik heb ze daar allemaal aan gehad, want mijn bagage is nooit gearriveerd op Saidpur Airport.

   
       
Dit alles betekende bijvoorbeeld ook, dat ik mij daar iedere dag moest laten scheren.
      En dat vond het plaatselijke mannenbestand allemachtig prachtig.

   

   

 

 

Voorjaar 2000

'Hij kan nog geen ei bakken. Nog geen ei!' 

Amsterdam-Johannesburg

Ze is voor ’t eerst van haar leven in het buitenland geweest. Zes weken lang. Een conferentie in Los Angeles, een bezoek aan New York, een symposium in Parijs en nog even uitblazen in Amsterdam. Het was haar goed bevallen. Heel goed.
      Mira is orthodontist. Ze zit naast me in het vliegtuig. Ze gaat naar huis. Johannesburg Zuid-Afrika. 

We zijn nog geen uur onderweg, hebben wat over ditjes en datjes gepraat en dan zegt ze zomaar: ’’Weet je dat ik helemaal geen zin heb om naar huis te gaan’’.

Zo!

Ze is getrouwd. Twee jonge kinderen. Een jaar of 38. Stralend gebit. Daar zijn waarschijnlijk kundige collega’s aan te pas gekomen.

‘’Hoezo?” zeg ik.

‘’Amerika is me heel goed bevallen’’, zegt ze. ‘’En bij jullie vind ik 't ook heel prettig’. Veel prettiger dan in Zuid-Afrika. Weet je, die apartheid is dan wel officieel afgeschaft maar er is nog veel racisme en discriminatie. Mensen leven langs elkaar heen. De tolerantie is laag. Tenminste vergeleken met wat ik de laatste weken gezien heb’’.

Ik ga voor de tweede keer van mijn leven naar Zuid-Afrika. 
      Ditmaal niet naar Johannesburg of Kaapstad, maar naar Kwazulu-Natal.

‘’Ben je daar weleens geweest Mira?’’
‘’Nee’’ zegt ze. ‘’Maar wat ik ervan weet is het daar helemaal verschrikkelijk’’.
      
‘’Maar wat ga je daar eigenlijk doen.”
‘’Ik ga op bezoek bij een Nederlander, die daar al een aantal jaren woont. In Howick, dichtbij Pietermaritzburg. Daar schijnt één van de grootse watervallen van jullie land te zijn. Hij werkt met de lokale bevolking om erosie te bestrijden. Ik ga daar een radioprogramma maken. En daarna ga ik door naar Lesotho. Ook al om een programma te maken’’.

‘’Naar Lesotho’’, zegt ze geschrokken.

‘’Daar hoor ik alleen maar afgrijselijke verhalen over. Ons leger is daar een jaar of zo geleden binnengevallen om orde op zaken te stellen. Het schijnt daar echt bar en boos te zijn’’.

‘’Juist’’, zeg ik. ‘’Daarom ga ik er ook naar toe’’.

Ze wordt stil. Ik besluit om iets anders aan te snijden

Ze spreekt namelijk Engels, maar had verteld dat ze is opgegroeid in ’t Afrikaans. 
‘’Kon je de mensen in Amsterdam eigenlijk verstaan?’’, vraag ik in het Nederlands.
‘’Nee. Niet echt, Af en toe een woordje. Maar -weet je- ik hou ook niet van die taal. 
Thuis moet ik Afrikaans praten. Mijn man wil dat. Vindt ook dat mijn kinderen in die taal moeten worden grootgebracht. Daar heb ik vaak ruzie met hem over. Die kinderen zijn er namelijk volgens mij veel meer bij gebaat om goed Engels te leren”.

En dan.

‘’Mijn man is nou eenmaal heel traditioneel. Hij vindt het eigenlijk maar zozo, dat ik werk. En weet je wat: Hij kan nog geen ei bakken; nog geen ei’’.

We worden stil. Zij heeft kennelijk een wat vastgelopen huwelijk. 
Moet ik daar dan dieper op ingaan. We zitten inmiddels ergens boven Noord-Afrika. Het wordt donker.

Tijd om maar eens te proberen wat te gaan slapen.
Maar dan gaat ze weer door. 
      ‘’Ik heb ’t me allemaal niet zo gerealiseerd. Maar op die conferenties heb ik met veel vrouwelijke collega’s gesproken. Die schrokken ook van mijn verhaal. Weet je, misschien ga ik het thuis allemaal heel anders doen. Heel anders’’. 

Tja. 
Moet ik hier iets van vinden? Relativeren? Stoken in een vastgelopen huwelijk.
       Wat is dat toch met die vliegtuigen. Ik kom wel vaker terecht in merkwaardige gesprekken. Kennelijk zijn er omstandigheden die daar aanleiding toe geven. Vluchtige ontmoetingen, die eenvoudig kunnen leiden tot uiterst persoonlijke ontboezemingen.

      ‘’Misschien moet je het hem voorzichtig proberen uit te leggen’’, zeg ik. ‘’Daar zal íe toch wel gevoelig voor zijn’’.

      ‘’Oh, nee’’ zegt ze. ‘’Daar is ‘ie helemaal niet gevoelig voor. Die man zit vast in patronen. Daar kan ik nooit doorheen breken, nooit’’.

      ‘’En therapie’’, suggereer ik. ‘’Heb je daar weleens aan gedacht?’’
       ‘’Ach ‘’, zegt ze, ‘’dat wil hij waarschijnlijk ook niet. Hij is tevreden zo. Wil helemaal geen veranderingen. Hij komt thuis, doet zijn pantoffels aan, gaat zitten met z’n voeten op een bank en kijkt naar de televisie. Het liefst naar cricket of rugby. En weet je wat. Hij vindt het eigenlijk maar niks, dat er tegenwoordig ook zwarten en kleurlingen in die teams zitten".

    Als wij aankomen in Johannesburg kijkt zij mij een beetje vertwijfeld aan. 
   Ik moet overstappen want ik vlieg door naar Durban. Als wij de hal inkomen ziet ze verderop achter het glas haar man en kinderen staan. Zij trekt mij een andere kant op en zegt: 
      ‘’Ik loop even met je mee. Ik heb nog geen trek in ze ‘’.

 

Ontmoetingen in de lucht: 

 1. Jevgeni, een Oezbeek
 
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse

 

Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh