Reizen

 

 Voorjaar 2004

Grof & Onbeschoft

In theorie klopte het. Vlucht MP 645 van Martin Air zou om kwart voor drie landen op Miami International Airport in Florida. Om kwart over vier zou in het Dolphin Stadium de honkbalwedstrijd in de National League tussen de Florida Marlins en de Chicago Cubs beginnen. 

      Ik zou een taxi nemen naar het stadion en na afloop slapen in het Catalina hotel aan Collins Avenue. In mijn binnenzak zat een perskaart voor die wedstrijd. Recht achter de thuisplaat zou ik zitten. De volgende ochtend om negen uur zou ik doorvliegen naar Bolivia. Zware bagage kon in de kluis op het vliegveld.
      Mooier kon het allemaal niet.
Vlucht 645 arriveerde op tijd. Het vliegtuig werd snel ontruimd. Dat ging dus voorspoedig. Tot ik arriveerde in de aankomsthal. Bij de douane stonden duizenden mensen in achttien rijen van minstens vijftig meter lang te duwen en te trekken. Een volstrekte chaos.

Een paar Colombianen, die voor mij in de rij stonden waren na ruim drie uur wachten aan de beurt. Ze hadden een ander formulier in het Spaans ingevuld, maar dat was niet naar wens van de mevrouw achter het loket. Zij reageerde grof en onbeschoft en stuurde de mensen terug. Zij wees naar achteren en zei: “Ga maar terug. Daar achter zijn mensen, die je helpen om het formulier in het Engels in te vullen’.

Zo mogelijk nog onbeschofter waren de mannen & vrouwen, die de bagage controleerden. Een ieder, die er een beetje Arabisch uitzag werd er uitgehaald en gecontroleerd. De spullen werden uit de tassen gehaald, op een hoop gegooid en niet terug gestopt. De mensen werden ook uitvoerig gefouilleerd. Sommigen verdwenen in hokjes, waar ze -werd mij verzekerd- tot diep in hun anus werden gecontroleerd.

Waarop?
      Tja.

Narcotica mag je niet binnen brengen. Chemicaliën ook niet. Medicijnen alleen met een doktersverklaring,.
      Verder is het verboden om bij je te hebben: fruit, groenten, planten, plantaardige producten, aarde, vlees, vleesproducten. Ook geen vogels, slakken en andere levende en/of wilde dieren.

ONGEACHT HET BEDRAG.

Om nog even te onderstrepen, dat je hier een echt kapitalistisch land binnengaat, leer je dat het vervoer van valuta of waardepapieren -ongeacht de waarde- natuurlijk wel is toegestaan.   

      In mijn bagage zat een pakje stroopwafels, waarvan de stroop steeds stroperiger werd. Die had ik bij me voor de mevrouw bij wie ik in Bolivia op bezoek zou gaan. Twintig meter voor het loket, heb ik dat spul maar in een vuilnisbak gekieperd.

      En de wedstrijd… ach de wedstrijd was in de negende en laatste inning toen ik op mijn hotelkamer arriveerde. 
Gelukkig verloor het team uit Miami dik.

 


Zomer 1996

BLESSED BE THE TRUE JUDGE

Een grof internationaal schandaal

In de zomer van 1996 reed ik in een huurautootje zomaar wat over het eiland Mauritius in de Indische Oceaan. In de buurt van het plaatsje Beau Bassin zag ik ineens dit bord: Blessed be the true judge. Met een Davidster erop. Een Joods begraafplaatsje.
      Merkwaardig!
Ik ging het terrein op en daar bevonden zich 127 graven. Mensen met Duitse en Poolse namen. Ze waren allemaal -op één na- gestorven in de tweede wereldoorlog.
      Nog merkwaardiger!
Bij mijn weten was Mauritius nauwelijks betrokken geweest bij die oorlog, woonden er geen Joden met Europese namen en waren er natuurlijk geen vernietigingskampen. Een groot ongeluk of een scheepsramp kon het ook niet zijn, want alle mensen waren op verschillende data overleden.

WAAROM?

South African Jewish Board  

Bij de ingang was een jonge man, die er iets van wist. Het opschrift was een vertaling uit het Hebreeuws. En de Joden waren in het begin van de oorlog naar Mauritius verscheept.
      Waarom?
Hij wist het niet.
      Het kerkhofje was overigens mooi onderhouden en werd -zoals ergens op een bordje stond- beheerd door de South African Jewish Board.
Terug in Nederland nam ik contact op met die Board en zo kwam ik -Internet was in 1996 immers nog onderontwikkeld- langzaam achter de feiten van deze opmerkelijke geschiedenis, die een grof schandaal bleek.

ATLANTIC & PATRIA  

Keurige rijtjes  

De vluchtelingen worden niet bepaald vriendelijk ontvangen. Ze worden ondergebracht in gevangenissen en kampen en zullen er onder miserabele omstandigheden blijven tot eind augustus 1945.
      In die tussenliggende tijd zijn er 126 overleden, die dus in keurige rijtjes op dat begraafplaatsje liggen. De overlevenden kunnen terugkeren naar Europa, maar worden ook in de gelegenheid gesteld om zich in Palestina te vestigen.
      Eén vluchteling blijft op Mauritius achter.
Hij overlijdt in 1980 en ligt er ook begraven.

Verklaring

Aan Anne Frid de Vries, een Nederlander die in Israël woont heb ik gevraagd wat het opschrift ’Blessed be the true judge’ nu eigenlijk precies betekent.

Zijn antwoord.

Lokaal Kerkhof  

Het begraafplaatsje ligt direct naast een lokaal kerkhof.
      Dat ziet er dan zo uit.

 

     


 

 

Herfst 2009

Belastingparadijzen & auto's

Uitgestorven centrum

Vorstendom 


Paar toeristen
 


Kunstmuseum
 

 

Zomer 1986.

Geflambeerde vleermuis 

We zijn op de weg terug van Indonesië naar Nederland en hebben besloten een dag in Singapore te blijven. Dat is een drukke keurig aangeharkte stad, waar je geweldig boodschappen kunt doen. Dan moet je naar Orchard Road. Veel kleine winkeltjes waar je interessante dingen kunt kopen als scharen voor linkshandigen, kunstogen, condooms met voelsprieten, looprobotjes en boekjes over de techniek van het touwtrekken.
      Maar er zijn aan die weg ook gigantische warenhuizen.
      We kopen een grote zak gedroogde paddestoelen.
Een week later laat ik thuis de paddestoelen wellen en wat blijkt: de dingen die daar in de pan alsmaar groter worden, lijken verdacht veel op vleermuizen. Sterker: Het zijn vleermuizen.

  

Hoe bereidt men vleermuizen?

In China, Maleisië en Indonesië staat het regelmatig op het menu en wordt het op diverse manieren bereid. Zo ook op een aantal eilanden in de Stille Zuidzee.
      Het volgende recept komt uit Samoa.
      De vleermuizen worden geflambeerd zodat de haren geschroeid worden. De ingewanden eruit halen en de beestjes in stukjes snijden.
      Olijfolie en een scheutje walnotenolie in een wok verhitten en daarin uitjes, knoflook en gemberwortel fruiten.
      De stukjes vleermuis in de wok aan alle kanten dichtschroeien, nog wat vocht erbij, geplette korianderzaadjes, zwarte peper en een paar kruidnageltjes. Dit alles nog even laten sudderen en de vleermuis Samoa is klaar.

Volgens culinair deskundige Johannes van Dam die ik daar toen voor de radio over raadpleegde, zijn vooral de zogeheten fruitbats -de vruchtenetende vleermuizen dus- een delicatesse.

 

 

Anjidi Zuid-Soedan, februari 1984

BLANKE SPEER

Verrotting komt ons tegemoet. Een onverdraaglijke stank. De lucht is roetzwart; verschroeide aarde. We parkeren de jeep en lopen voorzichtig het dorpje in. Een vrouw ligt op haar rug, opengereten. Een oude man. Dood. Nog een vrouw. Langzaam dringt het tot ons door. Ze zijn gespeerd. Vrouwen en oude mannen. Geen kinderen. Tukuls en alle andere bouwsels zijn platgebrand. Het vee is verdwenen. De nieuwe waterput totaal vernield. Anjidi, Zuid Soedan 2 februari 1984.
      Mijn begeleider barst in hysterisch snikken uit, schokt en kijkt met afschuw en ongeloof naar het dorp waar ook zijn eigen hutje in rook is opgegaan. Hij is een Nederlandse antropoloog die hier al vijf jaar werkt. De bevolking noemt hem Blanke Speer.
     
De slachting is niet het werk van het Soedanese leger. Dat heeft moderne wapens. Maar wat is er dan gebeurd? Waarom in Godsnaam? Wie zit hier achter? Waar zijn de kinderen gebleven? 
     Bewoners van een nabij gelegen dorp lopen met ons mee. Ze wijzen, roepen, schreeuwen en ontfermen zich over de stoffelijke resten. Ze gaan de verbrande huizen binnen en komen daar volkomen ontdaan weer uit. Zijn er helemaal geen overlevenden? Een vrouw komt naar ons toe. Ze heeft iets gehoord. Verderop, achter een bosje kermt een jongetje. Een jaar of tien. Hij is naakt, want dat zijn de Dinka’s in dit gebied bijna altijd. Open wonden. Zijn darmen komen naar buiten. ‘Jony’, stamelt Blanke Speer. ‘Mijn God, dat is Jony’.
      Het jochie staart ons aan met grote angstige ogen. Als we dichter bij komen probeert hij ons af te weren, want jongetjes in Zuid Soedan zijn altijd bang dat hun pikkie gestolen wordt en dat ze daarna zullen veranderen in een meisje. Jony moet naar een ziekenhuis in Bor, het enige stadje in de omgeving; zo’n veertig kilometer verderop. Blanke Speer wikkelt hem in een deken en stapt voorzichtig de auto in.
      Er liggen zeker honderd lijken.
     
‘De Moerelays’, wordt geroepen. ‘Het zijn de Moerelays’. Blanke Speer beaamt het. Die Moerelays zijn een klein volk, dat met uitsterven bedreigd wordt. Zo’n tienduizend mensen. Door een hardnekkige virusinfectie zijn vrijwel alle mannen onvruchtbaar geworden. Al een paar jaar lang roven ze kinderen. En gisteren hebben ze in Anjidi hun slag geslagen omdat vrijwel alle mannen naar het Marxistische Ethiopië zijn vertrokken om door Russen en Cubanen te worden getraind. Geen speren meer, maar geweren, mitrailleurs, bommen en granaten. De burgeroorlog in Soedan tussen de zwarte christenen en animisten in het zuiden en de moslims in het noorden is opnieuw opgelaaid. En Ethiopië heeft zich tegen het regiem van president Numeiry in de hoofdstad Khartoum gekeerd.
     
Een Dinka zet zich achter het stuur van de jeep en trekt de auto in zijn lage gearing rustig op. Jony kermt. Het gaat door merg en been. Blanke Speer zucht en kijkt ontredderd. Bloed op zijn benen. Hij probeert het met een zakdoekje op te nemen.
      Van een weg is nauwelijks sprake. Een spoor van rood uitgeslagen klei door de Savannen. De eerste gieren verzamelen zich in de lucht. Coyotes, wilde honden, een enkele leeuw. Zebra’s, giraffen, gnoes, schreeuwende bavianen, maraboes, struisvogels met jong. Jony is stil. Hij is buiten bewustzijn.

                                                        
Twee jaar eerder: YOU NEARLY AFRICAN MAN

Anjidi twee jaar eerder. Er was geen oorlog. De mannen leefden nog met hun vee in en rond het dorp of ze trokken met hun kuddes de Nijl over als het regenseizoen begon. Naar de Sudd, het meest verschrikkelijke moeras in de wereld. Met slangen, schorpioenen, krokodillen en nijlpaarden. Muggen. Miljarden muggen.
      ‘Als je zonder voorbereiding de Sudd ingaat, zie je er binnen een uur uit als een Michelin-mannetje’, zegt Blanke Speer. We gaan mee met de mannen en moeten ons uitkleden. Dan worden we ingesmeerd met as van verbrande koeienstront. Asli, die in Khartoum gestudeerd heeft en redelijk Engels spreekt, moet erom lachen. ‘You look so grey and dark. You nearly African man’.

Aan de oevers van de Nijl hebben zich ook uit andere dorpen veedrijvers verzameld. Er heerst opwinding en lichte paniek. De toverdokter uit Bor komt eraan. Hij is niet alleen een groot genezer, maar ook de man die er ieder jaar weer in slaagt om regen te maken. Zijn gezag is onomstreden. Hij zal er voor zorgen, dat de krokodillen het vee met rust zullen laten.
      Alle mannen gaan op de grond zitten op eerbiedige afstand van de toverdokter, die gekleed is in een groengelen doek, in slingers om zijn lijf gedrapeerd. Een grote zwarte hoed op zijn hoofd. Blote voeten. Hij slaat in een traag repeterend ritme op de trom en danst, schreeuwt en zingt.
      Ik heb een bandrecorder en wil het opnemen. Als ik een paar stappen in zijn richting doe, houdt Asli mij tegen. Hij wijst op een krijger, die met de toverdokter is meegekomen. De man heeft in beide handen een speer ‘No way’, zegt Asli. ‘Very dangerous’.
      Blanke Speer is ook onrustig. ‘Je moet hier voortdurend op je hoede blijven. Vooral nu ze zo nerveus zijn. Die medicijnman heeft een enorme status. Daar mag niemand aan tornen. Wij blanken helemaal niet. Het is al bijzonder dat we er bij mogen zijn’.
      Op een teken van de dokter komen een stuk of tien Dinka’s naar voren. Ze nemen een os mee, slaan een paaltje de grond in en binden het beest met een touw vast.
      ‘Het paaltje van de oppergod’, fluistert Blanke Speer. ‘Het paaltje van Bang Deng. Die os moet eerst piesen en poepen. Pas dan wordt dat beest geofferd’.
     
Steeds meer mensen dansen op teken van de medicijnman rond het angstig trappende beest. Men drinkt zelf gebrouwen bier uit grote pullen en wordt vrolijk. Als de os is leeggelopen komen twee oudere krijgers naar voren. Zij zetten hun speren in de keel van het beest en maken langzaam ronddraaiende bewegingen.
      Bloed vloeit over de rode klei. De os zakt door zijn poten, schokt, trilt en blijft liggen. Het doodsritueel heeft ruim acht minuten geduurd. Om volstrekt onduidelijke redenen heb ik de tijd opgenomen. Het beest wordt met zijn kop naar het westen gelegd, omdat zijn dood wordt geassocieerd met de zonsondergang. Alle aanwezigen moeten over het beest stappen. Dan wordt het in een zijstrook van de rivier gegooid, waarna de krokodillen zich er vraatzuchtig op storten.

         

De overtocht kan beginnen. De drijvers nemen plaats in uitgeholde boomstammen. Aan weerszijden van een boot worden vier koeien vastgebonden. Uren lang zal het doorgaan. Tot het jonge vee aan de beurt is, dat nog nooit een overtocht heeft gemaakt. De beesten stribbelen tegen, schoppen met hun poten, geven kopstoten en proberen steeds weg te vluchten. Op een teken van de medicijnman wordt gestopt. Pas de volgende dag als weer een os geofferd is, worden alle dieren naar de overkant gebracht. Blanke Speer en ik gaan terug naar het dorpje.
      Onderweg komen we regelmatig vrouwen tegen met manden, emmers of kannen op hun hoofd. Iedere dag gaan ze water halen uit de Nijl. Een tocht van ruim twee uur heen en drie uur terug, want een ieder neemt zeker zo’n twintig liter mee.’s Ochtends als het een beetje licht wordt vertrekken ze al. En aan de Nijl blijven ze uren praten en roddelen. Over het land, het weer, de omgeving, tradities, kinderen en natuurlijk mannen. Volgens Blanke Speer worden vooral de seksuele prestaties besproken en vergeleken. Ze giegelen vaak daar aan de groene oevers van de Nijl.

                                                                              
Februari 1984:
DIT IS HOPELOOS

De jeep rijdt langzaam door het gortdroge gebied. Jony is weer bij bewustzijn en kermt. Zijn ogen smeken en spreken: ‘Help me!’ Bloed sijpelt uit zijn mond. Blanke Speer probeert het met een doekje weg te vegen. Ik durf nauwelijks naar zijn buikje te kijken. Een angstaanjagend gezicht.
      ‘Hopeloos”, zegt Blanke Speer.
      ‘Dit is hopeloos’.
We komen mensen tegen. Ze zien er ontzet uit. Ontheemd.
      ‘Bor‘, roept een man . ‘Bor. Verschrikkelijk‘.
Stamelend doet hij in de lokale taal zijn relaas. Blanke Speer begrijpt het allemaal. Het Soedanese leger is er en heeft huizen in brand gestoken. Er zijn bommen gevallen. Mensen vermoord.
      ‘Ga er niet heen.
      Ga er vooral niet heen’.

In de verte zien we donkere bijna zwarte flarden rook.
      ‘Het ziekenhuis’, roept Blanke Speer. ‘Staat het ziekenhuis nog overeind?’.
      “Ik weet het niet ‘, zegt de man. Hopelijk wel, want er zijn veel gewonden. Honderden, misschien wel duizenden’.
      Blanke Speer en ik kijken elkaar aan. ‘Arme Jony’. De chauffeur trekt de jeep weer op.

Welk inferno zullen we aantreffen?

                                                                
Twee jaar eerder:
ECHT SCHOON WATER

In Anjidi is een internationaal gezelschap al een tijdje bezig met het slaan van een put. Ze moeten diep de grond in. Zo’n vijftien meter. Maar morgen is het zover. Dan kan voor ’t eerst water uit de grond gehaald worden. ‘Schoon water’, zegt de Duitse voorman. ‘Echt schoon water’. Hij vindt dit een ideale manier van ontwikkelingswerk. Kleinschalig, overzichtelijk, weinig bureaucratie en direct resultaat. ‘En ze zijn van dat Nijlwater verlost want daar krijgen ze alleen maar bilharzia van’. Een ziekte die wordt veroorzaakt door een parasitaire bloedworm en op den duur leidt tot blindheid.
     

 ’s Avonds in een geïmproviseerde bar komen de verhalen van de mannen los. Vrijwel allemaal werken ze al lang in ontwikkelingslanden. In Afrika moet je zijn, want daar zijn de vrouwen over het algemeen zeer gewillig. Voor een stukje chocola gaan ze al plat. ‘Ze doen echt alles’, zegt een Nederlander met een zwaar Frans accent. ‘Tenminste: in het noorden en in het westen. Kameroen, Nigeria, Sierra Leone, Senegal. Man het kan niet op. Hier is het niks. Veel te preuts. En ze worden in de gaten gehouden hè. Die mannen zijn dan wel met hun vee op stap, maar de bejaarden zien alles. Je krijgt zomaar een speer in je flikker als je niet oppast’.
      Maar de volgende dag is er geen aandacht voor de blanke mannen en hun put.
      Het is feest. Groot feest, want Bokdong is dood. Bokdong is de rotspython, die al maandenlang de omgeving terroriseert. Een zeer agressieve reuzenslang van ruim acht meter. Twee forse mannenvuisten dik. Grijzig bruin met donkerbruine vlekken. Felle strepen op zijn kop. Hij roofde kippen, kalfjes en het verhaal gaat dat de slang zelfs een baby gepakt en opgegeten heeft. De gevoelens van de dorpelingen variëren van haat tot een zeker ontzag.
      Bij het vallen van de avond werd hij door de veehoeders opgemerkt. Eén van hen joeg het beest een pijl door z’n kop, toen hij probeerde een kalfje te grijpen. De tamtam werkt snel in dit verre geïsoleerde gebied. Uit alle winstreken komen de Dinka’s om de vangst te vieren. De mannen hebben voor deze gelegenheid een korte broek aangetrokken, de vrouwen zijn feestelijk uitgedost in wijde rokken en met ringen om enkels en polsen. Veel mensen hebben gekookte koeienpis in hun haar gesmeerd. Daar krijgt het een rode glans van. Een enkeling heeft geen speer in de hand, maar een paraplu. Zending en missie hebben ook hier hun werk gedaan.
      Er wordt muziek gemaakt en men gaat dansen. Met twee voeten tegelijk huppen ze in een opzwiepend ritme urenlang in de rondte. De python is triomfantelijk in de grootste boom gedrapeerd. Er komen meer muzikanten, bier wordt aangedragen Een geofferde os wordt in stukken aan een spies geregen en op een groot vuur geroosterd. Het feest gaat door tot de schemer invalt.

                                                            
Februari 1984:
GEKRUISIGD & VERBRAND

We komen steeds meer mensen tegen, die Bor zijn ontvlucht. Ze zijn naakt of zeer schaars gekleed. Sommige mensen zijn gewond. Ze slepen spullen mee. Pakken op hun hoofd. Een enkeling heeft een zelfgemaakt karretje. De mensen zijn druk. Ze wijzen naar de kant waar steeds meer roodzwarte rook omhoog gaat. In de jeep komen steeds meer insecten. Vliegen, muggen, torren en andere beestjes , die daar op lijken. Jony kreunt weer. De insecten weten zijn open wonden te vinden. We proberen die insecten weg te jagen , maar dat lukt niet erg.
         We zijn vlakbij Bor. 
         Dan zien we het.

         Een kruis.
         Een rechtopstaande crucifix waarop een dinka is vastgenageld.

                                                                 
Twee jaar eerder:
DIT IS HET WALHALLA

Zuid-Soedan twee jaar eerder. ‘Dit is het Walhalla voor een antropoloog’, zegt Blanke Speer.
       Ik had dat natuurlijk al eerder gemerkt. Zijn enthousiasme als Asli bijvoorbeeld zomaar het volgende opmerkt: ‘ My mother was born under a mangotree and my father was eaten by a crocodile’. ‘Hoor je dat’, roept hij dan. ‘Hoor je dat. Onwaarschijnlijk toch. Onwaarschijnlijk’.
      Of zijn reacties die wij op een avond meemaken bij een sessie van de dorpsoudste, die recht spreekt en adviezen geeft. Er komt een man bij hem, die twee vrouwen heeft. De eerste vrouw is ziek en de man wil weten of zij dood gaat. ‘Je moet’, zegt de dorpsoudste, ‘twee stukken hout op de grond leggen. Als de termieten aan het ene vreten blijft ze leven; als ze het ander kiezen gaat ze dood’. Een man wil weten of zijn tweede vrouw behekst is. ‘Hier heb je gif. Dat moet je aan een kuiken geven. Als het dood gaat, is je vrouw behekst’. 
      Als hij zijn raad gegeven heeft richt de oude man zich tot mij, priemt zijn middelvinger naar me toe en formuleert heel moeizaam: ‘Which tribe are you?’
      ‘Tja. Eh. Holland?’ Is dat een tribe? Ik kijk hem aan en denk: ‘Ik woon op het platteland en kijk uit op twee Shetland pony’s, vijf Texelse schapen, een akker met wintertarwe, een molen in de verte en nog wat verder boven het Hollandsch Diep staan twee hoogspanningsmasten, die het zicht enigszins bederven. Mijn organisatie is een C-omroep, het schooltje in mijn dorp dreigt gesloten te worden, ons drinkwater komt uit de Maas en wordt gezuiverd in de zwaar vervuilde Biesbosch en het is alweer 19 jaar geleden dat de Elfstedentocht verreden werd.
      ‘Skating tribe’, roep ik in een impuls. ‘Fifteen million people’.
In Anjidi is het aanvankelijke enthousiasme over de nieuwe waterput twee jaar later inmiddels geluwd. Er is nu wel fris helder water, maar het leven van de vrouwen die de dagelijkse tocht naar de Nijl niet meer maken, is drastisch veranderd. Ze blijven lange dagen in het dorp, werken op het land en passen op hun kinderen. De oma’s zijn daar ontevreden over, de oude mannen eveneens en de vrouwen, ach de vrouwen hunkeren naar die tijd dat ze ongedwongen konden lachen en roddelen aan de rivier.

                                                                            
Februari 1984:
YOU SURELY CAN

Het kruis is niet alleen opgericht als symbool tegen mogelijke oppositie; het is het brute antwoord op het Christendom dat Europeanen in dit gebied gebracht en verkondigd hebben.
      Als we de rand bereiken via de enige toegangsweg, worden we tegen gehouden door soldaten van het Soedanese leger. Ze hebben de stad omsingeld. We worden naar de commandant gebracht. Mahmoud Lohide staat er op zijn gevechtspak. Ik laat hem mijn foreign press card zien. Ontvangen van het Soedanese ministerie van cultuur en informatie
      ‘We willen de stad in’
Mister Lohide neemt ons minzaam op. ‘Zo! U wilt de stad in.‘Dat kan’.
      We zijn verbijsterd.
      Hij peilt onze reactie en zegt dan nogmaals in bijna Oxford-Engels: ‘You surely can. Only 1 thousand pounds Sir. Sudanese of course‘..
     
Een uur later bereiken we onder militair escorte het ziekenhuis. Het is gebombardeerd en platgebrand. Ook het gemeenschapshuis, de R.K. school en de kerken. Voor de christelijke begraafplaats zijn ook crucifixen opgericht. Nog eens vier mensen zijn gekruisigd .
      ‘De wereld moet dit weten’, denk ik pathetisch. Maar hoe moet ik contact maken. De elektriciteit is uitgevallen. Telefoons werken niet. Een radioverbinding wellicht? Zou er ergens een telex zijn? De soldaten blijven onverschillig en weten het natuurlijk ook niet, want zij zijn voor het eerst van hun leven in opdracht van een fanatiek Moslim-regiem in het zuiden van hun eigen land, waar –zo is hen verteld- een inferieur soort mensen woont.
      Blanke Speer en ik wisselen machteloze blikken. We zijn ontredderd en besluiten maar om de stad te verlaten en terug te keren naar Anjidi.
      Jony ligt op de achterbank. Hij kijkt ons nog even aan.
      Zijn ogen breken.