Poëzie
- Details
- Hoofdcategorie: Poëzie (358)
- Categorie: Poëzie
DE LIEFDE, NATUURLIJK
In dit buurtje speelde het ontluikende liefdesspel zich af, dat prachtig beschreven wordt door de Braziliaanse dichter Carlos Drummond de Andrade.
De jonge Carlos en zijn maagdelijke? vriendinnetje zwerven in de straten van de Peixoto-buurt in Rio de Janeiro.
Een wijkje dat onderdeel is van het stadsdeel Copacabana.
Ze lopen ondermeer door de Rua Anita Garibaldi en de rua Siqueira Campos en komen uit op een bankje op het Edmundo Bittencourtplein.
Francisco Braga en Décio Vilares kijken geamuseerd toe.
(Het gedicht is vertaald door August Willemsen)
Wat de Peixoto-buurt
Wat de Peixoto-buurt
niet van ons weet
en heeft vergeten!
Anita Garibaldi-straat
en Siquera Campos-straat
(Francisco Braga,
Décio Vilares
op de loer, doen ze
of ze niets zien?)
Het trottoir in de schemer
heen en weer heen en
weer weer,
zijweg naar de tunnel
op zoek naar het maagdenvlies?
Weer terug:
een bankje op het plein. Bamboes.
Bamboebosje in een bries van au-au.
De bard en het meisje waren verliefd
in de Afhankelijkheidsstrijd.
Ironie van de liefde
of alleen ironie?
Straat van de 5de juli (grens
met het rijk der duisternis),
onder het oog van
nietsvermoedende huizen
gooiden we in de tuinen
en in de brievenbussen
niet goed te praten boekwerkjes
met andermans opdrachten,
brokstukken.
Laat hij de hond los? Bewaar me.
Vijfhonderd bloedhonden breken los.
Ze huilen het stramien
van bandeloze liefde.
Zie je wel? Het is in mij,
in de bard dat ze blaffen.
Dommigheid van een dom ding.
Het is al over negenduizend uur,
hoogste tijd terug te keren
naar het heiligdom van de maagd.
Nog heel eventjes. Nee.
Ik, de wijze koning, ik beveel.
Ze lacht. Lachen om mij. We blijven.
Vingers in elkaar,
verlangens parallel
in het pueriele park.
Edmundo-plein, hallo,
Bittencourt met bulderende bas.
Als hij ons zou zien zitten zoenen,
kwijlend, niet voor de eerste keer,
schrijft hij dan ingezonden brieven?
Kind als een kip zonder kop,
lachend om alles en niets,
wie de kleinste woordjes weet,
weet je waar we naar toe gaan?
Naar bed.
Niets daarvan. Slechts brandende
probeersels. Ik zwijg.
Reis over de borsten. Omlaag.
Achterlangs.
Als ik verder ga,
wie houdt me vast?
als ik het hierbij laat,
wie brengt me tot rust?
Twintig jaar later kom ik
weer door de Peixoto-buurt,
getuige van onze rendez-vous,
die vandaag niets meer weet,
van dit onhandig gedoe.
Erotische gedichten
Carlos Drummond de Andrade (1902-1987) is één van de belangrijkste dichters in Latijns-Amerika.
Hij heeft een omvangrijk oeuvre.
Dit gedicht komt uit de bundel De liefde, natuurlijk. Een serie erotische gedichten, die hij eigenlijk niet wilde publiceren, omdat hij bang was dat het publiek er pornografie in zou zien.
Hij zegt:
’Naar mijn mening zijn ze puur, ze bevatten geen schunnige woorden en geven uitdrukking aan een beleving van de liefde die wordt gevormd door enerzijds het geestelijke en platonische element en anderzijds het fysieke element.
Om een indruk te geven hoe het in het echt klonk de laatste strofen in het Portugees.
Passo vinte anos depois
no mesmo Bairro Peixoto.
Ele que a tudo assistia.
nada lembra, no sol posto,
deste episódio canhoto.
ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao
ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita
ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen
ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar
En Rade
ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker
Dendermonde 63
- Details
- Hoofdcategorie: Poëzie (358)
- Categorie: Poëzie
Van Paul Snoek
Mijn vader
Mijn vader was een uitvinder.
Op een morgen vond hij een
vlinder uit, die hij vergat
te doen vliegen, ja vliegen.
Toen ging hij dood, mijn vader
en daar zaten wij met die
vlinder van 16 ton 325 kg
opgescheept. Maar god zij dank,
een dichter kocht hem af,
en leerde hem vliegen.
Hij leerde hem het vliegen.
En werkelijk, de vlinder vloog.
De vlinder, het mooiste insekt
vloog zich letterlijk dood.
- Details
- Hoofdcategorie: Poëzie (358)
- Categorie: Poëzie
Van Ama Ata Aidoo (Ghana)
Groeten uit Londen
Zusje
Weet je nog toen
Grootvader een been verloor in
1867
bij het klimmen in de palmbomen
zodat
de machines in
Manchester
niet stilvielen door gebrek aan
olie?
Dat was voor
Sitting Bull moest
gaan staan
zodat de assen zich konden boren
in het land van de Cherokee.
En nu
zeggen ze dat er toch
een paar armen naar Kaapstad
moeten gaan
zodat mevrouw Smit kan
bakken voor de kerst.
Maar jij en ik zijn te kostbaar om te sterven.
Intussen
heb ik een sherry in mijn hand
eet troep voor een gulden
die er niet is.
Maar wek me vroeg, Zusje,
als de trommels slaan.
En als er
eerder een splinter van
een granaat bedoeld voor een ander
mijn hoofd doorboort,
raap dan
mijn
hersens
op
voor een kerstpudding in
Texas.
(Vertaling: Kathleen Rutten)
- Details
- Hoofdcategorie: Poëzie (358)
- Categorie: Poëzie
Van F. Harmsen van Beek
Moeder of vader
Niemand, ook hij niet, bleek van meerdere zeeën
overspoeld, verwekt uit menigvuldig zaad. Toch
wilde hij een zwaar, machtig man zijn, het bed
delen met deze onwijze kat, gediend zijn van
haar haakse pootjes, aangeblikt door haar reliëf-
loos oog en haastig, gruwelijk besnord, wilde hij
nestelen in al haar takken bloot. (Des nachts,
leesgierig opgesloten met Mark Twain in het
closet, hoorden wij, wel beangst maar schaamteloos,
gewetenloos van onschuld hun verlate gang naar
het nabije, snorkende bidet.) Hij wou haar koorts,
haar ogen sluit en tong klem. Hij wou haar wel van
wanhoop schubbig, vel gestold en vederloos volslagen,
geplunderd als een engel, die uitzinniger bemind,
van weerzin eindelijk bezweek en roerloos werd. Hij
werd bij haar crematie vreemd. Wij stonden machteloos,
hun misselijk nageslacht, de zwakke, hoewel kritisch
hoogst begaafde materialisatie van hun fictie, tot
zijn dood, tijdens het zenuwachtig zoeken naar een
voorwerp dat hij in zijn zak droeg, ons tenslotte heeft
ontzet. Nu zijn wij dikwijls droevig en besluiteloos,
aan niemand dan onszelve meer verwant. Wij zoeken nu
geen schuilhoek meer voor overwintering. Wij zeggen nog
wel, weet je wat, laten we veel geld gaan verdienen,
maar ’s avonds laat dronken, in omhelzingen verslonden,
spreken wij, ten minste triomfantelijk, het laatste
woord: Nu kust hem niemand, niemand meer, de arme oude man.
- Details
- Hoofdcategorie: Poëzie (358)
- Categorie: Poëzie
TSINGTAO & SJANSI
Ik noem het altijd maar zoekpoëzie.
Zo’n gedicht waar je parate kennis voor nodig hebt om het te doorgronden.
In 1978 bijvoorbeeld kreeg ik een bloemlezing cadeau van een aantal gedichten van Slauerhoff, mijn favoriete Nederlandse dichter.
Ik leerde zijn stijl, zijn ritme , onmacht, hartstocht, tragiek en zijn verlangen kennen uit die poëzie.
Maar soms bleven er leemten, omdat ik bepaalde dingen niet wist.
Nu kun je dat simpel op Internet vinden, maar ik verzeker u dat ‘t in 1978 een stuk moeilijker was.
Neem het volgende gedicht:
MANESCHIJN TE TSINGTAO
De maan weent over de waatren
Om ‘s werelds leed te verzachten,
Zij heeft maar enkele nachten
En weet dat het niet zal baten.
Het bare zwarte gebergte
Ligt hard in het milde vlieten.
De golven zijn moegetergd en
Willen geen glans meer genieten.
De wereld wankelde lang
Tusschen geluk en ellende,
Maar duldt nu rampen en dwang,
Alsof hij nooit anders kende.
Maan, straal liever niet meer,
Of word een groot rond brood
En daal zoo in Sjansi neer
En red het van hongersnood!
Vragen, vragen, vragen...
Waar bijvoorbeeld lag Tsingtao?
En wat was Sjansi?
Als je dat niet wist, kon je zo’n gedicht natuurlijk wel waarderen om zijn -zoals kenner Kees Lekkerkerker dat noemt- Slauerhoviaanse ritme, om dat vrije rijmschema en om die wanhoopskreet aan het eind.
Maar echt begrijpen deed je het niet.
Scheepsarts & dichter
Slauerhoff was scheepsarts en dichter.
Hij was een man van verlangen, die reisde om te proberen dat verlangen te bevredigen.
Dat lukte nauwelijks.
Een beetje op zijn geliefde Vlieland en een beetje op sommige plekken in China.
Tsingtao zou dus wel een havenstad in China zijn.
Maar in de atlassen die ik toen raadpleegde kon ik het niet vinden.
Atlassen & atlassen
Pas in de bibliotheek van Rotterdam vond ik het in de 49ste druk van de Bosatlas (1955).
Het heet daar Tsing-Tau en ligt aan de Gele Zee in het Noordoosten van China.
In latere atlassen heet deze plaats steevast Qingdao.
Die link was mij destijds ontgaan.
Sjansi
In die oude atlas is een kaart opgenomen van de toenmalige administratieve indeling van China.
En daar treffen we in het binnenland de provincie Sjan-si aan.
Tegenwoordig heet dat Shanxi of Shaanxi.
Een zeer arme provincie waar vorige eeuw inderdaad veel hongersnoden zijn geleden. Slauerhoff maakte zijn laatste reis naar China in 1927.
Hij hield zijn werk als scheepsarts en zijn dichterschap altijd streng gescheiden.
Als het even kon maakte hij ook reizen het binnenland in.
Het lijkt mij aannemelijk dat hij in 1927 de hongersnood in Sjansi zelf meegemaakt heeft.
In de mooie, zeer degelijke en omvangrijke Slauerhoff-biografie van Wim Hazeu heb ik dat overigens niet kunnen terugvinden.
Pagina 18 van 28


