Poëzie

 

 

VOOR DE KLEI-NE-REN


In ZoekPoezië 12 schreef ik een stukje over het vers De Veerpont van drs. P en merkte op dat hij in Zwitserland geboren is en altijd die nationaliteit heeft behouden.

Van Linda Oltmans kreeg ik een bijzondere reactie.

      ‘Die nationaliteit is hem in de tweede wereldoorlog goed van pas gekomen’, schrijft zij.
      ‘Drs. P werd in 1942 tot vier maanden gevangenisstraf veroordeeld voor een soort studentikoze verzetsdaad.
Nadat hij werd vrijgelaten kon hij vrij eenvoudig uitwijken naar Zwitserland’.

Wat blijkt.
      Drs. P begon in 1939 een studie aan de Economische Hogeschool in Rotterdam.
In 1942 schreef hij (22 jaar oud) voor het studentenblad een versje, waarin hij de draak steekt met Adolf Hitler en Benito Mussolini.
      Linda vroeg mij of ik het vers kon opzoeken.

Dat viel nog niet eens mee.
      Uiteindelijk trof ik het aan in het boekje Gewraakte Passages, samengesteld door Jana Beranová en Peter Smit.
Dat gebeurde ter gelegenheid van Het bal der Geweigerden in maart 2005 in Paradiso Amsterdam.

 


Het gaat zo:


VOOR DE KLEI-NE-REN

Dolf en Ben wa-ren dik-ke vriend-jes.

Zij haal-den sa-men heel wat kat-te-kwaad uit.

De an-de-re kin-de-ren wil-den niet met hen spe-len,

want zij maak-ten al-tijd ru-zie en wa-ren heel stout.

De ben-gels gin-gen zo maar in de tui-nen van ie-der-een

en a-ten al-les op.

Maar toen werd Oom Sam, de veld-wach-ter, heel boos.

Hij nam een dik-ke knup-pel en ging daar-mee naar het dorp.

En wie kre-gen toen een pak voor de broek?

Dat kun-nen jul-lie wel ra-den!

De vol-gen-de keer een an-der ver-haal-tje.

Da-a-ag!


Tan-te Pol-lie

 

Oranjehotel Scheveningen

 

Drs. P heet officieel Heinz Polzer (vandaar die tante Pollie)
     
Hij kwam terecht in de strafgevangenis van Scheveningen, die nogal eufemistisch Oranjehotel werd genoemd.
Tijdens zijn detentie kreeg hij nog een strafverzwaring van twee maanden, omdat hij een kaartspel in elkaar had geflanst met Dolf en Ben als jokers.
     

      Hij werd overigens niet alleen tot vier maanden veroordeeld, maar werd ook nog krankzinnig verklaard.

      In Zwitserland moest hij in 1943-‘44 vanwege zijn nationaliteit dienen bij de geneeskundige troepen van het neutrale lager.

 

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao 


ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita


ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen


ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

ZoekPoëzie 5; Jan Engelman

En Rade

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker

Dendermonde 63 

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade

De liefde, natuurlijk

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin

Silver nights in Rochester

 

ZoekPoëzie 9; Simon de Geus

Jeugdherinnering

 

ZoekPoëzie 10: C.S. Adama van Scheltema 

De Dijk

 

 ZoekPoëzie 11: Wyslawa Szymborska

Een bewogen herbegrafenis 


ZoekPoëzie 12; Drs.P

Heen & Weer

 

 

 

                            HEEN             &                                        WEER

  

                   
    

De Veerpont

In 1973 kwam het lied De Veerpont -geschreven en gezongen door drs. P-  in de nationale Top Veertig.
      Een opvallende doorbraak.
Uiteraard werd er toen een clip van gemaakt, die bovendien antwoord gaf op de vraag welke machtige rivier drs. P bedoelde en
over welke veerpont het ging.

      Ik zal daar direct antwoord op geven maar lees eerst de tekst even ofluister ernaar


Van drs. P

De Veerpont


We zijn hier aan de oever van één machtige rivier

De andere oever is daarginds, en deze hier is hier

De oever waar we niet zijn noemen wij de overkant

Die wordt dan deze kant zodra we daar zijn aangeland

En dit heet dan de overkant, onthoud u dat dus goed

Want dat is van belang voor als u oversteken moet

Dat zou nog best eens kunnen, want er is hier veel verkeer

En daarom vaar ik steeds maar vice versa heen en weer

Heen en weer

Heen en weer

Heen en weer

Heen en weer

Ik breng de mensen heen, ik breng weer anderen terug

Mijn pont is als het ware ongeveer een soort van brug

En als de pont zo lang was als de breedte van de stroom

Dan kon hij blijven liggen, zei me laatst één econoom

Maar dat zou dan weer lastig zijn voor het rivierverkeer

Zodoende is de pont dus kort en gaat hij heen en weer

Dan vaart hij uit, dan legt hij aan, dan steekt hij weer van wal

En ondertussen klinkt langs berg en dal mijn hoorngeschal

Heen en weer

Heen en weer

Heen en weer

Heen en weer

En als de pont dan weer zijn weg zoekt door het ruime sop

Dan komen er werktuiglijk gedachten bij me op

Zo denk ik dikwijls over het geheim van het bestaan

En dat ik op de wereld ben om heen en weer te gaan

Wij zien hier voor ons oog een onverbiddelijke wet

Want als ik niet de veerman was dan was één ander het

En zulke overdenksels heb ik nu de hele dag

Soms met een zucht van weemoed, dan weer met een holle lach

Heen en weer

Heen en weer

Heen en weer

Heen en weer

En dan repeterend de tekst ‘heen en weer’ met achtereenvolgens daartussen:


De boot is vol

Ik zeg,…. De boot is vol

Stap niet in de boot

Hij is vol

Blijf aan de wal meneer

U ziet toch dat de boot vol is

Toe nou mensen

Kom toch niet in deze volle boot

Ga nou weg mensen

Dat loopt nog verkeerd af

Wees nou verstandig mensen

(geluid van zinkende boot)

 

 

EEMDIJK in UTRECHT

Het gaat om het pontje over de Eem bij het dorp Eemdijk in Utrecht. Je komt daar door bij Eemnes de weg te nemen richting
Bunschoten-Spakenburg. Het is een kabelveerpont waarop met moeite drie auto’s kunnen.
      En inderdaad: als je vier van die pontjes achter elkaar zou leggen zou je ‘een soort van brug’ over de rivier hebben.

Het is erg gelovig in die streek en dat betekent dat het pontje op zondag niet in de vaart is.

 

 

De Maas wellicht 

 (Omdat de Eem nou niet bepaald een machtige rivier is, wordt overigens ook gesuggereerd dat drs. P met de rivier de Maas bij Rotterdam bedoeld zou hebben. 
      Daar ging ooit een veerboot van de Willemskade naar de Parallelweg met een tussenstop aan het Prinsenhof op het Noordereiland. 
Dat pontje had de naam ‘Heen en Weer’.)

 Drs. P werd geboren in Zwitserland en heeft die nationaliteit altijd aangehouden. 
      Vandaar wellicht het -in deze omgeving- merkwaardige zinnetje:
'En ondertussen klinkt langs berg en dal mijn hoorngeschal'.

 

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao 


ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita


ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen


ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

ZoekPoëzie 5; Jan Engelman

En Rade

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker

Dendermonde 63 

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade

De liefde, natuurlijk

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin

Silver nights in Rochester

 

ZoekPoëzie 9; Simon de Geus

Jeugdherinnering

 

ZoekPoëzie 10: C.S. Adama van Scheltema 

De Dijk

 

 ZoekPoëzie 11: Wyslawa Szymborska

Een bewogen herbegrafenis 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een dolende toren
 

 

Ik heb het aan vrij veel mensen en instanties gevraagd, maar niemand wist het.
En toch: h
et kan bijna niet anders. 
     
Het ‘kluchtige stadje’ in dit gedicht is Heteren in de gemeente Overbetuwe.
En hieronder staat ‘de ouwe toren’.
      Wakend over de Nederrijn en van alle kanten opvallend zichtbaar.

 

 

Lees eerst even dit vers van volksdichter C.S. Adama van Scheltema en dan zal ik er een soort bewijs uit het ongerijmde op loslaten. 

 

 

Van C.S. Adama van Scheltema


De dijk

Tusschen de Betuwe en tusschen de Veluwe                                                       

Daar lag de dijk door het waterig land

Als iets waaraan niets was te veranderen:-

De koeien en de kikkers aan de' eenen kant

En de zilveren visschen aan de' anderen;

Zoo bleven zij ieder in hun element,
Daar was dan ook ieder al lang aan gewend

Daar tusschen de Betuwe en tusschen de Veluwe.

 

En ónder aan den dijk daar glommen de blommen:

Die zwierden en tierden maar overal,

Die stonden te bloze' en te bloeien,

Die knikten en knakte', en die lachten maar al

Om die klapperdekakkende koeien;

En de koeien, die tilden hun steerten op                                                                
En zagen nadenkende uit hunnen kop,- 

Ja ónder aan den dijk daar glommen de blommen!

 

En óver den dijk daar floten de booten:-

Die toeterde' en ploeterden door de rivier,                                                           

Die waren geweldig aan 't sleepen,

En hadden een onfatsoenlijk pleizier

In de deftig zeilende schepen-

Die hielden zich kwasi wat achteraf,
Maar eigenlijk legden ze 't leelijk af,-

Ja, óver den dijk daar floten de booten!

 

En benéde' aan den dijk daar had je het stadje:-

Dat lag daar zoo kluchtig, zoo klein en zoo rein,

Als was 't maar een hapje, een stapje -

Dat kon eigenlijk wel eens niet anders zijn

Dan een echt-Hollandsch schildersgrapje!

Maar van den toren is dat niet gezegd,
Want de ouwe toren was zeker echt!-

Ja, benéde' aan den dijk daar had je het stadje!                               

 

En bóve' op de dijk daar voeren de boeren:-

Die holderdebolderden over den dijk

In hun hossebossende sjeezen-

Die reden hun glanzende peerden te kijk,

En hun wijf in heur Zondagsche wezen,

En die klapte' hunne zweep en die dachten maar: "krak,
Hoort gij die rijksdaalders wel in mienen zak!"-

Ja bóve' op den dijk daar voeren de boeren!

 

 

 

Kijk even naar dit kaartje.


 

Niet zo groot

Het gebied waar Betuwe en Veluwe elkaar bij de rivier naderen is niet zo groot. Globaal tussen Renkum en Arnhem, plaatsen die uiteraard te groot zijn om in aanmerking te komen. 
    Het gedicht stamt uit 1905 en is geschreven van de Betuwe naar de Veluwe; van zuid naar noord. Het stadje moet dus vrijwel zeker aan de zuidkant van de Rijn liggen.
     Een bezoek aan het gebied bevestigt dat. De enige dorpen daar aan de Veluwekant zijn Doorwerth en Heveadorp en die liggen in de bossen en niet aan de dijk. In een heuvelachtige omgeving.

Aan de Betuwezijde komen eigenlijk alleen maar Heteren en Driel in aanmerking.
      Ze liggen inderdaad ’benede aan den dijk’ waar je een prachtig uitzicht hebt op de Rijn. Buitendijks zijn de landerijen door alle sneeuw- en regenval van de laatste maanden ondergelopen. Er loopt vee, er varen schepen maar bovenal is er bij Heteren de toren, die daar de bijnaam Peperbus heeft.

De toren met muren van 1.40 meter dik, stamt uit de twaalfde eeuw. Maar in 1834 stortte de kerk in en bleef alleen de toren overeind staan.
      Later werd zo’n vijftig meter verderop de nieuwe Hervormde kerk gebouwd. 
De dijk werd verlegd en maakt nu een kronkel om de toren heen. (Driel heeft ook een toren(tje), maar dat zit aan de kerk vast.)


 


Geen Hollandsch schildersgrapje meer

 
Heteren had ruim honderd jaar geleden niet meer dan zo’n 500 inwoners. Nu zijn dat er ruim 5.000.
      Er is vrij veel nieuwbouw en er is een bedrijventerrein.
Het is geen ‘Hollandsch schildersgrapje’ meer.

Heteren heeft overigens geen stadsrechten; een -dunkt mij- dichterlijke vrijheid van C. S. Adama van Scheltema 
       

 

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao 


ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita


ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen


ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

ZoekPoëzie 5; Jan Engelman

En Rade

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker

Dendermonde 63 

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade

De liefde, natuurlijk

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin

Silver nights in Rochester

 

ZoekPoëzie 9; Simon de Geus

Jeugdherinnering

 

 

 

 

 

 

 

 
EEN INDIAAN AAN DE OUDE MAAS

 

Simon de Geus woonde vrijwel zijn hele leven in Puttershoek op het Zuid-Hollandse eiland Hoeksche Waard.
      Hij werd daar in1915 geboren. Ruim zestig jaar later zat hij daar weer eens op het bankje aan de rivier en schreef zijn gedicht Jeugdherinnering. Over die keer, dat hij als jongetje van een jaar of twaalf/dertien met een paar vriendjes in het vissersbootje van zijn vader de rivier overstak naar ‘Amerika’.
      Die rivier is de Oude Maas en de grienden lagen in de gemeente Zwijndrecht.

 

Jeugdherinnering


Als ik op ‘t bankje zit, aan de rivier,                        

dan zie ik aan de overkant de grienden;

althans wat nu nog over is

van waar ik als jongen speelde met mijn vrienden.


Mijn vader had een boot als visserman;

ik leende die -al was dat streng verboden-

als vader zondagsmiddags naar de kerk was.

Ik hield alleen maar ‘s morgens de geboden.

 

Wij roeiden dan vlug naar de overkant,

vaak was de zwembroek stiekem meegenomen.

Maar ook de onderbroek was heel geschikt

Voor ’t wilde spel van onze jongensdromen.

 

De grienden waren dan Amerika;

we schreeuwden dus als echte Indianen.

Een flinke tak was onze scherpe bijl,

soms huilden dapp’re krijgers dikke tranen.

 

Maar altijd werd de vredespijp gerookt

om ‘t kampvuur dat vol vreugde werd ontstoken.

De grootste helden werden dan al bang,

zij moesten thuis een zware pijp nog roken.

 

Dan aangekleed en snel naar huis geroeid,

voor ‘t eten was het veel te laat geworden.

Als makke schaapjes stapten wij aan land,

geen spoor meer van de wilde, woeste horde.

 

Mijn meeste vrienden moesten vroeg naar bed

en kregen dan voor straf ook niets te eten.

Soms eerst nog even met de billen bloot,

want God was streng, dat mocht je nooit vergeten.

 

Ik kreeg geen straf, maar wel een zware preek

over de sabbat en ‘t gebod des Heren.

Maar och, wie weet vond Hij ons spel wel mooi,

wie weet kan ook een spelend kind hem eren.

 

En daar, achter de bocht in de rivier,

lagen de voor ons onbekende stranden,

de oerwouden van donker Afrika.

Ik droomde van die verre, vreemde landen.

 

Die dromen uit mijn jeugd zijn lang voorbij;

zoals de schepen sneller gingen varen,

zo ging ook onze jeugd in snelle vaart.

Men kan slechts de herinnering bewaren.

 

Kraanmachinist

Simon de Geus ging na zijn lagere schooltijd werken als los-werkman. Na de oorlog was hij lang kraanmachinist in de Rotterdamse haven. Hij was in die tijd een zogeheten arbeidersdichter.
      In 1978 verscheen in de Sonde-reeks van de Rotterdamse Kunststichting zijn bundel Dan denk ik: ’Wat tob ik!’.
Zijn vader bezocht op zondagmiddag de Nederlands Hervormde kerk in Puttershoek.
Simon de Geus:
      ‘Elke zondag daalden hel en duivel van de kansel op de arme hoofden van de onbekeerde zondaars, waartoe ik behoorde. Niet dat ik daardoor met gebogen hoofd door het leven ging, maar ik was er wel vast van overtuigd, dat al onze kwajongensstreken werden ingegeven door de Boze’.


Simon de Geusbank


 

 

 

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao 


ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita


ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen


ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

ZoekPoëzie 5; Jan Engelman

En Rade

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker

Dendermonde 63 

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade

De liefde, natuurlijk

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin

Silver nights in Rochester

 

 

 

 

Van K. Schippers

NO, NO NANETTE


Tea for two heeft voor de oorlog
iets voor mijn vader gedaan.
En ook voor mij.
Hij liep langzaam om
het langer uit een huis
te kunnen horen
en miste zo lijn 2.
In de volgende zat mijn moeder.