Poëzie

 

Empathy for David Winfield.

 

Ga voor dit gedicht naar honkbal 56: Een dode zeemeeuw & en een dronken pitcher.
     
Het is van de Amerikaan David Shapiro en gaat over twee honkballers.

Dave Winfield, buitenvelder van de New York Yankees, die tijdens een wedstrijd in 1983 een zeemeeuw dood gooide en werper Ryne Duren van de Los Angeles Angels, die zeer slechte ogen had en regelmatig keiharde ballen hoog over de catcher gooide.
     
Bovendien ging het verhaal dat hij soms dronken op de werpheuvel verscheen.

 

 

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao 


ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita


ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen


ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

ZoekPoëzie 5; Jan Engelman

En Rade

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker

Dendermonde 63 

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade

De liefde, natuurlijk

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin

Silver nights in Rochester

 

ZoekPoëzie 9; Simon de Geus

Jeugdherinnering

 

ZoekPoëzie 10: C.S. Adama van Scheltema 

De Dijk

 

 ZoekPoëzie 11: Wyslawa Szymborska

Een bewogen herbegrafenis 

 

ZoekPoëzie 12; Drs.P

Heen & Weer

 

ZoekPoëzie 13: Tan-te Pol-lie

Voor de klei-ne-ren

Zoekpoëzie 14: Paul Rodenko

Bommen

 

Zoekpoëzie 15: Paul van Vliet

Meisjes van dertien

 

Zoekpoëzie 16: Joan Hambidge & Elisabeth Eybers

Bloedbanden

 

ZoekPoëzie 17: Marc Chagall & Blaise Cendrars

De dichter (Half vier)

 

ZoekPoëzie 18: Homero Aridjis

Droom in Tenochtitlán

 

 ZoekPoëzie 19; Jan Hanlo

 's Morgens

 

ZoekPoëzie 20; Slauerhoff versus Schotman 

Benard advies 

 

ZoekPoëzie 21; Pablo Neruda

Een witte bungalow op Capri

 

Van Martinus Nijhoff

 

De wolken

 
Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag

Lang-uit met moeder in de warme hei,

De wolken schoven boven ons voorbij

En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag

 

En ik riep: Scandinavië , en: eenden,

Daar gaat een dame, schapen met een herder -

De wond’ren werden woord en dreven verder,

Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.

 

Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek

Ofschoon de hemel vol van wolken hing,

Ik greep niet naar de vlucht van ‘t vreemde ding

Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

 

- Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide

En wijst me wat hij in de wolken ziet,

Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet

De verre wolken waarom mijn moeder schreide -

 

 

Kwattarepen van een eersterangsraté


Slauerhoff was een groot dichter. Hij was niet alleen dichter; hij was ook scheepsarts en reisde de hele wereld over.
      Vrijwel nergens kwam hij tot rust.
Daar schreef hij over. Romans, novelles maar bovenal gedichten. Zelden werd hij in zijn poëzie persoonlijk.

Dus: Wat bezielde Slauerhoff toen hij zijn hekeldicht ‘Benard advies’ schreef.
     
En wie oh wie is eigenlijk Schotman?

Eerst het sonnet:

 

Van J.J. Slauerhoff


Benard advies


Gij heren der critiek, schrijft nimmer over Schotman,

‘t Is naar voor hem, voor u, voor allebei

En als ge ‘t doet, dan liever op een lei,

Zodat het uitgewist of nog kapot kan.

 

Maar in de kranten komt er altijd mot van;

Ik deed het toch, zodat ik nu nog lij’

Onder ‘t gevolg: er gaat geen dag voorbij

Zonder een brief, een langen brief, van Schotman

 

Zijn werk is zwaar, zijn briefwerk nog veel zwaarder;

‘k Woon ver van ‘t dorp, de oude brievengaarder

Torst iedren dag een onheilzwangre tas,

 

Omdat ik ‘t waagde eens den spot te drijven.

-Maar kwam ooit een er toe zijn lof te schrijven,

Hulppostbesteller werd heel ‘t mensenras.

 

Afrekening


Zo!
      Vanwaar deze persoonlijke afrekening?

 

Johan W. Schotman was een arts die van 1921 tot 1927 in China werkte.
      Hij schreef daar verhalen over; onder meer de trilogie Het vermolmde Boeddhabeeld, Het pulverend land der eeuwen en Dans der demonen. Omdat Slauerhoff als scheepsarts diverse malen in China was geweest en daar uitvoerig over had geschreven, voelden de beide medici-schrijvers een soort lotsverbondenheid.
     
Zij ontmoetten elkaar voor ‘t eerst in Santpoort, waar Schotman werkte bij een Provinciaal Ziekenhuis.
Bij die gelegenheid maakte Schotman een paar kritische kanttekeningen over Slauerhoff’’s bundel vrije en bewerkte Chinese gedichten.
      Schotman vond ze ’onregelmatig en stroef’ en er zat volgens hem ’iets stotends en amechtigs ’ in.
Schotman zou later verklaren dat hier al een soort tweespalt ontstond, omdat Slauerhoff volgens hem geprikkeld raakte.


Die eerste jaren was er overigens van tweespalt geen sprake.
      Beide artsen ontmoetten elkaar regelmatig en hadden een levendige correspondentie.
Iets later verleende Slauerhoff volgens zijn biograaf Wim Hazeu een dienst aan Schotman.
      Hij stelde Cloisonné samen, een bloemlezing van Schotmans Chinese gedichten. Maar toen Slauerhoff voorstelde om een inleiding te schrijven, wees Schotman dat merkwaardig genoeg van de hand.
     
Toen de bundel uitkwam, verscheen een kritiek van Slauerhoff in de Nieuwe Arnhemsche Courant. Geen malse kritiek.
Slauerhoff repte ondermeer over:

      ‘strophen als buikige vazen’ en over kwatrijnen, die hij vergeleek met Kwatta-repen.

      ‘Niet alleen om den naam. Maar ook om het formaat, de hardheid en de goedkoopte’.


Boos

Johan W. Schotman werd woedend en schreef een brief aan de directie van de krant.
     
Slauerhoff werd hiervan op de hoogte gesteld, adviseerde om de reactie van Schotman te publiceren en merkte op dat vriendschap in vijandschap verandert als er geen prijzende kritieken geschreven worden.
     
Hierna kwam het niet meer goed. Schotman bleef zijn verbittering uitdragen.
Dit ergerde Slauerhoff kennelijk zo, dat hij in 1931 in Forum zijn spotdicht ‘Benard advies’ publiceerde.
     
Ook dit was weer aanleiding voor Schotman om te reageren en Slauerhoff van repliek te dienen.
Dit maal in de Nederlandsche Bibliographie.

 

Forum

Slauerhoff kreeg steun van Eddy du Perron , die in een volgende aflevering van Forum de vloer aanveegde met Schotman.
     
‘Het spijt me voor hem, wanneer Slauerhoff zijn verzen niet meesterlijk vindt, ik wil mij zelfs over mijn slechte smaak verontschuldigen wanneer ik hieraan toevoeg, dat Slauerhoff’s oordeel mij buitengewoon zacht voorkomt’.

En:
      ‘Wij blijven de knollen, en de puil-ogen van de verkoper die er zoveel op lijken, versmaden; que voulez-vous, cher docteur?; het is een geval van konstituele afkeer’.

‘Toch wil ik één ding betreuren voor wij als goede vrienden scheiden: dat een tijdschrift waarin u ’de uwen’ groeperen kunt, niet wat sneller tot stand komt.
      Het zou het karakter van uw aanvallen althans kunnen veredelen en er niet de ernst aan geven, die de wrok kenmerkt van de diep-misdeelden. U noemt mij in uw stuk , zij ’t met het adjectief ’handig’ ervoor, een allesdurver.
      Er zijn dingen die ik inderdaad zo handig zou zijn niet te durven. De armzaligheid bijvoorbeeld zich in een explosie van machteloze woede, van een vierderangs-lettré uit te kleden tot een eersterangsraté ’.

 

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao 


ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita


ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen


ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

ZoekPoëzie 5; Jan Engelman

En Rade

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker

Dendermonde 63 

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade

De liefde, natuurlijk

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin

Silver nights in Rochester

 

ZoekPoëzie 9; Simon de Geus

Jeugdherinnering

 

ZoekPoëzie 10: C.S. Adama van Scheltema 

De Dijk

 

 ZoekPoëzie 11: Wyslawa Szymborska

Een bewogen herbegrafenis 

 

ZoekPoëzie 12; Drs.P

Heen & Weer

 

ZoekPoëzie 13: Tan-te Pol-lie

Voor de klei-ne-ren

 

Zoekpoëzie 14: Paul Rodenko

Bommen

 

Zoekpoëzie 15: Paul van Vliet

Meisjes van dertien

 

Zoekpoëzie 16: Joan Hambidge & Elisabeth Eybers

Bloedbanden

 

ZoekPoëzie 17: Marc Chagall & Blaise Cendrars

De dichter (Half vier)

 

ZoekPoëzie 18: Homero Aridjis

Droom in Tenochtitlán

 

 ZoekPoëzie 19; Jan Hanlo

 's Morgens

 

 

 

 

 

 

 

 

Van Gerard Reve

 

Droom


Vannacht verscheen mij in een droomgezicht mijn oude moeder,

eindelijk eens goed gekleed:

Boven het woud waarin ze met de Dood wandelde

verhoef zich een sprakeloze stilte.

Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was

en uitgerust

Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk.

 

Mijn nieuwe vaderland

 

Ramsey Nasr (1974) is nu bijna twee jaar Dichter der Vaderlands.
Bij het aantreden  van dit nieuwe kabinet schreef hij
het volgende gedicht. 
      Ik plaats dit omdat hij bij Pauw & Witteman niet meer dan
twee coupletten mocht voorlezen.
      (This is T.V. you know)

(Geïnspireerd door Wien Neerlandsch bloed van Hendrik Tollens, dat vanaf 1817 ons nationale volkslied was.
Tot het zeer terecht in 1932 werd afgevoerd.)

 

Mijn nieuwe vaderland


Wie neerlands bloed in d’aders vloeit
van vreemde smetten vrij
wiens hart voor volk en orde gloeit
verhef uw zang als wij.
Vandaag zien wij weer één van zin
de vlaggen afgestoft.
Vandaag zet ik mijn feestlied in
voor vaderland en schoft.


Ik eer de leiders van mijn land.
Hun vlekkeloos parcours
leert mij wat macht vóór al verlangt:
’t geweten van een hoer.
Ik eer mijn leiders hemelhoog
en ’t hoogst zit een fascist
die u en mij zolang gedoogt –
zolang als hij beslist.


Beschermt gij, leiders, onze grond
waar vreemde adem gaat
gij die zo rein zijt, kerngezond
en zuiver op de graat.
Wij smeken om een harde hand
in aangewreven haat.
Behoud voor 't lieve vaderland
de blanke natiestaat.


Braakt uit, gij vrienden, vrij van zin
uw krop, uw kreet, uw gal.
Niets is taboe en niets te min
uw bagger minst van al.
Verneder dus wat u niet zint
sla stuk wat niet bevalt
laat zien hoe u dit land bemint
omhels het op zijn smalst.


Hoe klopt ons hart, hoe zwelt ons bloed
bij 't rijzen van dees’ toon.
Klonk ooit een zuiverder gemoed
een leger hart zo schoon?
Waar hoorde men die koekoekszang
voor volk en vaderland?
Dat was toen in het landsbelang
een heel volk werd verbrand.


Dood nu wat afwijkt van uw bloed
en van uw onderbuik.
Bewaar het niet, verdelg het goed
zodat dit land ontluikt.
Wie hier nog onze mildheid zoekt:
los op in brandend veen.
Waar elk verschil werd opgedoekt
zijn staat en burger één.


Wie neerlands bloed in d’aders vloeit
van vreemde smetten vrij
die fabel staat weer eens in bloei
in dwazen zoals wij.
Veel liever word ik door een volk
van hunnen aangerand
dan mee te gaan in deze kolk
van schoft en vaderland.

*