Poëzie

 

Van Peter Hoefnagels

 

Le souffle au coeur

(regie Louis Malle)

 

Je zou wel mal zijn..

met zo’n mooie moeder

verbannen naar één suite

van één hotel

- verliefd, verdwaasd

en helemaal vijftien -

leergierig naar haar lichaam

nu je haar ziel al bijna kent….

 

Je zou wel mal zijn..

met zo’n mooie moeder

in één bed

maakt je moeder school

onder haar beste leerling.

Wat is er tegen?

(behalve je vader dan)?

 

      De film Le souffle au coeur -in het Nederlands vertaald in Hartkloppingen- verscheen in 1971.
            Het was opvallend, controversieel en spraakmakend zoals vrijwel alle films van Louis Malle.
      Het centrale thema is een incestueuze verhouding tussen een jonge moeder en haar  
      vijftienjarige zoon.

             De film kreeg goede recensies en werd voorgedragen voor een Oscar.
      Vooral omdat het een knap en integer gemaakte film was.


      Toch betwijfel ik of zo’n film nu nog zo ontvangen zou zijn . 

      Het is een zeer precair thema, waar we in de jaren zeventig ontvankelijker
      voor waren dan nu.

 

       En als het hier om een intieme verhouding zou zijn gegaan tussen een jonge vader en zijn
      vijftienjarige dochter was het helemaal taboe geweest.    
      Verder is het opmerkelijk dat de jongen ook nog eens lichamelijk benaderd wordt door een
      pastoor.

 

 


      Het gedicht van Peter Hoefnagels is opgenomen in de bundel Recht zetten, in 1974
      verschenen bij de Rotterdamse Kunststichting in de zogeheten Sonde-reeks.

 

 

 
Moeder & zoon 5: Ibrahim Selman

Moeder

 

Moeder & zoon 4: A.Marja

De moeder


Moeder & zoon 3: Martinus Nijhoff

De Wolken

 

Moeder & zoon 2: Gerard Reve

Droom


Moeder & zoon 1: Gerrit Achterberg

Moeder

 

 

 

Onder de deken van mijn vader

 

Van Ibrahim Selman

 

Moeder

 

Al jaren hoop ik je te zien

gisteren was het zover

je bent in mijn droom gekomen

niet om te blijven

je kwam afscheid nemen

 

Onder de deken van mijn vader

ging je liggen

hoeveel gaten had hij

in zijn hoofd gekregen?

Eén, drie of dertien

hoeveel jaren is hij

onder de witte aarde begraven?

 

Vier, acht of zestien

Zonder neuriën en tranen

ben je gauw

gauw

gauw verdwenen

waarheen moeder

waarheen?

 

Nee,

denk niet aan je zoon

die stijgt nooit op naar de zon

denk andere gedachten

denk aan de lente

denk aan de zon

denk aan alles

niet aan je zoon.

 

Koerd uit Irak

Ibrahim Selman is een Koerd uit Irak. Hij werd daar in 1952 geboren in het dorpje Zawite.
      Hij werkte ondermeer bij de Staatsomroep in Bagdad en ontvluchtte zijn land in 1980. Een jaar later kwam hij in Nederland terecht.
Dit gedicht schreef hij in maart 1990.
      Het is opgenomen in de bundel Dans van een bevroren land (De Geus).

 
Zijn vader werd in 1974 onder het bewind van Saddam Hoessein vermoord.

 

Tekst op de flap:

Hij schreef zijn eerste gedicht nadat hij in een droom had gezien hoe zijn moeder ‘onder de deken ging liggen’ van zijn in 1974 in het Koerdische gebergte omgebrachte vader

Selman: ‘’… ik verbleef in Amsterdam. In het nieuwe vaderland was het moederland steeds in verschillende gedaanten aanwezig. Elke gedachte fluisterde een gedicht in mijn oor. In mij leefde ook een ander land. Dat land is bevroren sinds mijn moeder mijn vader weer heeft gevonden…’

 

 

Moeder & zoon 4: A.Marja

De moeder


Moeder & zoon 3: Martinus Nijhoff

De Wolken

 

Moeder & zoon 2: Gerard Reve

Droom


Moeder & zoon 1: Gerrit Achterberg

Moeder

 

 

 

 

 

Remembrandt

 

 

In 1979 had de Spaanse schilder en graficus Antonio Saura een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum.
      Bert Schierbeek schreef bij die gelegenheid de catalogus.

 

Dat was een eervolle opdracht. Vrij logisch ook, want Schierbeek had al eens samen met Saura het project Remembrandt uitgevoerd. 
     

Niet alleen een bijzondere kunstuiting maar ook een ode aan de schilder.

       Bovendien had Schierbeek zijn bijzondere gedicht ‘R van R te A’ opgedragen aan Saura.

 

 

 

Dat gaat zo:


Van Bert Schierbeek


R van R te A

Voor Antonio Saura

 

Rembrandt van Rijn

stond alleen (en

verarmd)

voor zijn huis

(wat eens het zijne was)

en keek om zich heen

‘een woestijn’

dacht hij

                                    en zijn mijn ogen

                                    zo oud dat ik niets

                                    meer zie en alles

                                    leeg is?                                                                                                                                                                Rembrandthuis

                                                                                                                                                                                                                  Jodenbreestraat
Geen mens te zien                                                                                                                                                                                Amsterdam

en ik heb ze allemaal

gekend en men zegt Maupi

die had mij ook al ver-

kocht, maar toch

                               hoor ik:

                                             die woont hier niet

                                             meer die hep zijn chance

                                             in de volledige Caransa

                                             gepakt


en dan zeg ik

R. van R.                                                                                                                                                                                                                            

niets meer: ik kijk in de richting                                                                                                                                                                                 

                         Nieuwmarkt en dat                      is                                                                                                                                                          

                      niet moeilijk….

                      ik kijk door alles heen

                      door één groot venster

                      één verschrikkelijke deur

                      (er is geen vriend meer over

                       en ook geen tulband met pak)

 

op de rondvaartboten hoort hij

zijn naam en ook in ‘t museum

hij was er nog eens gaan kijken

en dacht ‘t is goed dat ze d’r

hebben gewassen, vroeger deden we

dat niet zoveel Hendrikje en ik                                                                                                                                                                                    

 

R. van R. schudt zijn hoofd

En hoort

(terecht)

temidden van een zonsondergang

een gezang:

                      wat is er zo lastig                                                                                           REMEMBRANDT 1

                      in een stad                                                                                                       Antonio Saura

                      waarin minder lastig                                                                                     Zeefdrukken 1973

                      zijn

                      dan de meesten                                                                                              REMEMBRANDT 2

                      is het                                                                                                                                                                                                           

                      dat de meesten niet

                      zien

                      dat zij

                      zonder minder

                      nooit

                      de meeesten zijn

 

en door de

gaten van ‘t geweld

van ‘t geld

daalt de zon in een

gloeiende spiegel en voelt

hij zijn ouderdom R. van R. en

verrimpelt en smelt en                                                                                                                                                                                                 

worden zijn ogen zonnen

en zijn hoofd een

zéér grote traan

waarin nog éénmaal de

stad en wat ze had

(hij ziet het)

en wat er bijkwam

en verlaat dit stelsel

voorgoed.

 

 

 

Wat schreef Bert Schierbeek in die catalogus ?

Wel.

De Nederlandse dichter constateert dat de Spaanse schilder een haat-liefde verhouding had met zijn land. 
      Hij groeide daar namelijk op onder de Franco-dictatuur.


Schierbeek:

‘Die verhouding, met alles wat er tussen ligt aan sarcasme, woede, verscheurdheid, masochisme, humor en intelligentie, vormt de emotionele basis van zijn werk. Daarom deformeert hij het verleden tot het heden. Ingrijpen in de mythe, ontmythologiseren, ontwaarden, daaruit vloeiden voort zijn portretten van Philips II, zijn kruisigingen, de portretten van Goya en Rembrandt’.

 

                                             

 

Remembrandt 1                      Remembrandt 2                        Remembrandt 3                          Remembrandt 4

ZoekPoëzie 1: Slauerhoff
Maneschijn te Tsingtao

 

 

ZoekPoëzie 2; Natasha Lako
De vier heldinnen van Mirdita


ZoekPoëzie 3: Ursula Krechel
Boetedagen

 


ZoekPoëzie 4; Hugo Claus
Voor Gerrit Kouwenaar

 

 

 

ZoekPoëzie 5; Jan Engelman

 En Rade

 

  

 

ZoekPoëzie 6; Johnny the Selfkicker

 Dendermonde 63 

 

  

 

ZoekPoëzie 7; Carlos Drummond de Andrade

 De liefde, natuurlijk

 

  

 

ZoekPoëzie 8: James S. LaVilla-Havelin

 Silver nights in Rochester

 

  

 

ZoekPoëzie 9; Simon de Geus

 Jeugdherinnering

 

  

 

ZoekPoëzie 10: C.S. Adama van Scheltema

 De Dijk

 

  

 

ZoekPoëzie 11: Wyslawa Szymborska

Een bewogen herbegrafenis 

 

 

ZoekPoëzie 12; Drs.P
Heen & Weer

 

 

ZoekPoëzie 13: Tan-te Pol-lie

Voor de klei-ne-ren

 


Zoekpoëzie 14: Paul Rodenko

 

Bommen

 

 

 

Zoekpoëzie 15: Paul van Vliet

Meisjes van dertien

 

 

 

Zoekpoëzie 16: Joan Hambidge & Elisabeth Eybers

Bloedbanden

 

 

 

ZoekPoëzie 17: Marc Chagall & Blaise Cendrars

De dichter (Half vier)

 

 

 

ZoekPoëzie 18: Homero Aridjis

Droom in Tenochtitlán

 

 

ZoekPoëzie 19; Jan Hanlo

 

's Morgens

 

 

 

ZoekPoëzie 20; Slauerhoff versus Schotman 

Benard advies 

 

 

 

ZoekPoëzie 21; Pablo Neruda

 

Een witte bungalow op Capri

 

 

 

ZoekPoëzie 22: David Shapiro

 

Empathy for Dave Winfield

 

 

 

ZoekPoëzie 23: Maurice Gilliams

Winter te Schilde

 

 

 

ZoekPoëzie 24: Saul van Messel

Restaurant

 

 

 

ZoekPoëzie 25: Jacques van Tol

De olieman heeft een Fordje opgedaan

 

 

 

ZoekPoëzie 26: Lucebert

Hoop op Iwosyg

 

 

ZoekPoëzie 27: Sujata Bhatt

The stinking Rose

 

 

 

 

 

Van Michel van der Plas

 

Sandra

Heel de week speelt ze door zijn gedachten

Heel de week mist hij haar stem en haar lach

Zes dagen lang kijkt hij uit naar die ene

Korte, maar zekere zaterdag

Zaterdag is er dan eindelijk die middag

Wat zal ze aan hebben? Komt ze te laat?

Zaterdag, klein en nerveus in zijn auto

Wacht hij haar op, op de hoek van de straat

Daar komt ze aan, hip en wel met haar krullen

Weg is die angst van ze komt niet misschien

Zaterdag is het, en blij zit hij naast haar

Zaterdag mag hij Sandra zien

 

 

Iedere keer moet hij toch even wennen

Wil hij iets liefs zeggen, weet niet goed hoe

Aarzelt: ‘Wat zullen we?’ en zegt ze vleiend:

‘Artis weer, papa, en Cineac toe’

Godzijdank lacht ze, praat ze, vertelt ze:

‘De meester is duf en de poes is weer zoek’

Ongemerkt rijdt hij harder dan anders

En hij ziet klokken op iedere hoek

Zo heeft de rechter beslist, en vier uren

Is ze van hem in een vast stramien

Zaterdag is zijn alimentatie

Zaterdag mag hij Sandra zien

 

 

Sandra ronddansend in Artis, en daarna

Sandra doodstil in de Cineac

Onder de tekenfilm, veilig in ‘t donker

Stopt hij een riks in haar mantelzak

Daarna een ijsje en daarna nog cola

Hij neemt er ook één maar ‘t smaakt hem niet best

‘t Laatste half uur, er is niets meer te zeggen

Rijden ze zomaar wat rond door Nieuw-West

Zes uur zet hij haar af op het hoekje

Denkt: veel te wijs voor een meisje van tien

Zaterdag laat heeft hij te veel gedronken

Volgende week mag hij Sandra zien

 

 

 

Het gedicht is uit 1969 en werd op muziek gezet door Rogier van Otterloo.

Luister hier naar de vertolking van Frans Halsema.

 

 

 

 

Vader & dochter

 

Vader en dochter 4: Michel van der Plas
Sandra
Vader en dochter 3: Annie M.G. Schmidt
Op een mooie Pinksterdag

Vader en dochter 2: F. Harmsen van Beek
Moeder of vader

Vader en dochter 1: Eva Gerlach
Een heer in een ver land
 

 
 
Van Hugo Claus
 

Op Thomas zijn vierde verjaardag

 
Later, mijn jongetje, word je een man.
Later reikhals je als een giraffe naar het hoe en het waarom.
Men zal je stempelen als bagage.
Men zal je kwetsen om je wens en je droom.
En jij zal trachten eens en voergoed te fotograferen
het hoe en het waarom van de vrouw
die kantelt in je lakens
die zingt naarmate je ontdubbelt in haar vel.
En nog later, jongetje, wordt
je leven een plakboek.
Maar nog lange niet, nog lange niet.
 


Vader & Zoon