Poëzie

 

Van Seth Gaaikema

 

Pastorie

 

Pastorie in het Noorden

In een dorp op een steenworp van de zee

Waar jouw vader de Gewijde Woorden

‘s Zondags voorleest, hij is dominee

 

Pastorie, die hoe ver ook verwijderd

Ik nog dagelijks vóór me zie

Door en door kerkelijke

En bij de schoonmaak zo bewerkelijke

Pastorie

 

En als we ‘s avonds om half zes al aten

En we moesten vroeg naar bed

Dan werd ons voorvoeld:

De kerkeraad komt over de nieuwe kachel praten

En de nieuwe kachel werd vaak één maat kleiner

Dan vader had bedoeld

 

En aan het eind van de week

Klonk altijd weer

‘Ssst! Vader werkt aan de preek’

En ik weet nog heel goed, dat ik als kind

‘s Zaterdagsavonds door de half geopende deur

Vaders werkkamer binnenkeek

 

Ja, dat mocht

Even kijken in ‘t keukentje van God

Even kijken hoe ‘t Hemelse Gerecht

Wordt klaargemaakt

Niemand heeft daar toegang tot

 

Voor ieder blijft de deur op slot

Slechts voor domineeskinderen de eer

Om heel af en toe te kijken

In ‘t keukentje van de Heer….

 

Pastorie in het Noorden

In een dorp op een steenworp van de zee

Waar jouw vader de Gewijde Woorden

‘s Zondags voorleest, hij is dominee

 

 

Voor Mai; een moeder


Jan Hanlo was een verwend moederskindje. Een homo met pedofiele neigingen.
     
Streng katholiek, een stevige roker en nog steviger drinker, een ruziezoeker, een psychoot die zomaar van een dak afstapte.
Iemand die een jongetje van twaalf jaar uit Marokko ontvoerde. Een man die volgens zijn biograaf Hans Renders in een inrichting in Heilo gecastreerd werd.

Jan Hanlo was ook een groot en bijzonder dichter.
      Het gedicht ’s Morgens is opgedragen aan Mai. Dat is zijn moeder.

Het gaat zo



Van Jan Hanlo


‘s Morgens

                                Voor Mai


Het was half vijf ’s morgens in April

Ik liep, en floot de St. Louis Blues

Maar ik floot die op mijn eigen wijze

Al fluitend dacht ik: mocht mijn fluiten

gelijken op de zang van de grote lijster

En waarlijk, na enige tijd geleek mijn

fluiten van de St. Louis Blues

Op de zang van de grote lijster:

turdus viscivorus

 

Moederfixatie

Jan Hanlo werd in 1912 geboren in Bandung op Java.
      Zijn ouders scheidden vlak daarna en Jan ging met zijn moeder Maria Crombach terug naar Deurne in Brabant.
Baboe Tjoetje ging ook mee. Zij verbasterde Mama in Mai en Jan bleef zijn moeder altijd zo noemen.
      Hij droeg niet alleen dit gedicht aan haar op Nee.. Al zijn boeken zijn opgedragen aan Mai.

Hans Renders schrijft in zijn uiterst boeiende Hanlobiografie ‘Zo meen ik dat ook jij bent’ diverse keren over de innige band tussen moeder & zoon.   
      ‘Hij had een moederfixatie’.

Jan Hanlo wilde niet volwassen worden; hij leed aan het zogeheten Peter Pan syndroom.
      Jan bleef bij zijn moeder in bed slapen tot hij volwassen was. En zijn eerste geschreven woorden die bewaard zijn gebleven -hij was toen zes jaar- zijn voor zijn moeder: ’Maitje, Uw liefhebbende Zoontje Jan’.


In 1949 verscheen zijn beroemde klankdicht De Mus, dat in zekere zin een voorbode was van het nog veel beroemdere Oote dat hij in 1952 publiceerde.

 

De Mus

Tjielp tjielp -tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp -tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp tjielp

tjielp tjielp tjielp

Tjielp

          Etc.

 

Bewierookt & verguisd

En dan komt Oote. Eén van de meest besproken, bewierookte, verguisde en belachelijk gemaakte gedichten uit de Nederlandse literatuur.
      Jarenlang; eigenlijk wordt dit gedicht nog steeds aangehaald.
Hanlo werd op straat nageroepen met Boeh.


Jaap Goedegebuure vergeleek het met En Rade van Jan Engelman. (Poezië 57)
     
Gerrit Komrij noemde het een Kijkgedicht.

En voor allerlei andere vergelijkingen, commentaren etc. verwijs ik naar de biografie van Hans Renders, verschenen bij de Bezige Bij.
      Die geeft bovendien een angstaanjagend beeld van de naoorlogse psychiatrie in Nederland, waar tot in 1969 castraties werden uitgevoerd.
      ‘Om zijn eigen puurheid te bewaren, zijn dwangmatige lustgevoelens te overwinnen, had hij zich vrijwillig laten verminken’

 

OOTE


Oote oote oote

Boe

Oote oote

Oote oote oote boe

Oe oe

Oe oe oote oote oote

A

A a a

Oote a a a

Oote oe oe

Oe oe oe

Oe oe oe oe oe

Oe oe oe oe oe

Oe oe oe oe oe oe oe

Oe oe oe etc.

Oote oote oote

Eh eh euh

Euh euh etc.

Oote oote oote boe
                
                             etc.
                
                             etc. etc.

Hoe boe boe boe

Hoe boe boe boe

B boe

Boe oe oe

Oe oe (etc.)

Oe oe oe oe

                  etc.

Eh eh euh euh euh

Oo-eh oo-eh o-eh eh eh eh

Ah ach ah ach ach ah a a

Oh ohh ohh hh hhh (etc.)

Hhd d d

Hdd

D d d d da

D dda d dda da

D da d da d da d da d da da
 
                                                da

Da da demband

Demband demband dembrand dembrandt

Dembrandt Dembrandt Dembrandt

Da do do do da do do do

Do do da do deu d

Do do do deu deu doe deu deu

Deu deu deu da dd deu

Deu deu deu deu


                             Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur

                             Kneu kneu ote kneu eur

                             Kneu ote ote ote ote ote

                             Ote ote ote

                             Ote ote

                             Boe

Oote oote oote boe

Oote oote boe oote oote boe

Opwinding


Luister hier naar Hans Renders die in het VPRO-programma OVT vertelt over de opwinding die in april 1952 ontstond na publicatie van dit gedicht. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van Ruud Engelander

 

Hoe sterk is de eenzame fietser

 

Hoe sterk is de eenzame fietser die krom gebogen

Over zijn stuur, tegen de wind

Zichzelf een weg baant

 

Hoe zelfbewust de voetbalspeler die voor de ogen

Van het publiek de wedstrijd wint

Zich kampioen waant

 

Hoe lacht vergenoegd de zakenman zonder mededogen

Die ‘n concurrent verslagen vindt

Zelf haast failliet gaand

 

En ik zit tevreden hier met de kleine op m’n schoot

De zon schijnt. Er is geen reden

Met rotweer en met harde wind

Te gaan fietsen met dat kind

 

Als ie maar geen voetballer wordt

Ze schoppen ‘m misschien half dood

 

Maar liever dat nog

Dan het bord voor z’n kop van de zakenman

Want daar wordt ie alleen maar slechter van

 

(Luister naar de uitvoering van Boudewijn de Groot:)


http://www.youtube.com/watch?v=H2tQByk6Qo0&feature=related

 

De dichter (half vier)

 
Dit schilderij van Marc Chagall heet De Dichter (half vier).
     
Het is olieverf op linnen, gemaakt in 1911 in Parijs.
Het is één van zijn bekendste werken uit zijn jonge jaren.

 

 

Hoofd op hol

De dichter zit eenzaam aan een cafétafeltje, een kop koffie in de hand.
      Zijn hoofd is op hol gebracht en zoekt inspiratie; het gedicht ligt op zijn knie, op het tafeltje een appeltje voor de dorst en de kat likt verwachtingsvol.
De fles met Eau de Vie is half leeg en dat completeert het beeld van de straalbezopen dichter, die zichzelf -het is immers half vier- met sterke koffie weer enigszins in het gareel hoopt te krijgen om zo het gedicht nog te redden.

Is dit zomaar een dichter?
      Nee!

Het is Blaise Cendrars, die in datzelfde jaar een ‘nogal wild’ gedicht had gemaakt onder de titel Marc Chagall.

In de mooie Volkskrantreeks Moderne Meesters vond ik een Nederlandse vertaling van dit gedicht.

Het gaat zo:


Marc Chagall


Hij slaapt

Nu ontwaakt hij

Ineens schildert hij

Grijpt naar een kerk schildert met een kerk

Grijpt naar een koe schildert met een koe

Een sardine

Met schedels handen meten

Schildert met de zenuwpees van een os

Al het smerige lijden van kleine jodenstadjes

Gekweld door liefdeshartstochten uit de

Russische diepte.

 

Voor Frankrijk

Dood hart en lusten

Hij schildert met dijen

Draagt in zijn achterste de ogen

Daar ligt uw aangezicht

U bent het geliefde lezer

Ik ben het

Hij is het

De eigen bruid

De winkelier op de hoek

De koeienmeid

De baker

In emmers bloed worden de jonggeborenen

Gespoeld

 

Hemelse waanzin

Muilen sproeien het modieuze

De Eiffeltoren lijkt op een proppeschieter

Gevouwen handen

Christus

Hijzelf Jezus Christus

Aan het kruis heeft hij zijn hele jeugd geleefd

Een nieuwe zelfmoord elke dag opnieuw

Ineens schildert hij niet meer

Hij was net wakker

Nu slaapt hij

Wurgt zich met een dasspeld

Chagall verbaast

Hem draagt de onsterfelijkheid

 

‘De cafédichter’ was een ode van de ene buitenlander aan de andere.

Marc Chagall werd in 1887 in een groot Joods gezin geboren in Vitebsk in Wit-Rusland.
      Hij ging in 1910 naar Parijs, betrok daar een atelier en sloot vriendschap met ondermeer Guillaume Apollinaire en Cendrars.

Blaise Cendrars werd in 1887 geboren in Chaud-de-Fonds Zwitserland.
      Hij verhuisde ook in 1910 naar Parijs, nadat hij al de hele wereld over geweest was.
Hij verzon diverse titels voor werken van Chagall, ondermeer ‘Rusland, de ezels en de anderen’.

    

 

 Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

 

Van Jan Arends

 

Ik
schrijf gedichten
als dunne bomen.


Wie
kan zo mager
praten
met de taal
als ik?

 

Misschien
is mijn vader
gierig geweest
met het zaad.

 

Ik heb
hem nooit
gekend
die man.

 

Ik heb
nooit
een echt woord gehoord
of het deed pijn.

 

Om pijn
te schrijven
heb je
weinig woorden
nodig.