Poëzie (350)

 

De vrienden van Leo Vroman

Wie was de vriend van Leo Vroman in het onderstaande gedicht? Die vraag heeft mij een tijdje danig beziggehouden. Er ware diverse mogelijkheden, want Vroman had een rijk, lang en veelzijdig leven.
     
Hij overleed vorig jaar op 98-jarige leeftijd in Fort Worth USA. Hij was niet alleen dichter (P.C.Hooftprijs in 1964), maar ook wetenschapper (bioloog), tekenaar en romancier. In de oorlog zat hij in Nederlands-Indië in diverse Jappenkampen.
      Mirjam van Hengel schreef een biografie over hem onder de titel ‘’Hoe mooi alles’’. Met veel aandacht voor de lange en bijzondere liefdesrelatie tussen Vroman en Tineke Sanders. Daar werd nog een theaterstuk van gemaakt.

Lees eerst het gedicht

Aan een vriend

Ach, laten wij geen ogenblik bederven
voor wie van ons het eerst zal moeten sterven,
en laten wij ook nimmer praten
van alles wat wij huichelden en haatten.
Zolang een vlerkgespreide leeuwerik blijft zingen
vergeeft zijn God ons al wat wij begingen,
zolang we kersebomen zacht in bloei zien staan
dan hebben wij nog niemand kwaad gedaan.
Ach, laten wij het leed dat men ons deed, vergeten,
God zal het allemaal wel weten
en laten we geen ogenblik bederven
voor wie van ons het eerst zal sterven.

Aanvankelijk meende ik dat Vroman in dit gedicht Anton Koolhaas bedoelt. Zij leerden elkaar kennen op de Utrechtse studentenvereniging Unitas. Samen maakten zij vlak voor de tweede wereldoorlog de strip Stiemer en Stalma voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC).
     
Teksten van Koolhaas en tekeningen van Vroman.

  

Het was dezelfde Koolhaas, die Vroman ertoe aanzette om gedichten te gaan schrijven. Koolhaas (vader van Rem) was journalist en schrijver.
Ook 
hij ontving (1992) de P.C.Hooftprijs .
      Vroman werd geboren in 1915 en Koolhaas in 1912. Wat die jaartellen betreft zou je je dus inderdaad op enig moment kunnen afvragen wie het eerst zal sterven.
     
Maar of Vroman inderdaad Koolhaas bedoelde wist ik nog steeds niet zeker. Vooral die regel ‘’laten we het leed dat men ons deed, vergeten’’ maakte het ingewikkeld. Koolhaas zat namelijk niet in een Jappenkamp.

Ik benaderde biografe Mirjam van Hengel.
     
Zij schreef mij ondermeer:

Het is niet aan een specifieke vriend, net zomin als het gedicht ‘’Voor wie dit leest’’ dat is: vrienden waren voor Vroman liefst alle mensen.
      Best mogelijk dat hij Koolhaas voor ogen had, maar evengoed ėėn van zijn kampvrienden, Tjalie Robinson, Erik de Vries of Hans Maassen, of zelfs Max de Jong. 


Voor wie dit leest

Gedrukte letters laat ik U hier kijken,
maar met mijn warme mond kan ik niet spreken,
mijn hete hand uit dit papier niet steken:
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken.

O, als ik troosten kon, dan kon ik wenen.
Kom, leg Uw hand op dit papier; mijn huid;
verzacht het vreemde door de druk verstenen
van het geschreven woord, of spreek het uit.

Menige verzen heb ik al geschreven,
ben menigeen een vreemdeling gebleven
en wien ik griefde weet ik niets te geven:
liefde is het enige.

Liefde is het meestal ook geweest
die mij het potlood in de hand bewoog
tot ik mij slapende vooroverboog
over de woorden die Gij wakker leest

Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn
en door de letters heen van dit gedicht
kijken naar uw lezende gezicht
en hunkeren naar het smelten van Uw pijn.

Doe deze woorden niet vergeefs ontwaken,
zij kunnen zich hun naaktheid niet vergeven;
en laat Uw blik hun innigste niet raken
tenzij Gij door de liefde zijt gedreven.

Lees d it dan als een lang verwachte brief,
en wees gerust, en vrees niet de gedachte
dat U door deze woorden werd gekust:
Ik heb je zo lief.


Klik HIER voor alle ZoekPoëzie

 

 

Ieke nie fan Hollant hou

Toen ik in de jaren zeventig Rotterdams correspondent voor De Volkskrant was, kwam ik met zekere regelmaat in de bekende cafė’s. Je zag dan weleens de dichter Frans Vogel zitten. Een markante man met een bijzonder gevoel voor humor. Hij had een vooruitziende blik, getuige zijn gedicht

Klaaglied van een gastarbeider

Ieke skrijve aan mijn vrou, ieke nie fan Hollant hou.
Hier die mense zo gauw kwaat as jij seg ”Iek nie verstaat’’
Kom jij binne ien die kroeg sij nooit groeten jou teroeg.
In fabriek jij doen vies werk, hier jij heb gėėn eigen kerk.
Vaak jij wonen voor ėėn huur, die sij maken veel te duur.
Sij jou beetsje oenderdrukken en probieren jou te pluken.
Siet jij in die bus of trem, sij jou duwen bijna klem.
Of as jij jouw krant ga kopen, sij jou onderboven lopen.
Ieke nie graag spreke kwaat, maar so ies as ut hier gaat.
Al die tijd dat jij hier ben, ies dar niemant die jij ken.
Hier jij eenzaam en verlaten, jouzelf alleen om mee te praten.
Ieke skrijve aan mijn vrou, ieke ne fan Hollant hou.

Hij kwam wel eens naar Poetry International. Daar trad ooit een Chinees op in een tijd dat de vertalingen nog achteraf werden voorgelezen.
      Frans Vogel riep hard door de stille zaal: “Harder’’.

En toen de massa zich naar hem richtte riep hij: ”Ik kan het namelijk niet verstaan’’.


Frans Vogel is inmiddels tachtig jaar. In diverse recente interviews lees je, dat hij niet meer zoveel drinkt, want dat rijmt niet met de grote hoeveelheden medicijnen die hij moet slikken.

Van Frans Vogel

Te gek moment

Weet nog goed.

Was die keer
op dat lullige stationnetje
van Aerdenhout

Toen ik (goed snik?)
pardoes op mijn
achterhoofd ben gevallen:

Hartstikke nieuw gaatje
in mijn kop.

Absoluut te gek moment.

Wist gelijk niks meer
van wat daarvoor
allemaal moet zijn gebeurd:
flink stuk van mijn leven
(lang niet achterlijk?)
in 1 klap kwijt, foetsie,
pleitos, pinéros.

Of ik daar nu dan niet
als een randdebiel
of een volslagen idioot
naar op zoek ben?

Tot slot

Zijde ge mal:
juist dat ene moment
vind ik al te gek.

Complėtement fou,
weet je wel.
Crazy, Wahnsinnig.

En voor de rest
moedu nie bij mijn
zijn: forget it.

 

 

Van Lucebert

Ik tracht op poëtische wijze

Ik tracht op poëtische wijze
dat wil zeggen
eenvouds verlichte waters
de ruimte van het volledig leven
tot uitdrukking te brengen

Ware ik geen mens geweest
gelijk aan menigte mensen
maar ware ik die ik was
de stenen of vloeibare engel
geboorte en ontbinding hadden me niet aangeraakt
de weg van verlatenheid naar gemeenschap
de stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg
zou niet zo bevuild zijn
als dat nu te zien is aan mijn gedichten
die momentopnamen zijn van die weg

In deze tijd heeft wat men altijd noemde
schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
zij troost niet meer de mensen
zij troost de larven de reptielen de ratten
maar de mens verschrikt zij
en treft hem met het besef
een broodkruimel te zijn op de rok van het universum

niet meer alleen het kwade
de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig
maar ook het goede
de omarming laat on wanhopig aan de ruimte
morrelen

Ik heb daarom de taal
in haar schoonheid opgezocht
hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
dan de spraakgebreken van de schaduw
dan die van het oorverdovend zonlicht


1. Remco Campert: Dichten is een daad
2. Gerrit Komrij: De dichter
3. A van Collem: Als ge me leest, dan moet ge mededichten

4. Rutger Kopland: Lijsterbessen 
5. Sybren Polet: De dichter als dokter
6. R,J,Resink: Versklaar
7. Jan Arends: Gedichten als dunne bomen 

 

 

Van Jac. Van Hattum

140 pond

Ik ben Van Hattum en ik weet
dat 140 pond zo heet.
maar dat de naam direct vervalt
als het leven wijkt uit de Gestalt.

Dan ligt, onder de naam van lijk,
die honderdveertig pond te kijk;
Gij zijt bij het defilé misschien:
alleen ik zelf zal het niet zien.

Da’s vreemd: ik zie, wat Gij niet ziet;
wat Gij dán ziet, zie ik weer niet.
Enfin….; de honderdveertig pond
is nog springlevend en gezond.

En ik geniet graag ’s levens gunst
én om mijzelf én om de kunst;

Hoe meer ik drink, hoe meer ik eet,
hoe meer gewicht Van Hattum heet.

Jac. Van Hattum (1900-1981) publiceerde dit gedicht voor ’t eerst in Forum, juli 1935. Het werd gebundeld in De Pothoofdplant.

 

 

Gedichten als dunne bomen

Van Jan Arends

Ik
schrijf gedichten
als dunne bomen

Wie
kan zo mager
praten
met de taal
als ik?

Misschien
is mijn vader
gierig geweest
met het zaad.

Ik heb
hem nooit
gekend
die man.

Ik heb
nooit
een echt woord gehoord
of het deed pijn.

Om pijn
te schrijven
heb je
weinig woorden
nodig.

Uit: Lunchpauzegedichten (1974)

1. Remco Campert: Dichten is een daad
2. Gerrit Komrij: De dichter
3. A van Collem: Als ge me leest, dan moet ge mededichten

4. Rutger Kopland: Lijsterbessen 
5. Sybren Polet: De dichter als dokter
6. R,J,Resink: Versklaar
7. Jan Arends: Gedichten als dunne bomen

 

Subcategorieën

 

Twee maal de helft en een geel strikje