Reizen (518)

 

Dagtrip naar een Resort Eiland

(Door Rolf Weijburg)

Na ruim twee weken in de Malediven, het op acht na kleinste land ter wereld, wilden we toch nog wel even kijken hoe het is op zo’n luxe resort-eiland. Het fenomeen resort-eiland is immers waar een groot deel van de Maldivische economie op drijft.
      We hadden onze intrek weer genomen in het inderdaad relaxte Relax Hotel tegenover de ferryhaven op Male’ en vonden wat verder westwaarts een aanlegplaats voor luxe speedboten. Al informerend begrepen we dat een paar van die resorts ook zogenaamde dagkaarten verkocht  waarmee je per speedboot naar zo’n eiland werd overgebracht.
      Dan kreeg je daar een handdoek en wat vouchers voor lunch, wat drankjes en een snorkelset. Eén van die hotels had een kantoortje vlakbij aan de waterkant en we kochten er een dagkaart voor Bandos, één van de oudste resort-eilanden in de Malediven, op slechts een half uurtje varen van Male’.

      Kost een lieve honderdvijftig US Dollar per persoon, maar dan héb je ook wat!

 

Ontvangst

De volgende dag stipt om acht uur ‘s ochtends vertrokken we. Bij aankomst werden we door twee keurige Maledivische jongens ontvangen en naar de receptie begeleid. We kregen onze vouchers, een plattegrond en wat reclamefolders en mochten verder het eiland op.

            

 

Het eiland was van alle gemakken voorzien. Restaurants, een paar bars, enkele boutiques, vergaderruimtes, een kids club, duikschool, kliniek en spa. Twee zwembaden en twee tenniscourts en natuurlijk een moskee. Er liep een weggetje dwars over het eiland waar ook nog wat vakantieappartementen stonden.

Het gros van de verblijven stond echter aan de stranden waar vooral de bungalows nogal dicht op elkaar stonden.. In totaal telde het eilandje ruim 100 kamers of appartementen en bijna honderd bungalows.
      Het ronde eiland was 500 meter in doorsnee, je liep er in een half uurtje omheen. Het was er niet druk, enkele toeristen lagen op strandstoelen op de mooie strandjes die het eiland omringden.

Geen nudisme


Geen topless

Nudisme of topless was uiteraard bij wet verboden. Buiten de resort-eilanden was overigens het dragen van een bikini ook verboden.

Geen Bikini

We vonden een plek aan een mooi stukje strand. Snorkelen en luieren in de zon. Later een prima lunch met een lekker biertje erbij, helemaal niet verkeerd allemaal. Maar je zou hier maar dágen achter elkaar moeten doorbrengen …
      Het was goed toen we aan het eind van de middag weer soepeltjes teruggewhisked werden naar de hoofdstad.


Hang-Out

We konden nog net de zonsondergang meepikken op het terras van het Sea View Café, de populairste hang-out van tout Male’ in die tijd, waar je van de heerlijkste vruchtensappen en koffies,  maar ook van een lokale maaltijd, kon genieten onder het genot van een fantastisch uitzicht. Een biertje of glaasje wijn was er niet bij echter.


Geen alcohol

Alcohol is in heel Maldives verboden. Hoewel het vaak op allerlei menukaarten vermeld stond, was zelfs alcoholvrij bier nergens te krijgen. Er zou zomaar tóch nog een procentje alcohol in kunnen zitten, werd ons vaak verteld. Zware straffen staan er op het gebruik of bezit van alcohol. Maar niet op de resort-eilanden. Daar kan je je iedere dag een stuk in de kraag drinken.

      Onderwijl is er, vooral in de hoofdstad Male’, een enorm drugsprobleem. Het aantal heroïne en cocaïne verslaafden is er in de afgelopen jaren schrikbarend gegroeid. Die ambivalente houding ten opzichte van alcohol - verbieden maar niet als er veel geld mee kan worden verdiend - is tekenend voor de schizofrenie van de Maledivische samenleving.

      Enerzijds de wens om de nationale islamitische waarden te behouden, anderzijds de drang om te vernieuwen, economisch te ontwikkelen en via het door velen als decadent beschouwde toerisme 's lands mogelijkheden te vergroten. Sinds de eerste resort-eilanden werden geopend begin jaren zeventig, zijn dit de twee immer terugkerende maatschappelijke en politieke tegenpolen die de Malediven bij tijd en wijle verlammen en voor onrust en zelfs diverse staatsgrepen hebben gezorgd.

 

 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen

 

 

 

 

 

Een cadeautje voor de koning

Het was 25 mei 1988. Onfhankelijksdag in Jordanië. Dat werd groots gevierd.  
     
Ik was toen in de hoofdstad Amman en logeerde bij een Palestijnse juwelier, meneer Y. 

      Koning Hoessein was nog aan het bewind en zou die dag tal van gasten ontvangen. Meneer Y ging vroeg op pad met in zijn tas een collier van zo’n 10.000 US$. Een cadeautje dat de koning op zijn beurt weer kon schenken aan zijn vierde echtgenote Lisa Halaby, een mooie Amerikaanse mevrouw, die de bijnaam koningin Noor had.

Nodig voor de humus:

Weken & koken  

De kikkererwten een nacht laten weken in een ruime hoeveelheid water. Natriumbicarbonaat (zuiveringszout) erbij, want daar worden ze zachter van.
      De volgende dag de kikkererwten afspoelen in koud water en in ruim water twee uur zacht laten koken. De erwten afgieten, maar het kookwater bewaren. Goed laten afkoelen.
      Om een optimaal resultaat te bereiken moeten de bonen worden 'uitgeknepen'.  Velletjes weggooien. 
Dit is niet moeilijk, maar het kost wel even tijd.
(Als u kleine kinderen hebt , kunnen ze leuk meehelpen. Vooral als u zegt dat de kale erwtjes op kikkerbilletjes lijken)
     
Intussen maakt u de sesampasta. 

      De zaadjes in een hete koekenpan laten dansen.
Dan gaan ze in een vijzel en wordt een smeuïge pasta gemaakt door er sesamolie bij te doen. Goed en langdurig stampen. (Als het allemal te veel werk is, kunt u ook een keukenmachine gebruiken)
      
De pasta gaat door het kikkererwtenmengsel. Citroensap, komijn, karwij en knoflook erdoor heen roeren. Een beetje kookwater erbij. In een blender tot een mooie puree malen. Eventueel nog iets meer water erbij.

De humus is lekker bij lamsvlees en bij worstjes. Gewoon op brood kan ook.
      Bij de humus op de foto heb ik er een paar zongedroogde tomaatjes, olijven en peterselie bij gedaan. Geroosterde pijnboompitten doen het ook goed.

Koning op kistje

 

 

‘’Komt u maar even langs’’

In 1988 deed ik diverse pogingen om een visum voor Jordanië te verkrijgen. Dat was over het algemeen een formaliteit. Maar dat was het in mijn geval niet, omdat ik via Israël en de Westbank naar dat land wilde. Dat was verdacht.
      Ik moest uitvoerig uitleggen waarom ik dat wilde.

Het leek allemaal bijzonder moeilijk te worden tot de consul-generaal Mahmoud Rabbani persoonlijk belde. Hij was een Palestijn, die in Haifa was geboren, toen dat nog tot Brits mandaatgebied behoorde.
       Hij had informaties ingewonnen en bleek te weten dat ik al eerder programma’s had gemaakt over de positie van de Palestijnen. Na een vrij kort gesprek zei hij: ‘’Komt u maar even langs. En neem uw paspoort mee''.
       Twee dagen later ging ik naar het consulaat, waar ik uitermate vriendelijk werd ontvangen. Na een  kopje  thee en een heel zoet bakseltje stempelde meneer Rabbani persoonlijk dit visum in mijn paspoort.                                         

 

Ongeldig

Kijk even naar de tekst links

          

Daar staat dat het visum ongeldig is als er in het paspoort een verwijzing naar Israël staat. Dat zou dus problemen kunnen opleveren, maar uit eerdere bezoeken wist ik dat Israël geen stempels zet in paspoorten. Juist vanwege dit soort regels.
 
De boodschap is enigszins te vergelijken met de niet-Joodverklaring, die een aantal Arabische landen in de jaren zeventig en tachtig vooral van zakenmensen verlangde.

      Mahmoud Rabbani was overigens in die jaren een man die nogal vaak in het nieuws was. In 1973 tijdens de oliecrisis was hij honorair consul van Koeweit. Het satirische programma Farce Majeure  had toen voor de televisie het lied Kiele Kiele Koeweit laten horen.  Daar waren ze in de oliestaat niet zo blij mee. 
      Rabbanai moest dat overbrengen, maar het liep allemaal goed af toen de medewerkers van Farce Majeure hem persoonlijk het eerste exemplaar van de single overhandigden.

     Luister HIER naar Kiele Kiele Koeweit

 

 

Zomer 1988

Allenby bridge: Intimidatie & vernedering

(En: Hoe neem je cash 38.172,43 US$ over die lastige grens mee?)


Het is juni 1988. De eerste Intifadah op de bezette Palestijnse gebieden Westbank en Gaza is een half jaar bezig.
      Bij de wachtpost voor de Allenby Bridge, de enige grensovergang tussen de Westoever en Jordanië is het waanzinnig druk.
Er staat aan de kant van de Westbank een rij van zeker een kilometer voor de poort, waar de Palestijnen doorheen moeten.
      Het was hier altijd gedoe met veel intimidatie en vernedering. Maar die Intifadah heeft het allemaal versterkt.
Later die dag zal de poort rücksichtslos gesloten worden.
      ‘Morgen terugkomen’, is het motto.
En dat voor mensen die vele uren lang in de bloedhitte hebben staan wachten.

 

 
Bezoek uit Amman

Radja Sj’hade schreef er al over in zijn boek De derde weg als hij bezoek krijgt van een neef uit Amman, de hoofdstad van Jordanië.
      Nog voordat de Intifadah was uitgebroken
‘De eerste twee dagen deed hij niets anders dan mij uitschelden en de schuld geven wat hem overkomen was toen hij vanuit Jordanië de Allenby Bridge overstak. Het gegil van kinderen die uitgekleed en gefouilleerd werden; een lijk dat, op weg naar het graf op de Westelijke Jordaanoever uit de kist gehaald werd om onderzocht te worden; de stank van de voeten van reizigers die al uren zaten te wachten tot hun schoenen van de röntgencontrole terug zouden komen; het hartverscheurende gejank van een moeder wier veertienjarige zoon voor verhoor was meegenomen en nog niet terug was ’.


Ik ben dus op alles voorbereid als ik met een taxi naar de controlepost word gebracht. Maar buitenlanders hebben een eigen doorgang.
      Een ‘gewone’ Israëlische controle wordt het voor mij.
En dat betekent dat je zorgvuldig en uitgebreid gefouilleerd wordt; dat alle spullen uit de tassen worden gehaald en dat je veel vragen moet beantwoorden.
      Waarom je naar Jordanië gaat, wat je er gaat doen, wie je gaat bezoeken en wanneer je weer terugkomt.
Binnen een uur ben ik er doorheen en neem plaats in een busje dat de brug zal oversteken.

Door al die activiteiten -het busje wordt in die paar kilometer nog twee keer tegengehouden voor allerlei controles- denk je dat de Allenby Bridge een grote brug is over een machtige rivier. Maar niets is minder waar.
      Een smal bruggetje is het over een rivier die ter plekke niet meer dan tien meter breed is. 
De controle daarna door de douane van de Jordaniërs stelt niets voor.

 

 
Machtiging

In mijn zak heb ik een machtiging van advocaat V., een vooraanstaand Palestijn die in Ramallah woont.
      Hij is op de achtergrond actief voor de PLO van Yasser Arafat, die in 1988 nog almachtig was.
Het hoofdkantoor is dan al verhuisd van
Beiroet in Libanon naar Tunis, waar de Israëlische geheime dienst in april PLO-leider Abu Jihad vermoordde.

Advocaat V. heeft tien jaar geleden in Amman gewerkt en daar geld verdiend dat op een plaatselijke bank staat.
      Hij weet niet hoeveel het is, maar vermoedt dat het enkele duizenden Amerikaanse dollars zijn.
Zelf kan hij het niet ophalen. Hij kan het land wel uit, maar weet zeker dat hij er dan niet meer inkomt.
     
Als ik een paar dagen in Amman ben, stap ik naar de bewuste bank. Dan word ik uitgenodigd om bij de directeur te komen.
Hij wil de machtiging nog eens zien, vraagt om mijn paspoort en naar mijn relatie met advocaat V.

      ‘Het is veel geld‘’, zegt hij. ‘Heel veel’.

En dan komt het: 38.172,43 US$.

Tja. Wat te doen?
       Ik moet weer terug naar Ramallah over die Allenby Bridge.

Bellen met V. gaat niet, want er is geen telefoonverkeer tussen de Westbank en Jordanië .
      Op mijn eigen rekening laten storten en dan overmaken gaat volgens de directeur niet.
Ik moet het geld contant opnemen. En dan maar zien hoe ik dat de grens overkrijg.
      En op de één of andere manier aantonen dat dit niet bestemd is voor de strijd van de PLO.

David Grossman , een Israëlische schrijver die in zijn prachtige boek uit 1987 ‘Over de grens’ de bewoners van de Westelijke Jordaanoever uitvoerig portretteert schreef ook over de Allenby Bridge.

‘De soldaat haalt je koffer op de toonbank leeg, raakt elk artikel aan, neemt alles waar tekst op staat in beslag, verbiedt het invoeren van elektrische apparaten, houten voorwerpen en cosmetica, kortom: elk artikel waar explosieven in verborgen zouden kunnen worden, omdat het al eerder gebruikt is om detonators in te smokkelen. Daarom hoor je hier en daar ook vaak het bittere gehuil van kleine kinderen. Na de bagagecontrole worden je schoenen voor röntgencontrole meegenomen en word je zelf naar een kleine cel verwezen, waar je gefouilleerd wordt. Vrouwen en kinderen worden door vrouwelijke soldaten gefouilleerd. Baby’s worden tot en met hun papieren luiers uitgekleed’’.

 
Een verlossende fax

Ik ben in Israël, Palestina en Jordanië om voor de VPRO een paar radioprogramma’s te maken en besluit om te bellen met Roelof Kiers, die toen de leiding had bij de VPRO-televisie.
      Als ik hem de situatie heb uitgelegd, gaat hij volmondig akkoord met het voorstel om mij een uitvoerige fax te sturen (1988!), waarin hij verklaart dat ik ondermeer op de Westbank ben om een productiebezoek te brengen voor een T.V.documentaire.
      Maar omdat de situatie bijzonder explosief is, verklaart hij dat ik cash geld bij me heb om -in noodgevallen- een plaatselijk T.V.-team in te huren om opnames te maken.

Als ik behoorlijk gespannen uiteindelijk weer bij de Israëlische grenspost kom, vindt men natuurlijk snel dat enorme bedrag.
      Maar de fax maakt indruk. Waar die film precies over gaat en waar gefilmd wordt en ''laat uw spullen nergens onbeheerd achter''.
Dat soort dingen.
     
‘Veel succes meneer’, krijg ik ook nog te horen.

 

 

Kotsmisselijk word ik ervan

Ik ben vier keer in Israël en Palestina geweest. Voor ‘t eerst in de zomer van 1979. Vlak voor de Camp David-akkoorden.
      Twee maal in 1988 tijdens de eerste Intifadah en in 1994 nog ruim voor de tweede Intifadah.  Na de Oslo-akkoorden.
Ik was iedere keer in Israël, de Westbank en in Gaza. Twee keer op de Golan en één keer in de Sinaï, toen die nog bezet was.

      Na 1994 had ik er geen zin meer in. Dat was een emotionele en in zekere zin ook journalistieke afweging. Ik zag het allemaal steeds erger worden. Raakte betrokken. Ik kende Palestijnen, die het steeds moeilijker kregen. Mensen, die gevangen hadden gezeten en verhalen vertelden over martelingen en vernederingen, over huizen die opgeblazen waren, over mensen, die verbannen waren. Over kinderen die bij bombardementen gedood werden.
       Ik zag in 1979 de verdeeldheid in Israël. Er was een grote aanhang voor de Vrede-Nu beweging, die een eind wilde maken aan de onderdrukking en de apartheid, die gelijke kansen wilde voor Iraëliërs en Palestijnen, die een voorstander was van een autonome Palestijnse staat.

      Ik ben toen bij een demonstratieve bijeenkomst geweest waar zo’n 60.000 vredelievende mensen bij elkaar waren.
Amos Oz was één van de sprekers. Er was muziek en theater. Veel mensen hadden hun kinderen meegenomen.
Het komt wel goed, dacht ik toen. Ik was 34 jaar en kennelijk nog behoorlijk naïef.

     Het werd alleen maar erger. Het aantal nederzettingen op bezet gebied nam toe. Anno 2021 leven er ruim 600.000 Israeliërs in zo’n 100 nederzettingen. Inclusief Oost-Jeruzalem. Van de Vrede-Nu beweging is vrijwel niets meer over.

      En premier Netanyahu heeft zeer onlangs nog aangekondigd dat er opnieuw 800 huizen op bezet gebied worden gebouwd. Illegaal volgens internationaal recht en nog net voor de inauguratie van Joe Biden, een verklaard tegenstander van dit soort praktijken.
      Maar Netanyahu had in Trump een vriendje. Trump, die geen idee had wat zich daar allemaal afspeelt, maar die geïnitieerd door de orthodoxe Joodse lobby in zijn land een krankzinnig zogenaamd vredesplan lanceerde, waar zijn grote vriend Netanyahu heel blij mee was. Een akkoord, waar de Palestijnen niet betrokken bij zijn geweest. Zij hoorden er pas van, toen het duo het plan in de openbaarheid bracht. Trump kreeg het ook voor elkaar dat de Amerikaanse ambassade werd verplaatst van Tel Aviv naar Jeruzalem.

      Er werd een muur gebouwd op de Westbank. Gaza veranderde in een openlucht gevangenis. De onderdrukking ging door en werd steeds erger. Palestijnen zijn tweederangs burgers.
      Maar als je van apartheid spreekt, lever je kritiek op Israël. En als je kritiek hebt op Israël dan ben je anti-Israël. En -dat is al zo sinds mijn ervaringen vanaf 1979- als je gekwalificeerd wordt als anti-Israël, ben je antizionist en in het verlengde daarvan antisemiet. Kotsmisselijk word ik ervan.
     Vorige zomer concludeerde de Israëlische advocaat Michael Stein voor de mensenrechtenorganisatie Yesh Din, dat er apartheid heerst op de Westbank en de mensenrechtenorganisatie B'Tselem ging nog verder door Israël een apartheidsstaat te noemen. 

     De komende weken zal ik een aantal verhalen plaatsen over mijn ervaringen daar. De meeste stukken zijn al eerder geplaatst. Ze staan her en der verspreid op mijn blog. Maar nu volgen ze in een soort logische niet-chronologische serie.

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh