Reizen (518)

 

Via Baltica deel 1

In 2001 heb ik de Via Baltica bereisd. Een weg die loopt van Warschau in Polen, via Vilnius (Litouwen), Riga (Letland) en Tallinn (Estland) naar Helsinki in Finland. Daar maakte ik een radioprogramma van. Een podcast zo u wilt. Dat werd in twee delen uitgezonden door de VPRO.     

Het werd als volgt aangekondigd.

Eén van de grootste en meest imponerende betogingen in het voormalig Oostblok werd gehouden op 23 augustus 1989. Twee miljoen mensen stonden arm in arm op de Via Baltica, de weg die de hoofdsteden van de Baltische staten Litouwen, Letland en Estland verbindt. Zij protesteerden omdat het op die dag precies vijftig jaar geleden was dat Hitler en Stalin een pact sloten, waarbij de onafhankelijkheid van die landen verkwanseld werd.
Anno 2001 zijn de landen tien jaar onafhankelijk, hebben ze een snelle sociaal-economische ontwikkeling doorgemaakt en staan ze op het punt om toe te treden tot de Europese Unie.
De Via Baltica: een symbolische weg met een romantische naam.
Ronald van den Boogaard bereisde de weg en sloeg af en toe ook links- of rechtsaf.

Luister HIER naar deel 1:
Warschau-Vilnius-Riga

 

 

 

Zomer 1999

Pepperspray in een verdeelde stad

 Piia is een mooie aantrekkelijke vrouw. Midden twintig. Zij is een Estische. ’Honderd procent Estisch’, zegt ze zelf.
      Dat is zeer uitzonderlijk hier in Narva, want meer dan 95% van de bevolking is Russisch. Of beter: Russischtalig.
Piia is een soort sociaal-cultureel jongerenwerkster.
      Zij werkt veel met jonge mannen, die haar nog wel eens ‘per ongeluk’ aanraken. Daarom heeft ze pepperspray bij zich.
Ze heeft het al twee maal gebruikt. Sinds die tijd wordt ze redelijk met rust gelaten.
      Zelfs door de jonge heren, die zich steevast iedere dag lam zuipen met goedkope Russische wodka.
Soms beginnen ze -zegt Piia- al om tien uur
‘s ochtends.

 

 

Grensconflict

Narva is een verdeelde stad, die in het uiterste noordoosten van Estland ligt bij de grens met Rusland. De rivier de Narva deelt de stad in tweeën. 
      Aan de andere kant ligt Ivangorod. Tussen 1918 -na de onafhankelijkheid van Estland- en 1944, toen de Sovjet Unie het inlijfde, lag de grens zo’n vijftien kilometer verderop en was Ivangorod Estisch. Het is nog steeds een betwiste grens.
      De Esten vinden dat ze er eigenlijk aanspraak op moeten maken, maar in de praktijk gebeurt dat niet.

‘We zitten er niet op te wachten om hier nog meer kansarme Russen te krijgen’, zegt Piia.

 

 

Sovjetstijl

Het is geen mooie stad; Narva.
      Het werd in 1944 vrijwel volledig verwoest en na de tweede wereldoorlog opgebouwd in ‘klassieke’ Sovjetstijl.
Veel brede wegen, veel saaie flatgebouwen en een paar protserige optrekjes.
       Bij de grensovergang ligt aan beide zijden van de rivier een fort. Daar tussen ligt de zogeheten Vriendschapsbrug.
En er is ook een voetgangersbrug.

 

                     

 

Goedkoop

Ik loop op die brug met Piet Boerefijn, een Nederlander, die al lang in Estland woont en die moeilijke aan Fins verwante taal vloeiend spreekt.
      Het bevalt hem wel in Estland.
Hij heeft een klein flatje in de hoofdstad Tallinn en een soort weekendhuis met sauna vlak aan de Oostzee in het Lahemaa Nationaal Park.

Wij zijn de 210 kilometer van Tallinn naar Narva over een uiterst rustige weg gereden.
      Op de brug worden we begeleid door een geüniformeerd persoon. We mogen tot halverwege.

De Russen in Narva hebben (1999) een vergunning nodig om iedere dag één maal de grens over te gaan.
     
Ze doen dat massaal, want alles in Rusland is inmiddels tien maal goedkoper dan in Estland.
In 1993 sprak een zeer grote meerderheid van de inwoners van Narva zich in een referendum uit voor aansluiting bij Rusland.
      Nu is dat volgens Piet Boerefijn geheel anders. De meeste inwoners werken in de plaatselijke textielfabriek.
Ze zien dagelijks de enorme welvaartsverschillen tussen Estland en Rusland.

 

 

Examen

Bijna de helft van de inwoners heeft inmiddels de Estische nationaliteit. Daarvoor moeten ze slagen voor een taalexamen.
      De Russen, die dit niet doen mogen niet meestemmen bij landelijke verkiezingen.
Een deel van de bevolking heeft een grijs paspoort, wat aangeeft dat ze in feite statenloos zijn.

Piia vindt het wel goed, dat de Russen examen moeten doen .
       ’Ze willen hier wonen en werken, ze profiteren van de vooruitgang; dan moeten ze er ook maar wat voor doen. Ik moest vroeger toch ook Russisch leren’, zegt ze.

En voordat we in een plaatselijk café nog wat gaan drinken, stift ze haar lippen.
      
Ze weet heel goed dat ze er mooi uitziet en in het café weer de nodige aandacht zal krijgen.

 

 

 

Zomer 2001

Klinker-Metropool met Gildehuizen

Op de terrassen van het Domplein fibreert het om je heen.
      Dit is de oude stad van Riga, hoofdstad van Letland.
Een ontegenzeggelijke metropool van net geen miljoen inwoners. Ongeveer de helft van de bevolking in de stad is Lets, de andere helft Russisch.
      De oude stad heeft een labyrinth aan smalle straatjes met kinderkopjes. De mooie Kalku Iela verdeelt de oude stad in twee delen. Daaromheen brede boulevards met chique winkels. Parken aan de ene kant en de Daugava rivier aan de andere zijde.

      Tien jaar (2001) na de hernieuwde onafhankelijkheid gaat het in een aantal opzichten goed in dit land.
      De mensen in de stad zijn goed en modern gekleed, er zijn cafés, restaurants, terrassen volop, prachtige architectuur met veel Jugendstil, mooie gildehuizen uit de Hanzetijd, kerken, musea en winkels met exclusieve spullen.

                        

Als je hier zomaar zou worden neergezet kom je nooit op het idee dat je in een Oost-Europese stad bent.
      Fred Kamperman vindt dat bijvoorbeeld ook. Hij is een Nederlander, die hier al vier en een half jaar woont. Getrouwd met een Letse. Hij is manager van de Baltic Container Terminal. Hiernaar toe gehaald om de havenactiviteiten in Riga te bevorderen en te vergroten. En die mogelijkheden zijn er volgens hem volop.
      De stad is booming, in de haven komen steeds meer activiteiten en het lidmaatschap van de Europese Unie lonkt. De haven is de grootste van de Baltische landen en kan zich opwerken tot een zeer belangrijke doorvoerhaven voor het grote Russische achterland. ’De mensen werken hard en zijn flexibel, zegt Fred. ‘En de bonden zijn niet zo sterk’.
     
Een uitgesproken mening dus.
Die heeft Brigita ook. Zij is een ravissante Letse met lange zwarte haren. 28 jaar. Modevakschool heeft ze gedaan.
      Brigita heeft het niet op de Russen. Je pikt ze er zo uit. De vrouwen zijn hoerig gekleed. Teveel bloot, te rode lippen en te hoge hakken. En de Russiche mannen, ach de Russische mannen hebben ‘verkeerde snorren en verkeerde sokken’. Bovendien weigeren veel Russen om Lets te spreken. Sterker: ‘Ze kunnen het niet. Wij moesten vroeger Russisch leren en dan denken ze dat wij in het Russisch tegen ze gaan praten. Maar dat doen we niet. Niet meer’.
     
Zij neemt mij mee naar de Brivibas Iela. Dure elegante winkels met de bekende buitenlandse merken: Cardin, Armani, Benetton, Hugo Boss.

      Maar ja. Wie kan zich dat in Riga veroorloven?

Alleen de steenrijke bovenlaag die vooral rijk geworden is door criminele activiteiten.

      Brigita knikt bevestigend. Maar de eigen Letse mode-industrie komt eraan.

Fred Kamperman weet ook dat het verschil arm/rijk in dit land nog heel erg groot is.

      De gemiddelde Let verdient -2001- zo’n 200 gulden per maand.
De prijzen voor levensmiddelen liggen in de winkels in de oude stad niet eens zoveel lager als in Nederland. Dat geldt ook voor de duurzame goederen.
      Er zijn dus veel grijze circuits en veel mensen hebben een dubbele baan.

Wij gaan naar de Markt , die aan de oever van de Daugava ligt.
      De grootste markt van Europa, weet Fred.
Vijf hangars, waarin ooit de Zeppelins werden gebouwd zijn daar voor die markt ingericht. Alles, werkelijk alles is hier te koop.
      Ik zie vlees & vis, schoenen, kleding, toiletartikelen en veel drank. En buiten de hangars hebben zich mensen van het Letse platteland opgesteld.
      Zij verkopen fruit, bessen en paddenstoelen, die ze in het bos gevonden hebben.
Sommige vrouwen verkopen plastic zakjes en tasjes, houten speeltjes, gedroogde bloemen.

                         

Zowel Fred als Brigita vinden dat je de stad het best leert kennen door te lopen en goed om je heen te kijken.
      Terrassen om even uit te rusten zijn er genoeg en ook in de parken rond het oude centrum kan dat goed. Riga is 800 jaar oud en daar kan een ieder zijn eigen feestje rond bouwen.
      En zijn huis versieren.

                         

 

 

 

Nepvisa voor Curaçao

Mijn oud VPRO-collega Guido Spring was in de winter van 2013 voor radio-opnames in Litouwen. In de stad Kaunas stuit hij op een zeer bijzonder en vrijwel onbekend verhaal. De Nederlandse consul daar, redde in 1940 het leven van ruim 2300 Poolse Joden door ze nepvisa voor Curaçao te geven.
      Hieronder zijn relaas.

 

JAN ZWARTENDIJK


(Door Guido Spring)

“Het verzet is minder gedocumenteerd dan je zou verwachten”. Dat zei Marjan Schwegman, de scheidend directeur van het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, half februari in een interview met de Volkskrant. Zij deed deze uitspraak over het verzet in de Tweede Wereldoorlog in Nederland. Maar dat ook Nederlanders buiten ons land actief verzet pleegden, is nog veel minder bekend. Zo kent vrijwel niemand de naam Jan Zwartendijk. En dat is vreemd. Want hij redde in 1940 als Nederlandse consul in Litouwen ruim 2300 Joden het leven. Zwartendijk gaf valse papieren aan gevluchte Poolse Joden: nepvisa voor Curaçao. Daarmee konden zij Litouwen ontsnappen en zijn ze bespaard gebleven voor de verschrikkingen van de nazi’s.

      Als ik in de winter van 2013 voor radio-opnames in Litouwen ben, kom ik in de stad Kaunas op een merkwaardige plek terecht: het Sugihara House. In dit pand huisde in 1940 het Japanse consulaat. Chiune Sugihara, de Japanse consul destijds, zou duizenden Joden hebben gered van de nazi-verschrikkingen door hen valse visa te geven. Zijn houten bureau met daarop de stempels die hij gebruikte, staat hier tentoongesteld, met daarachter een grote Japanse vlag.

Museum

Het is nu een museumpje. Vlak naast het bureau zie ik plotseling een wandje met enkele zwartwit-foto’s van een Nederlander: Jan Zwartendijk. Nooit van gehoord. Het blijkt dat het Sugihara House maar het halve verhaal vertelt door Sugihara op een voetstuk te plaatsen en Zwartendijk een bijrol te geven. Want ook deze Nederlander had een cruciale rol in deze reddingsactie.

      Nadat in 1939 de nazi’s het westen van Polen bezetten en de Sovjet-Unie het oosten, sloegen veel Poolse Joden op de vlucht, veelal naar de Baltische staten die nog onafhankelijk waren. Maar die onafhankelijkheid duurde niet lang meer. Want op 15 juni 1940 bezette de Sovjet-Unie Estland, Letland en Litouwen en op 3 augustus was de formele inlijving een feit. In juni 1940 werd de Nederlandse consul van Litouwen vanwege vermeende nazisympathieën van zijn Duitse vrouw van zijn functie ontheven.

 Jan Zwartendijk

De ambassadeur voor de Baltische staten, De Decker, die in Riga in het naburige Letland zat, moest een nieuwe consul in Litouwen zoeken. Hij vroeg Jan Zwartendijk. Deze Zwartendijk was de meest ervaren Nederlander in Litouwen want hij was al sinds 1938 werkzaam in de stad Kaunas als directeur van Philips. Zwartendijk stemde toe. Zo werd het Philips-kantoor in Kaunas vanaf 14 juni 1940 tevens het Nederlandse consulaat. Maar meteen de volgende dag al viel de Sovjet-Unie binnen.

Poolse Joden    

Op een dag eind juni 1940 klopten twee Poolse Joden aan bij Zwartendijk; Isaac Lewin en zijn van oorsprong Nederlandse vrouw Pessla. Zij wilden weg uit angst voor de oprukkende Nazi’s en de Sovjets. Nederland was intussen sinds mei 1940 ook bezet door de Nazi’s, dus dat was als vluchtbestemming geen optie. Maar Curaçao, ook Nederlands grondgebied en ver weg, zou ideaal zijn, dacht het echtpaar. Kunnen we een visum voor Curaçao krijgen? Met die vraag aan consul Zwartendijk begon een bijzonder verhaal. Zwartendijk’s bevinding: er is geen visum voor Curaçao nodig, maar wel moet er toestemming zijn van de gouverneur van Curaçao. Daarop vroegen zij of het mogelijk zou zijn om een soort visum te krijgen waarbij dat laatste weggelaten werd.

      Zijn zoon Rob Zwartendijk vertelt me in Blaricum, 76 jaar later: “Hij schreef in het Frans in hun paspoort: het Nederlandse consulaat van Kaunas verklaart dat er voor Curaçao geen visum nodig is. De datum zette hij erbij plus een groot stempel. Zo zag het er erg officieel uit. De toestemming van de gouverneur van Curaçao die nodig was, heeft hij expres weggelaten. Mijn vader zei: ‘’Als ik met zo’n visum mensen kan helpen en redden, dan doe ik dat. Tussen 24 juli en 2 augustus 1940 heeft mijn vader 2345 visa met de hand uitgeschreven. Het was dringen voor het smalle trappetje van zijn kantoor. Van ’s morgens vroeg tot ‘s avonds laat was hij bezig. Bijna non-stop, want de Russen zouden op 3 augustus het consulaat sluiten wanneer Litouwen officieel werd ingelijfd”.

     

De vluchtelingen hadden nu een visum met eindbestemming Curaçao. Vanwege de oprukkende nazi’s liep de enige mogelijke route om daar te komen via Rusland. Maar Rusland eiste niet alleen een visum met een eindbestemming, maar ook een doorreisvisum voor Japan. Eén van de Joodse vluchtelingen klopte in Kaunas aan bij de Japanse consul Sugihara. Ook hij besloot, net als Zwartendijk, om deze Joodse vluchtelingen te helpen door visa uit te schrijven. Ze kregen van deze Sugihara een doorreisvisum voor Japan in hun paspoort.

Onbekend verhaal     

Zo konden ruim 2300 Joden vluchten. Toch is deze vlucht en het grote aandeel van de Nederlandse consul een onbekend verhaal gebleven. Dat komt deels door Zwartendijk’s eigen terughoudendheid om over zijn daden te vertellen. Zoon Rob Zwartendijk: “Hij was een trotse en bescheiden man. Hij wilde geen aandacht. En hij zei altijd dat iedereen in zijn plaats hetzelfde zou hebben gedaan. Wat natuurlijk niet zo is”.
      Angst speelde ook een rol in Zwartendijk’s terughoudendheid. Zoon Rob: “Mijn vader vond het eng worden. Het duurde tot half september 1940 voor wij als gezin zelf eindelijk een uitreisvisum kregen en naar – bezet - Nederland konden. We gingen wonen in Eindhoven, pal naast één van de hoofdkantoren van de Nazi’s. Mijn vader stond doodsangsten uit dat de Nazi’s zouden uitvinden dat hij Joden had helpen ontsnappen. Het was levensgevaarlijk. Hij zou zeker geëxecuteerd worden en wij als familie waarschijnlijk ook. Daarom heeft hij er toen nooit over verteld.”
 
Frank van Gelderen en Bram Peper tussen de zilverlinden
    

Maar ook na de oorlog bleef Zwartendijk zwijgen over zijn moedige daden. Pas in 1963 schreef de Leeuwarder Courant, als eerste, een artikel over Zwartendijk. En veel later, in 1997, onthulde de toenmalige Rotterdamse burgemeester Bram Peper samen met de zonen van Zwartendijk een monument voor deze bijzondere Rotterdammer op de Kop van Zuid in Rotterdam. Er staan veertien zilverlinden en er ligt een gedenkplaquette in het plaveisel.
      Bram Peper zegt nu over de redding van deze groep Joden in Litouwen: “Zwartendijk’s actie was een daad van superieur verzet. Daarvan zijn weinig voorbeelden in de geschiedenis. Daarom wilde ik graag dat deze gedenkplek voor Jan Zwartendijk er kwam. Na zijn postume onderscheidingen in Israël en de VS is hij eigenlijk internationaal bekender dan in Nederland. Daar moet nog het nodige aan gebeuren”.

Gedenkplaquette

      

      Na de tijd in Litouwen ging Jan Zwartendijk met zijn gezin naar Nederland. Ze verbleven de rest van de oorlog in Eindhoven. Daarna werkte hij  nog tien jaar voor Philips in Griekenland tot aan zijn pensionering. In september 1976 overleed Jan Zwartendijk op 80-jarige leeftijd in Eindhoven. Hoeveel Joden hij heeft gered, heeft hij nooit geweten.


   

Fotowandje over Zwartendijk in 't Sugihara House in Kaunas, Litouwen

Het volledige verhaal staat op NPO Geschiedenis in twee delen, kijk op:

http://www.npogeschiedenis.nl/nieuws/2016/maart/Zwartendijk.html

 

 

Zomer 2002

Een kruisberg als nationaal verzet

Op 31 juli 2002 reden wij van de Litouwse hoofdstad Vilnius naar Riga in Letland. Eerst een stuk over de VIA BALTICA en daarna richting Šiauliai.
      Dat was ons geadviseerd door Wim Brauns, een Nederlander die al lang in Litouwen woonde. De Baltische landen waren nog geen lid van de Europese Unie en bij de weinige grensovergangen voor buitenlanders, was het volgens hem ’gedoe’.
      De overgang boven Šiauliai in het noordwesten naar Letland was ‘de rustigste’. Bovendien zouden we dan een bezoek kunnen brengen aan de Kruisberg een nationaal symbool van verzet, identiteit en vrijheid van godsdienst.

Het was rustig bij de berg, die enigszins verscholen van de hoofdweg lag.
      Er stonden tienduizenden kruisen, crucifixen en heiligenbeelden en er lagen gebedskettingen.
Een wonderbaarlijke chaos.
      De berg die in Litouwen Kryziu Kalnas heet, kon via een trappetje beklommen worden.
Hier sta ik daarvoor. De man met hoed wilde wel gidsen.


 
Pelgrimsoord

Litouwen werd in 1795 deel van Rusland. In november 1830 kwam de bevolking in opstand en begon met het leggen van kruisen op deze verdedigingsheuvel.
      Nadat het land in 1918 onafhankelijk was geworden, werd de heuvel een pelgrimsoord voor Rooms-Katholieken. Maar nadat Litouwen van 1944 tot 1990 bezet werd door de Sovjet-Unie groeide het uit tot een symbolische plek van verzet. De man met de hoed zegt er ''zoete herinneringen'' aan te hebben.
      Vooral omdat de Sovjet-Unie tot drie maal toe de kruisen etc. met bulldozers verwijderde.
"Dat waren  verschrikkelijke toestanden, meneer. Maar wij hielden vol en hebben het uiteindelijk gewonnen''.

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh