Reizen (518)

 

Starre rechtlijnigheid

Ik heb een fascinerend voorbeeld van starre rechtlijnigheid gevonden.

   

Kijk eens naar dit rode rondje.
      Een schiereilandje onder Vancouver in Canada. Point Roberts.
Op het zuidelijk puntje van dit schiereiland bevindt zich de grens Canada-Verenigde Staten. 
      Dat komt zo.

 
Verdrag van Parijs

  

In 1783 werd bij het Verdrag van Parijs de grens getrokken tussen de VS en vier toenmalige Britse kolonieën die verenigd waren in de Confederatie van Canadese staten.
      De grens werd langs een liniaal getrokken op de 49ste breedtegraad.
Een uitzondering werd gemaakt voor Vancouver Eiland, maar niet voor Point Roberts.

      Vandaar die merkwaardige grens waar het er zo uitziet.

 

De grens


De tekst


Schierenclaves

Hoe noem je in de aardrijkskunde dit zuidelijk deel van Point Roberts?

      Dan moeten we naar geografen en cartografen, die definities hebben gegeven voor enclaves & exclaves en voor diverse variëteiten daarop. Enclaves zijn dan meestal gebieden die geheel door één ander land worden omgeven, maar niet bij dat land horen. Exclaves zijn vaak gebieden die door één of twee andere landen worden omgeven, maar ook door zee.

      Zuidelijk Point Roberts is vanuit de V.S. over land alleen te bereiken via Canada.

In die zin zou je het een exclave kunnen noemen. In Wikipedia heet het echter -in het Engels- een pene-enclave een begrip dat Rolf Weijburg vertaalt met het mooie woord schier-enclave. U kent Rolf van zijn serie over de 25 kleinste landen ter wereld.

Hij schrijft mij het volgende:


‘’Point Roberts is wat mij betreft geen pene-enclave (vertaal als schier-enclave). Pene-enclaves zijn, mijns inziens, bijna-enclaves die via een hele nauwe corridor of zelfs één enkel punt met het"moederland" verbonden zijn en dus, net zoals schier-eilanden (peninsulas) eigenlijk geen eilanden zijn, eigenlijk geen enclaves zijn.

In die zin is Point Roberts geen pene-enclave.
      In wezen is het zelfs helemaal geen enclave, omdat het niet een territoir van land A is dat omsloten wordt door land B. Het is slechts een stukje land dat grenst aan een ander land en gescheiden wordt van het moederland door water. Je zou het wel een exclave kunnen noemen, net als bijvoorbeeld Melilla en Ceuta, Spaanse gebieden die door Marokko worden omgeven. Maar dan nog.

      Deze gebieden zijn klein, maar hoe groot moet het worden voordat we er niet meer over peinzen om ze nog en- of exclave te noemen? Kijk eens naar ons eigen Zeeuws Vlaanderen of, dichter bij Point Roberts, het noordelijk deel van Michigan. Indonesisch Kalimantan, Irian Jaya, Noord Ierland, het Europese deel van Turkije, Sarawak en Sabah? Niemand noemt dat enclaves of exclaves.

      En hoe groot moet het "scheidingswater" dan zijn? Is de Sinai een Egyptische exclave? Noord Gambia een exclave van Zuid Gambia (of andersom?).

Ach, zomaar wat overdenkingen‘’.


 

 

Treinstation Keleti Pályaudvar Budapest

Keleti Pályaudvar. Dat is Hongaars voor Station Oost. Het bevindt zich in Budapest.
       Een prachtig, bijna majestueus station.
Ik ben er vorige week twee keer geweest.



Er waren veel vluchtelingen uit Oekraïne. Ze werden begeleid door mensen van het Rode Kruis, politie en vrijwillige hulpverleners.
      Het land telt inmiddels zo’n 230.000 vluchtelingen uit het buurland.
Waar gaan al die mensen heen?

Ik heb ’t hier en daar gevraagd, maar de antwoorden zijn omringd met vraagtekens.
       Jawel; er zijn Hongaren, die spontaan mensen in huis nemen, hier en daar worden opvangcentra ingericht. Sporthallen bijvoorbeeld maar ook grote tenten.    


De reis

     

Ik vertrok vanuit Budapest met de trein naar de grootste stad in het zuiden van het land Pécs. Er stapten geen vluchtelingen in.
      De reis duurt twee en een half uur. De trein stopt maar drie maal. Het landschap is weinig afwisselend. Omgeploegde platte en kale graanvelden, verstilde dorpjes.

      Deze reis heb ik de afgelopen 25 jaar drie maal gemaakt. Ook ben ik er drie maal met de auto naartoe gereden. Ik heb namelijk een goede vriend, die zo'n vijftig kilometer van Pécs woont.
      In een klein dorpje van zo’n 200 mensen. Er wonen zeven Nederlandse en twee Belgische families permanent. Ze zorgen ervoor dat het dorp floreert, want de buitenlanders hebben hulp nodig voor schoonmaakwerkzaamheden, klusjes in huis en onderhoud van de tuin.

E.U.

Toen Hongarije in mei 2004 aansluiting kreeg bij de Europese Unie waren de verwachtingen hooggespannen. Het zou allemaal veel beter worden. Economisch, sociaal en arbeidsrechtelijk.

      ‘’Hier bleef het almaar 1925’’, schreef Geert Mak in zijn ‘’In Europa’’ over het dorpje waar mijn vriend -tevens zijn vriend- woont. In zekere zin gaat dat nog steeds op. Misschien is het er inmiddels 1950.

Verval
Als je die reis met de trein maakt, kom je veel verval, veel armoe, en heel veel kapotte gebouwen en objecten tegen. Daar is de afgelopen 25 jaar maar weinig verbetering in gekomen.

Natuurlijk: er zijn met steun van de E.U. nieuwe autosnelwegen aangelegd. En in de trein zit vrijwel iedereen met z’n telefoon te spelen.
      De hoofdstad Budapest heeft een bijzondere architectuur, is mondain, gezellig en kent voortreffelijke theaters, cafés en restaurants. Maar het prachtige restaurant op het station Keleti Pályaudvar is inmiddels gesloten. Net als het café in het kleine dorpje van mijn vriend. En een week voor mijn vertrek, kreeg ik bericht dat het door mij gereserveerde hotel in Budapest ook ineens gesloten was.
       Het is in orde dat Hongarije zoveel vluchtelingen opneemt. Maar ik denk dat het goed zou zijn als een groot aantal doorreist naar bijvoorbeeld Duitsland of Nederland. De meesten willen dat trouwens ook.

Op 3 april zijn er parlementsverkiezingen in Hongarije. De huidige premier Victor Orban zit al sinds 2010 in het zadel, maar is beschikbaar voor een nieuwe en vierde termijn. Orban is -om het zacht uit te drukken- niet populair in Europa.  En als je probeert het onderwerp aan te snijden, hebben maar weinig mensen zin om erover te praten. Of dat desinteresse of angst is, heb ik in die week niet kunnen vaststellen.


Het dorpje

 

 

 

De bochtigste straat ter wereld

In 1988 was ik met mijn VPRO-collega Lida Iburg in San Francisco. Wij maakten een radioprogramma over het Amerikaanse gevangeniswezen en hadden ondermeer de grote San Quentin-gevangenis en de Hidden Valley Ranch, een privé gevangenis, bezocht.
      We deden dat, omdat er in Nederland plannen voor privé gevangenissen waren gelanceerd.
 
Vrije tijd    

We hadden nog wat dagen over en beproefden een paar toeristische attracties. In een huurauto reden we door de stad en ik vond het wel leuk om de Lombard Street te nemen. Een straat die zich verkocht als ‘’the most crookedest street in the world’.

     

Ter plaatse viel het allemaal erg tegen. Het bochtige stukje is niet langer dan één huizenblok en telt acht haarspeldbochten.
      Er is éénrichtingsverkeer: omlaag. Je bent in een vloek en een zucht beneden en alles wat je tegen komt zijn fotograferende toeristen, waaronder erg veel Jappen. Het bekende kabeltrammetje stopt namelijk boven en dan kunnen de mensen via trappen aan de zijkanten naar beneden.
      Ooit werd voorgesteld om de straat autovrij te maken en de toeristen er in minibusjes doorheen te loodsen. Maar dat plan ketste af, omdat veel mensen het –net als ik- denken leuk te vinden om zelf in een auto naar beneden te rijden.

En van die plannen voor privé gevangenissen in Nederland kwam ook niets terecht.


 

 

Voorjaar 1988


Hidden Valley Ranch;
 een privé gevangenis

Meneer T. F. Keohane Jr. legde het enthousiast en uitvoerig uit. Je neemt in San Francisco de uitvalsweg naar het zuiden richting Mateo County. 
      Je rijdt langs de kust via Pacifica en Half Moon Bay naar San Gregorio. Sla linksaf en ongeveer een kilometer voor het plaatsje La Honda ga je rechtsaf een onverharde weg op. 
      Na een paar honderd meter staat er een klein bordje met ‘Hidden Valley ranch’. Midden in het bos op een inderdaad verborgen plek. ‘Past u op voor reëen en herten, want die zitten daar volop’.

      Ik ben hier met Lida Iburg voor een radioprogramma van de VPRO. De Hidden Valley Ranch is een privé-gevangenis. In Nederland is -1988- een plan gepresenteerd om te gaan onderzoeken of het gevangeniswezen -deels- geprivatiseerd kan worden.    
      Tegenwoordig steken die plannen soms weer de kop op. De VVD begon er mee, maar ook bij de P.v.d.A. en een paar andere partijen is het niet onbespreekbaar. Volgens voorzichtige ramingen zou er zo’n 200 tot 400 miljoen € mee bespaard kunnen worden.

 

Counseling

    

Meneer T.F. Keohane Jr. ziet er uit zoals hij door de telefoon klonk. Fris, opgewekt, enthousiast. Sterke after-shave. Hij zal ons rondleiden en vertellen wat de voordelen van privatisering zijn. We kunnen met gedetineerden spreken en mogen een counseling meemaken.

‘U treft het’, zegt hij. ’Dat doen we één maal per week. Onder mijn leiding. Goede resultaten behalen we hier. Absoluut goede resultaten’.

      In de gevangenis zitten 112 gedetineerden. Vrijwel allemaal zijn het drugsverslaafden, die ‘gewone’ misdaden hebben gepleegd. Overvallen, inbraken, geweld.
      Ze hebben een cel voor zichzelf en kunnen in de inrichting simpele klusjes doen. Daarnaast hebben ze een enkelband om zodat de leiding voortdurend op de hoogte is waar ze zijn. (Dat bespaart personeel). Ze kunnen bovendien ieder moment te horen krijgen dat ze onverwacht gecontroleerd kunnen worden. Controles op bezit en gebruik van drugs. 
      Als ze eenmaal gepakt worden krijgen ze een waarschuwing; na een tweede keer worden ze onherroepelijk teruggestuurd naar een staatsgevangenis.

St.Quentin

En dat laatste willen ze in geen geval. Ze gaan dan meestal naar de St. Quentin gevangenis bij San Francisco. En het kan wel dat Johnny Cash daar zijn fameuze lied live heeft opgenomen, maar de regel ‘St, Quentin I hate every inch of you’ gaat voor deze gevangenen echt op. In de Hidden Valley hebben ze een eigen cel en redelijke bewegingsvrijheid; in St. Quentin zitten ze met zes op cel, hebben ze weinig bewegingsvrijheid en er is hiërarchie, corruptie, uitbuiting, seksuele intimidatie en seksueel misbruik.

      Dat horen we van alle gevangenen die we spreken. Alles, echt alles liever dan terug te moeten keren naar St. Quentin of -als ze bijvoorbeeld HIV besmet zijn- naar de California Medical Facility in Vacaville, waar plaats is voor 4.730 inmates, maar waar er op dat moment 8.035 zitten.

    

 
Het verhaal van Frank

Bij de counseling is het druk. Lida is een aantrekkelijke vrouw en dat heeft zich snel rondgepraat. Zo’n 60 gevangenen zitten in een cirkel rond een tafel waar mister Keohane -''Het is hier nog nooit zo druk geweest'-' heeft plaatsgenomen. Wij moeten er gewoon tussen zitten en dan wordt Frank naar voren geroepen. Een man van een jaar of vijftig, die zijn hele leven al crimineel is. Alles bij elkaar heeft hij ruim twintig jaar gevangen gezeten.

      Frank moet zijn verhaal vertellen, Hoe het allemaal zo gekomen is en wat hij eraan denkt te doen om een 'normaal' burger te worden. Frank kan dat goed. Hij heeft ’t kennelijk al vaker gedaan. Hij schetst een ontroerend beeld van zijn jeugd, compleet met een dronken vader, die er op los ramde, een moeder die de hoer speelde, een jeugd van miskenning, misbruik, armoede en ellende. Iedere keer probeerde Frank er bovenop te komen, maar altijd gebeurde er weer wat, zodat hij terugviel.

      Het is een clichéverhaal, dat aanslaat vanwege de manier waarop hij het vertelt. Gedragen met beheerste pathos, stemverheffing hier en daar en soms bijna een traan.

      Als hij klaar is moeten inmates hun indruk geven. Eerst de negatieve indrukken, dan de positieve. Lida en ik moeten ook meedoen. Dat vinden de gevangenen prachtig. Als ik zeg dat hij een geboren loser lijkt, volgt er een beleefd applaus, maar als Lida ferm te kennen geeft dat zij hem ’een push’ wil geven -onderstreept met een vuist naar boven- , volgt hard instemmend gebrul.

      Na afloop als we weer terugrijden naar San Francisco bespreken we natuurlijk ons bezoek. Nederland is ver weg. 
        Bovendien is de situatie in de V.S. totaal niet te vergelijken met Nederland. 
 

 

 

 

 

Een zweterig groepstaxibusje

(Door Rolf Weijburg)

Na twee weken zeilen langs de eilanden van Saint Vincent & the Grenadines, waren we weer terug in Saint Lucia, het op 17 na kleinste land ter wereld.
      Ongeveer op twee-derde van de westkust stuurden we de catamaran Marigot Bay in, een smalle fjordachtige baai die langs hoge dichtbegroeide oevers een paar kilometer het land in sneed. De baai is zo beschut dat het één van de weinige plekken in de oostelijke Cariben is die ook tijdens het orkaanseizoen van juli tot november, een periode waarin geen jacht zich er meer waagt, een cyclone proof schuilplaats biedt.

 


Marina
Er is dan ook een flinke marina waar jachten kunnen “overwinteren”. Die jachten komen er graag, ook als ze niet komen schuilen, want de baai is prachtig en (het is lastig hier oorzaak en gevolg uit elkaar te houden) langs de oevers is een aantal zeer gewilde sjieke gelegenheden ontstaan waar je in stijl en uitbundig kunt drinken en dineren.
      Het is wel zaak een goed gevulde portemonnee mee te nemen.


Blootsvoets
Ik nam afscheid van mijn zeilmaatjes en liep met mijn tasje het steile weggetje op dat naar de hoofdweg naar Castries, de hoofdstad, voerde. Het was warm, de helling was steiler dan gedacht en mijn schoenen deden pijn. De afgelopen twee weken had ik eigenlijk alleen maar blootsvoets of met teenslippers gelopen, schoenen was ik niet meer gewend en ik had ze nu eigenlijk ook alleen maar aan omdat ze niet in mijn tas pasten.
      Blote voeten in schoenen bleek geen goed idee en ik wilde wat sokken aantrekken om het schuren van het leer tegen mijn hiel tegen te gaan. Ik ging langs de rand van de weg zitten en deed mijn schoenen uit.
Een jongen kwam naast me staan.
“Are your shoes too small?”

Hij liet er geen gras over groeien en zonder mijn antwoord af te wachten vervolgde hij:

“If they are too small, you can give them to me!”

Zo’n voorstel had ik nog niet eerder gehad.

We raakten aan de praat. Hij was 18 jaar en probeerde samen met zijn oudere broer een bootje te exploiteren, maar de zaken gingen maar matig en soms moest hij wat bijverdienen op lokale vrachtboten die langs de eilanden in de regio voeren. “Saint Maarten Dutch Side, is the best!” Hij had drie broers en vijf zussen, zijn vader was al lange tijd terug overleden, zijn moeder werkte af en toe in de bananenindustrie. Van het toerisme profiteerde hij nauwelijks. Hij hoorde waarschijnlijk tot de 25 procent van de Saint Luciaanse bevolking die onder de armoedegrens leefde.

      In een zweterig groepstaxibusje reed ik later schokkend van de zware bassen van de hitsige muziek die keihard vanuit de vlak achter mij bevestigde enorme speakers door het kleine busje dreunde, naar Castries.

      Ik was in een andere wereld terechtgekomen.


Icaros

De wereld waar ik net uit was gestapt was die van luxejachten, exquise restaurants en comfort. Van glimmend roestvrijstaal, sundowners en mannen in roze poloshirts en korte broeken met een vouw drijvend in een decor van weelderig tropisch groen en warme turquoise baaien. Een tijdelijke wereld waar alles mooi is.

      De wereld waar ik net was binnengestapt, was de wereld áchter dat decor. Deze wereld was net zo echt als de vorige, alleen van permanente duur. Een wereld waar het allemaal wat minder mooi was, minder comfortabel en veel minder rijk. Een wereld waar de werkloosheid boven de 20% uitkwam en de mensen gemiddeld bijna 8 jaar korter leefden dan in het westen.


Castries

Het overvolle busje reed over de smalle slingerende kustweg. Iedere keer als er iemand uit wilde, sloeg de bijrijder hard op het dak en remde de chauffeur vrijwel abrupt. Angstig keek ik naar de gevaarlijk diepe betonnen goot die parallel aan de weg liep en waar de wielen voortdurend zó dicht langs reden dat ik de goot vanuit het raampje niet meer kon zien.
      Het landschap veranderde van tropisch groen met af en toe een doorkijkje naar zee, naar een overgangsgebied van vegetatie en veelal houten bebouwing, winkeltjes en werkplaatsen tot dat verderop een kruispunt met stoplichten het urbane landschap van de hoofdstad aankondigde.

In het kleine, drukke centrum dat uit een rechthoekig stratenplan bestaat dat kronkelend tegen de heuvels oplost, kwam altijd wel ergens een cruiseschip om de hoek komt kijken.

Ik nam mijn intrek in het Seaview Appartments Hotel langs de kustweg naar Gros Islet, dat weliswaar op zee uitkeek, maar niet voordat je blik eerst de landingsbaan van het Georges Charles vliegveld had gekruist. Achter het hotel lag de wijk Vide Bouteille …

Seaview

Castries ligt mooi, zo aan zee en tussen de groene heuvels, maar de stad zelf is weinig interessant. De stad werd door de Fransen op haar huidige plaats ten zuiden van de haven in 1769 gesticht. Eerst heette het nog Carénage, later werd dat Castries, naar de Franse Marquis de Castries, een naam die zelfs tijdens Britse overheersingen nooit meer is veranderd.
      De hoofdstad met haar houten huizen is diverse malen geheel door brand verwoest, in 1805, 1813 en meest recent nog in juni 1948, maar telkens weer werd de stad opnieuw opgebouwd. Er wonen tegenwoordig ruim 20.000 mensen.


Derek Walcott

 

Eén van de weinige interessante plekken in Castries is het Derek Walcott Square dat nadat het eerst Place d’Armes, Promenade Square en Columbus Square heette, in 1993 is vernoemd naar de Saint Luciaanse dichter Sir Derek Walcott die in 1992 de Nobelprijs voor de literatuur won.
      Het is een aangenaam plein, een park eigenlijk met veel grasveld, bloemrijke plantsoenen, palmbomen, een fontein, een overdekte bandstand en rondom nog diverse kleurrijke houten gebouwen vol prachtig gingerbread houtwerk. Ook de kolossale Kathedraal van de Onbevlekte Ontvangenis, de oudste in de Cariben, en de mooie Public Library staan langs de randen van dit plein.


Buste

Natuurlijk staat er een buste van Sir Derek Walcott, maar er staat er nóg een: die van Sir William Arthur Lewis, ook al een Nobelprijswinnaar, voor economie in 1979.
      Saint Lucia is daarmee de trotse voortbrenger van maar liefst twee Nobelprijswinnaars, die ook nog eens allebei op dezelfde school zaten, het Saint Mary’s College op het schiereiland net achter het vliegveld. Nemen we het bevolkingsaantal in acht, dan is Saint Lucia een absolute wereldleider: 1 Nobelprijswinnaar op de 90.000 inwoners. Zoomen we nog verder in en kijken we naar het aantal leerlingen dat er in de jaren 70/80 op het Saint Mary’s College zat, om en nabij de 500, dan is er geen succesvoller school ter wereld.


St Mary

Omeros

Sir Derek Walcott was dichter en toneelschrijver.
      In zijn werk speelt zijn Caribische en multiculturele afkomst (Walcott’s moeder kwam van Sint Maarten) een belangrijke rol. Zijn beroemdste werk is “Omeros”, een epos over de complexiteit van het koloniale en huidige leven op de eilanden. Het is een Caribische versie van Homerus’ Ilias en Odyssee en wordt als één van de belangrijkste literaire werken van de 20ste eeuw gezien.

 

Gros Islet

Minder bekend is dat Walcott ook een niet onverdienstelijk aquarellist was die zijn werk af en toe  exposeerde maar ook publiceerde op de omslagen van zijn boeken en zelfs op een Saint Luciaanse postzegel.

 

      Derek Walcott bleef altijd in zijn geliefde Saint Lucia wonen. Hij woonde in de noordelijke kustplaats Gros Islet, niet zo ver van Castries. In het telefoonboek stond hij gewoon vermeld (je kon hem ook faxen), maar ik durfde hem niet te bellen.

 

 

Telefoonboek

 

 

Later, na het zien van de prachtige documentaire “Poetry is an Island” waarin hij als een sympathiek en warmhartig persoon overkwam, dacht ik dat ik hem een volgende keer best eens zou kunnen bellen. Maar er kwam geen volgende keer.

      Ik ben nooit meer naar Saint Lucia teruggekeerd en nu is het te laat.
Derek Walcott overleed in 2017.

 

 

 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen


 

 

 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh