Reizen (518)

 

Anarchie in de Pacific


(Door Rolf Weijburg)

We gaan naar Chuuk.
      Chuuk heette vroeger Truk en is één van de vier deelstaten van de Federated States of Micronesia, het op 18 na kleinste land ter wereld.
Heel anders dan aanvankelijk de bedoeling was, vlogen we niet van Pohnpei – een andere deelstaat van de FSM- naar Chuuk om er een aantal dagen te verblijven, maar maakten we er slechts een korte tussenstop op weg naar het Amerikaanse eiland Guam. We waren na een tweedaags verblijf op Pohnpei door corona gedwongen te vertrekken. Het land ging op slot. We moesten maken dat we wegkwamen.

Chuuk State

Sowieso twijfelden we een beetje of we Chuuk wel wilden bezoeken: Chuuk heeft een slechte reputatie. De volgende typering van de vier deelstaten van de FSM zegt genoeg:

Pohnpei is Monarchie, Kosrae is Theocratie, Yap is Aristocratie en Chuuk? Chuuk is Anarchie.

      Wetteloosheid regeert en het is er, vooral ‘s nachts,  gevaarlijk op straat.

Corruptie & nepotisme

In Chuuk, dat het hoogste inwonertal van de vier deelstaten van de FSM telt, heersen corruptie en nepotisme nog veel meer dan in de andere deelstaten. Het onderwijs is er beneden peil, de gezondheidszorg inadequaat, de infrastructuur gebrekkig - met de aller slechtste wegen van de hele FSM – , belasting kan er slechts met veel moeite worden geïnd en het administratieve apparaat functioneert er nauwelijks. Als je op welk vlak dan ook iets voor elkaar wilt krijgen, moet je niet in Chuuk zijn, zo zegt men waarschuwend in Pohnpei.

      Volgens de Chuukese bevolking komen de problemen voor een groot deel door het ongelijkwaardige deel van de federale gelden dat de deelstaat zou krijgen toebedeeld. Er is daarom een sterke wil tot afscheiding, weg onder het juk van de FSM en de Amerikaanse bemoeienis. The Chuuk State Seperation Initiative beoogt een onafhankelijkheid die overigens niet wordt gedeeld door de westelijke Faichuk  eilanden in de deelstaat. Zij zullen zich in geval van Chuukese afscheiding van de FSM, zelf afscheiden van de rest van Chuuk.

      China zal maar wat graag in het Chuukese gat springen, zo redeneert men, en de nieuwe onafhankelijke staat, dichtbij de belangrijke Amerikaanse basis op Guam, dankbaar in de armen sluiten. Mede door de inkomsten uit het toerisme (waarover later meer) zouden daarna alle Chuukese problemen verdwijnen als sneeuw voor de zon.

 

SOOPW

Maar het is zeker niet hoofdzakelijk de slechte verdeling van de federale gelden die aan de grondslag ligt van Chuuk’s problemen.
      Op de vele kleine eilanden van Chuuk is historisch de soopw de hoogst denkbare politieke eenheid. Een soopw is eigenlijk een klein dorp waar alleen afstammelingen van één enkele vrouw - via de matriarchale-kant - plus aangetrouwde personen van andere afstamming, samenleven. Deze dorpjes bestaan meestal uit niet meer dan 90 personen, allemaal familie dus, waarbij de oudste vrouw van de dominante afstammingslijn of haar man het dorpshoofd is. Alleen al op de eilanden rondom de Chuuk-lagune zijn er bijna honderd van dit soort soopw-dorpen.

      Het probleem is dat de dorpshoofden tot voor kort geen verantwoording hoefden af te leggen, niet ondergeschikt waren aan een hogere autoriteit, want er wàs geen hogere autoriteit. Er waren geen burgemeesters, geen parlementsleden, geen koningen of presidenten. Het dorpshoofd was dit allemaal in één. De soopw-dorpen waren als onafhankelijke mini-staatjes met inwoners die aan niemand anders verantwoording hoefden af te leggen en grond in eigen bezit.

 

Leasegelden

Probeer dan maar eens iets eiland-breed, laat staan deelstaat-breed, voor elkaar te krijgen. Een weg of waterleiding, een riool of een gemeenschapshuis, maar ook een wet bijvoorbeeld, voor alles wat de grenzen van een soopw overschrijdt moet moeizaam worden onderhandeld en vaak veel betaald worden. Het vliegveld van Chuuk, bijvoorbeeld, kost handenvol geld aan jaarlijks aan vele betrokken soopw betaalde leasegelden.
      Je zou denken dat met het ontbreken van een hogere autoriteit de macht van de dorpshoofden in de eigen soopw enorm zou zijn, maar het tegendeel is waar. Dorpshoofden hebben zeer beperkte macht. Ze kunnen visvangst-expedities of feesten plannen, maar ze kunnen geen recht spreken, geen bindende oordelen vellen, niemand straffen.

      Ze kunnen alleen onderhandelen. In Chuuk heerst de onderhandelingscultuur.

Gemeentes

Op de eilanden van Chuuk-lagoon is inmiddels een aantal gemeentes gecreëerd maar de autoriteit van hun burgemeesters laat veel te wensen over.


 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen



 

 

Najaar 1995

Een Olifantenbot

Godfrey heeft het niet op olifanten.
       ‘Ze kunnen heel agressief worden. En dan moet je echt maken dat je weg komt’.

 

Ngoma Bridge      
We hebben zojuist de Ngoma bridge over de drooggevallen Chobe rivier genomen.
      
De grens in het zuiden van Afrika tussen Botswana en Namibië. Dit is de Caprivistrip, een strook grond in het Noordoosten van Namibië. Bijna 500 kilometer lang en soms niet meer dan 25 kilometer breed.

De weg door de Savannen is onverhard en slecht. Kuilen, stenen. Soms moeten we rotsen op de weg ontwijken.

     

Zebra’s zien we, herten, impala’s , giraffes, bisons en gnoes. Apen, veel apen.



Bij een waterplaats een enkele leeuw. Struisvogels. Arenden.

    

En dan zijn er die zwarte olifanten. Ze steken af en toe de weg over.
     
Als ze blijven staan blijft Godfrey ook staan. Hij laat een ruimte open van zeker 50 meter. Neemt nauwkeurig de weg op en taxeert hoe hij weg kan rijden als een olifant ineens op de auto zou willen afrennen.
      Godfrey komt uit het kleine stadje Victoria Falls in Zimbabwe. Vlakbij de beroemde watervallen.

In het koloniale witte Victoria Falls hotel had ik hem ontmoet. Ik wilde naar Botswana, Namibië en Zambia en zo weer terug naar Zimbabwe.
        Bovendien moest ik ontdekken of hier inderdaad het enige vierlandenpunt  ter wereld bestaat.

      (Daarover een andere keer meer)
Godfrey had de juiste auto en wilde dolgraag een leuk bedrag verdienen.
      ‘We moeten wel improviseren’, zei hij. ’Bij die grensovergangen doen ze soms behoorlijk vervelend’.

BASTARDS. BLOODY BASTARDS  

          

Dat bleek direct bij de grensovergang Kazungula tussen Zimbabwe en Botswana.
      De auto moest door een plas met desinfecteringsmiddel rijden en wij moesten daarna in een bak met datzelfde spul gaan staan. Achter ons kwam een auto met een Botswaans kenteken. De chauffeur mocht over een ander deel van de weg gewoon doorrijden.
      ‘Ze zijn een beetje gek hier’, zei Godfrey. 
      ‘Alle buitenlanders moeten door die bak rijden, maar hun eigen mensen niet. Die kunnen kennelijk niets oplopen. 
'Bastards, zei hij.'Bloody bastards.’

We rijden in Botswana door het Chobepark. In de Chobe Game lodge kunnen we logeren voor 300 US $. Per persoon!
      Een krankzinnig hoog bedrag. Een gemiddeld jaarsalaris in dat land.
We kunnen ook de ‘Koninklijke suite’ nemen voor 2.500 US $. Daar hebben Richard Burton en Elizabeth Taylor nog geslapen’, meldt de portier trots. 
      ’Er staat een foto van hen op de kamer’.

‘Zie je wel’, zegt Godfrey. ’Ze zijn gek die Botswanen. Hartstikke gek’.
     
We kunnen uiteindelijk voor niet meer dan 15 US$ p.p. terecht in een hotelletje in Kasane. Een zeer armoedig stadje met heuse krottenwijken. Als Botswana inderdaad het rijkste land van zwart Afrika is, dan is die rijkdom aan Kasane voorbijgegaan. 

GEOGRAFISCH FENOMEEN  

De Caprivi-strip is een geografisch fenomeen. Tot de eerste wereldoorlog was Namibië Duits Zuidwest Afrika. De Duitsers hadden ook Tanganyika (globaal het huidige Tanzania) in hun bezit.
      In hun koloniale expansiedrift wilden ze dwars door Afrika een corridor maken, zodat je voortdurend over Duits grondgebied van de ene kolonie naar de andere kon gaan. Ze ruilden Zanzibar en Helgoland voor de strip.
      Het is ze overigens maar ten dele gelukt omdat de Brit Cecil Rhodes het hen onmogelijk maakte.

EEN ILLEGAAL BOTJE

DRIJVENDE BAR & KROKODILLEN 

 

Ontmoetingen in de (open) lucht

Als je nogal veel hebt gereisd ben je veel mensen in allerlei omstandigheden tegengekomen.
      Op 7 juli 2017 schreef ik voor ‘t eerst een stukje over zo’n ontmoeting. In een vliegtuig van Uzbekistan Airways op weg naar de hoofdstad Tasjkent van Oezbekistan.
      Daarna schreef ik met grote regelmaat over een ontmoeting. Niet alleen in de lucht, maar ook gewoon op straat, op een kantoor, in een afgesloten radiostudio, een openbare ruimte.
      Soms duurde zo’n ontmoeting lang en was het intensief. Soms was het vluchtig. Maar altijd was het in mijn ogen bijzonder. Later volgde ook ‘’ontmoetingen’’ met objecten. Een beeld, een brug of zomaar een kapelletje op een berg.

      Tot nu toe verschenen 91 afleveringen. Dat zijn:   

 

Ontmoetingen in de lucht:

1. Jevgeni, een Oezbeek
2. Mira, een Zuid-Afrikaanse
3. Harald, een Noor
4. Ilse, een Vlaamse
5. Jolande, een Hollandse
6. Joe, een Samoaan
7. Nor, een Singapore-girl
8. Mariah, een Braziliaanse


Ontmoetingen in de open lucht:

1. De kapitein, een Montenegrijn
2. Salomon, een Mozambikaan
3. Meri-Tuuli, een Finse 
4. Lama Tsultrim, een Bhutanees
5. De viskoopster, een Malta-ganger
6. Marco, een Boliviaan
7. Dominee Kiss, een Hongaar in Roemenië
8. Mevr. Sobolovic, een Joegoslavische
9. Uncle Basil, een indiaan in Guyana
10: Boris, een Siberiër
11: Mr. Omar, een Soedanees
12: Arvid, een Gotlander
13: Mr. T.F. Keohane Jr.,een Yank
14: Stefan, een Tovenaar
15: De Museumdirecteur, een Mauritiaan
16: Godfrey, een Zimbabwaan
17: Bassam Abu Sharif, een Palestijn
18: De oude schilder, een Cypriotische
19: Lucky, een hond te Lesotho 
20: Mulu, een Eritreeër 
21: De dierenarts, een Belg 
22: De taxichauffeur, een Egyptenaar 
23: De uitbater, een Bosniër
24: Piia, een Estlandse 
25; De wapendrager, een kolonist op de Westbank
26: De pizzakoerier, een Geluidsliefhebber 
27: Sigurd, een IJslander 
28: De opvarende, een Helsinki-ganger
29: De luitenant-kolonel, een militair in Mozambique 
30: Stan Aerts, een veehouder in een Schierenclave
31: De Jilkiankans, een familie in Kirgizië
32: Brigita, een Letse 
33: De intrigant, een Engelsman in Griekenland
34: De kapitein, een hoerenloper in Bremen
35: Van Lap Luong, een Vietnamees in Tsjechië 
36: De aristocraat, een Spanjaard in Zuid-Soedan
37: Robert Peel, een Engelsman op Fanø
38: Svetlana, een Russin
39: De Mariakapel, een wit bouwsel in Ligurië
40: Zoltán, een Hongaar
41: Een verliefd stel; Hollandse tieners op Sardinië
42: De Jacquet's, een familie in de Champagne
43: Wapenhandelaar Johan, een Noor op Spitsbergen 
44: De correspondent, een Amerikaanse in Holland
45: Saeb, een Palestijnse kamelendrijver
46: De gebogen man, een Bosniër 
47: Mannen aan Zee, een beeld in Esbjerg
48: De verkoopster, een New Yorkse 
49: De juwelier, een Palestijn in Jordanië
50: De oude stenen brug, Konjic Bosnië 
51: De bavianenkiller, een Zimbabwaan 
52: Maysa, een Koeweitse
53: Saed Raadeh, een Palestijn in Koeweit 
54: Twaalf Lesothaanse dames 
55: Een gehandicapt jongetje in Guyana 
56: Sjuul, een Limburger op één been
57: De paraplumaker, een Bangladeshi 
58: Rokus, een Rendier
59: Jussi, een Kareliër
60: De kaartjeskoper, een Moskoviet 
61: Een Eland met Kalf
62: De poppenmaker, een Zimbabwaan
63: Een schilder te Ameland
64: Rob, een Nederlander te Mozambique
65: De ladderman, een walnotenplukker
66: Lisa, schoonmaakster te Zuid-Afrika
67: De Olievrouw, een Ligurische
68: De pijprookster, een Dinkavrouw
69: Man met hoed, een Litouwer
70: De uitbater, een Glagoliet
71: De chauffeur van Roots Removal
72: Een toerist te Tønder
73: Oud & Verbitterd; Jong & Bronstig
74: Kostas & Dimitri, Grieken te Pserimos
75: De schoonmaakster, een Noorse
76: De begraafplaatsbeheerder, een Zuid-Afrikaan te Mauritius
77: Bart, een Belg in Toronto

78: De vrijwilliger van Fort Sabina
79: Poncke Princen, Nederlander te Indonesië
80: Ger Harmsen, de Marx-Professor
81: Jaap van de Scheur, Stakingsleider
82: G.A.Wagner, oud Shell-directeur
83: Arie Kleywegt, columnist en oud T.V. directeur

 

 

Winter 1998

Een hond in shock

 Het gebeurde op de E-19 in België vlak voor de afslag Sint-Job-in-’t-Goor. Onweer. Donder en bliksem. Stortregens. Het zicht was minimaal. Ineens was daar die grote hond. Remmen hielp niet meer. Wij hoorden een doffe harde bonk. 

      Ik stuurde de wagen naar de vluchtstrook vlak tegen de vangrail. Wij stapten uit en gingen op zoek naar de hond die wel dood zou zijn en ergens moest liggen. Het was donker en het verkeer raasde in dit noodweer pal langs ons heen.
      Geen spoor van de hond te vinden
Ook aan de andere kant van de vangrail zagen we niets. We besloten om weer weg te rijden, maar de auto blokkeerde.
      Ik stapte uit en daar lag de hond. Gekromd voor mijn linkerachterwiel. Hij leefde nog. Onder het bloed, drijfnat, trillend over zijn hele lijf. Waarschijnlijk in shock. Hij keek ons indringend aan. Vragend bijna.
      ‘Doe iets. Laat me hier niet achter’.

‘Dit is hopeloos’, zei ik maar eens tegen Heleen, mijn echtgenote.
      Ook wij waren inmiddels doorweekt en wisten in eerste instantie niet zo best wat we moesten doen. Het was zondagavond en we wilden het liefst zo snel mogelijk thuis zijn.
      Maar ja.
De blik in de ogen van die trillende hond schreeuwde om actie. 
      Ik reed de auto voorzichtig een stukje naar achteren en pakte daarna de hond op en legde hem in de achterbak. We reden naar het stadje Sint-Job-in-’t-Goor waar natuurlijk niemand op straat was. Onder een lantaarnpaal nam ik maar eens de schade op. Bumper verbogen, deuk in de motorkap, kapotte voorlamp links, losgeslagen accu. Opeens zagen we het politiebureau. We vertelden het verhaal aan een dienstdoende politieman, die daarna weinig inschikkelijk was. Hij vond dat we maar naar een dierenarts moesten gaan. 
      Zou hij dan misschien even met de dierenarts kunnen bellen?
Hij belde, maar kreeg geen gehoor en legde uit waar de dierenarts woonde. Toen zei hij:
       ‘Dan kan ik verder niets voor u doen’.

Bij de praktijk van de dierenarts hing een bordje voor het raam. Voor zondagsdienst moesten we bij een arts in Maria ter Heide zijn.  Een blik achter in de kofferbak leerde dat de hond nog steeds in een soort shock verkeerde.
      De regen was gestopt, maar het bleek met één werkende koplamp, een rammelende bumper, een zwervende accu en een doodzieke hond toch een heel eind van Sint-Job-in-‘t- Goor naar Maria ter Heide.

      'Die namen', dacht ik onderweg volkomen irrelevant. 
     
'Wie was Sint Job en wat deed hij in 't Goor?'
      'Wat is dat trouwens 't Goor?'
      'En wat had Maria daar op de heide uitgespookt?
’

Dokter Vandeweyer kwam zelf naar buiten, wierp een blik op de hond en vroeg:
      ‘Bijt ‘em?’
      ‘Nee dokter. Tenminste hij heeft ons niet gebeten. Dat beest is doodsbang‘.
Hij pakte de hond voorzichtig op, bracht hem naar zijn praktijk en legde hem op een tafel. Anderhalf uur bleef hij bezig. Rustig en vakkundig. Toen legde hij hem in een verwarmd hok.
      ’Ik kan u niet voorspellen hoe het afloopt, maar de eigenaar mag tevreden zijn dat u dierenliefhebbers bent’.
Hij bood ons een kopje koffie aan -’iets sterkers mag ook wel, maar u moet nog naar Holland rijden’- en noteerde wat gegevens.
      Tja, de rekening’, zei hij. ’Hopelijk vinden we de eigenaar, want ik zou het terug gênant vinden om u die te sturen’.
Hij gaf ons het advies om de affaire bij de politie te melden. Hij belde en zei even later: ’U wordt verwacht in Brasschaat’.

Het was inmiddels weer gaan regenen en het bleek van Maria ter Heide naar Brasschaat met één koplamp, een dolende accu en een rammelende bumper ook zonder doodzieke hond een behoorlijk eind.
      Bij de politie moesten we apart verhoord worden.
      ‘Dat vereist de wet Franchimont’, zei de inspecteur. ’Die is dit jaar aangenomen. Een strenge wet. Dat komt allemaal door Dutroux’.
Bij het verhoor leerden we wat die wet ondermeer inhoudt.
      Of de hond van links naar rechts liep, of andersom of misschien wel van voor naar achter of van achter naar voor. Bovendien vereiste de wet Franchimont, dat wij ieder een situatietekening moesten maken.
      Toen ik de tekening inleverde, waarop ik een vakje had getekend met daarop geschreven ‘hond’ schudde de inspecteur zuchtend zijn hoofd. Misschien kunt u proberen iets te tekenen wat echt op een hond lijkt. Dat vereist nu eenmaal de wet Franchimont’.

Op weg naar huis praatten we uiteraard over de hond. Een Mechelse herder, hadden we intussen geleerd.
      Stel dat het beest blijft leven en stel de eigenaar komt niet opdagen!
      Dan houden wij hem.
      En we noemen hem Rokus.

De volgende dag belde de dierenarts.
      De hond zou het overleven en de eigenaar had zich al gemeld.
      Tja.
      Geen Rokus.

      En wij hoorden niets van die eigenaar.
Belgen zijn soms net Nederlanders.

 

 

 

Het eiland van kleurenblindheid

(Door Rolf Weijburg)

Ik heb er naar gezocht maar heb het niet zien liggen.
      We waren onderweg van Kosrae naar Pohnpei, twee van de vier deelstaten van de Federated States of Micronesia, het op 18 na kleinste land ter wereld, en hoewel het volgens de kaart toch precies tussen deze twee eilanden in moet liggen, was er nergens een spoor van Pingelap te bekennen.

Klein atol


Achromatopsia

Pingelap is een klein atol in de deelstaat Pohnpei. Ongeveer halverwege Kosrae en Pohnpei. Er wonen 250 mensen waarvan 10% lijdt aan een ernstige vorm van kleurenblindheid, complete achromatopsia, een aandoening waaraan in bijvoorbeeld Amerika slechts 1 op de 30.000 mensen lijdt.

      Het schijnt dat de koning van het eiland, Doahkaesa Mwanenihsed, de aandoening had toen een tyfoon en opvolgende tsunami in 1775 het gros van de eilandbewoners doodden. De koning, samen met een twintigtal anderen, overleefde het. Hij kreeg veel kinderen en het isolement van het eiland samen met een taboe op het trouwen met niet-eilanders zorgde ervoor dat de kleurenblindheid zich op Pingelap door de jaren heen zo heeft kunnen verspreiden.

      Voor mensen die aan complete achromatopsia lijden is kleur niet meer dan een woord. Zij kunnen niet alleen geen kleuren onderscheiden en zien alles zwart/wit of in tinten grijs maar kunnen vaak ook slecht tegen zonlicht, wat niet handig is op een tropisch eiland.

Oliver Sacks     

De Amerikaanse neuroloog Oliver Sacks reisde naar Pingelap en deed er onderzoek naar de kleurloze wereld waarin veel eilandbewoners leven.     
      Hij schreef het mooie boek “ The Island of the Color Blind” (1997)


Sanne de Wilde

Een boek met dezelfde titel verscheen in 2015 van de hand van de Belgische fotografe Sanne de Wilde. Zij reisde ook naar Pingelap en maakte een intrigerende fotoserie van portretten en landschappen die haar in 2017 een Zilveren Camera opleverde. Zie hier haar mooie presentatie

(https://www.youtube.com/watch?v=NXZH-b5008U&t=2s)

© Sanne de Wilde

Airport

Om op Pingelap te komen moet je met een vliegtuigje van Caroline Islands Air dat een onbetrouwbare incidentele “lijndienst” naar het atol onderhoudt. Je moet dan nog maar zien wanneer je weer terug kunt.

 

Kapingamarangi

Ook al komen er niet zoveel vliegtuigen, Pingelap heeft dan in ieder geval nog een vliegveldje. Verreweg het meest afgelegen bewoonde eiland in de deelstaat Pohnpei, Kapingamarangi, heeft zelfs dat niet.

Dit kleine atol met een dertigtal piepkleine lage eilandjes op het rif ligt op ruim achthonderd kilometer ten zuidwesten van Pohnpei, eenzaam in een hele Grote Oceaan. Er wonen ongeveer 500 mensen. Ze leven er van de vis natuurlijk en een paar keer per jaar komt er een schip vanuit Pohnpei met alles aan boord wat er verder nog zoal nodig is.

 

Wig

De taal die de inwoners spreken is geen Micronesische maar een Polynesische. Samen met het 300 kilometer noordelijker gelegen atol Nukuoro, waar ook een Polynesische taal wordt gesproken, vormt het eiland een soort Polynesische wig tussen de Micronesische Caroline Islands, de ketting van eilanden die samen de FSM vormen, en het zuidelijker gelegen Melanesische Papoea Nieuw Guinea. Hierdoor - alsmede door de verafgelegen ligging - kunnen deze atollen niet tot de Carolines worden gerekend.

      Toen Spanje in 1899 de Caroline eilanden aan Duitsland verkocht, hoorden Kapingamarangi en Nukuoro daar dus eigenlijk niet bij, waardoor deze twee eilandjes feitelijk nog steeds officieel Spaans grondgebied zijn.
      Na vragen in het parlement heeft de Spaanse regering dit in 1948 ook onderzocht en bevestigd, maar tot op de dag van vandaag is er nooit enige poging ondernomen er iets mee te doen. In Spanje wordt het bezit van die eilandjes doodgezwegen en ik denk dat het land de verre eilandjes liever arm dan rijk is.

      Van tijd tot tijd is er echter wel iemand die de kwestie weer onder de aandacht brengt.

Zoals Paco Nadal die naar eigen zeggen als eerste Spanjaard in drie eeuwen na een overtocht van vier dagen per zeilboot vanuit Pohnpei dit afgelegen stukje Spanje bezoekt en er niet een Spaanse vlag hijst maar een Spaanse tortilla bakt.

https://www.youtube.com/watch?v=-b8pOU8ZifA


 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen



 

 


 

Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh