Reizen (518)

 


Het eenzame eiland


(Door Rolf Weijburg)

Eigenlijk wilden we een maand blijven in de Federated States of Micronesia, zeg maar FSM, het op 18 na kleinste land ter wereld in de noordwestelijke Pacific. Vanuit de Marshall Islands (het op zes na kleinste land ter wereld) wilden we de FSM van oost naar west doorkruisen met bezoeken aan alle vier de deelstaten van het land: Kosrae, Pohnpei, Chuuk en Yap. Maar dat liep anders.
      Corona verjoeg ons in maart vorig jaar uit de Marshall Islands en omdat ook de FSM haar grenzen zou gaan sluiten moesten we onze vluchten omboeken en bleek een bezoek van slechts twee dagen aan Pohnpei alles wat er nog in zat.

      Geen bezoek aan Kosrae dus. Maar na een vlucht van een uur of twee vanuit Kwajalein in de Marshalls maakte het bijna lege vliegtuig op weg naar Pohnpei wel een tussenstop in Kosrae waardoor we toch een impressie kregen van de schoonheid van dit eenzame eiland.

Tussenstop

Kosrae is de enige deelstaat van de FSM die (enkele kleine eilandjes vlak voor de kust  daar gelaten) uit slechts één eiland bestaat: het bergachtige, diepgroene Kosrae (of Kosaie).
      Het is qua oppervlakte na Pohnpei de tweede deelstaat van het land maar het heeft van de vier deelstaten het minste inwoners, 7000 zielen die hoofdzakelijk van landbouw en visserij leven. Zoals op veel Pacifische eilanden zijn ook de inwoners van Kosrae zeer religieus. Op zondag is alles behalve kerkgang en eten (maar niet het klaarmaken ervan) verboden, inclusief sport, alcohol en werk in welke vorm dan ook.

      Het eiland is vruchtbaar en rijkelijk met regen bewaterd. De vrouwen oogsten de tropische vruchten die er weelderig aan de bomen groeien. Broodvrucht, bananen, mango’s, kokosnoot, papaya en de lokale groene pitloze mandarijnen. De zee kent een overvloed aan vis die door de mannen in hun houten outrigger boten met visnetten vol aan land wordt gebracht.

Sleeping Beauty

      En dan ook nog die centrale bergrug die ze vanwege het silhouet The Sleeping Beauty noemen.
Het lijkt een waar aards paradijs.


Backwater

Weinig mensen doen Kosrae aan, met minder dan vijfhonderd toeristen per jaar is het de minst bezochte deelstaat van de FSM. Een backwater, zogezegd, maar betoverend mooi en met Lelu, de kleinere maar soortgelijke megalithische ruïnes als Nan Madol op Pohnpei, ook nog eens mysterieus.
      Sowieso waren onze verwachtingen hooggespannen. In Majuro, de hoofdstad van de Marshall Islands, hadden we Holden ontmoet die werkzaam was in het ziekenhuis. Hij was psychiater en kwam oorspronkelijk van Kosrae, waar hij geen werk had kunnen vinden (“No one needs a shrink in Kosrae!”). Hij kon lyrisch over zijn geboorte-eiland vertellen en toen hij hoorde dat we van plan waren Kosrae te bezoeken belde hij direct zijn broer om te zeggen dat hij een kamer voor ons in het huis moest vrijmaken.
      “Mijn broer speelt de hele dag gitaar, dus u heeft geen last van hem!”
Maar het liep dus anders. Toen het vliegtuig nabij de kleine terminal tot stilstand was gekomen, gingen de deuren open en stapten drie van de ongeveer twintig passagiers uit. Wij bleven zitten.

     

Niemand was ingestapt toen we na een half uurtje de startbaan weer oprolden en begonnen aan de 400 kilometer lange tocht naar Pohnpei.


 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen


 

 

ONGELOOFLIJK MOOI  

 
 

Een bootje in de wind


(Door Rolf Weijburg)

We bevinden ons in een klein bootje in de Madolenihmw Baai in het zuidoosten van het eiland Pohnpei in de Federated States of Micronesia, het op 18 na kleinste land ter wereld in de noordwestelijke Pacific.
      Het bootje vecht zich tegen de wind in een weg naar het eilandje Temwen.



Werelderfgoed

We ronden de noordelijke punt van Temwen en manoeuvreren langs dicht mangrovewoud zuidwaarts via een smalle doorgang die toegang biedt tot een soort kanaal dat zich tussen mangrove en jungle door wurmt.

We naderen de mysterieuze ruïnes van Nan Madol, een Unesco World Heritage Site.


Blokken basalt

Opeens blijken de oevers bezaaid met grote blokken basalt. Het zijn vijf of zeshoekige kolommen, dik als een kleine boomstam en soms wel tot vijf meter lang. Eerst liggen ze nog her en der verspreid langs de overwoekerde oevers en in het heldere ondiepe water, maar naar gelang we verder varen lijken het fundamenten of lage muurtjes langs beide zijden van het kanaal, keurig over en dwars opgestapeld een beetje als in een blokhut patroon.

Dan opeens staat er dit ongelofelijke gebouw.

 

Heilige grond

Er zit een man in de schaduw van wat palmbomen aan wie we drie dollar moeten betalen. Geen toegangsprijs voor een nationaal park of openluchtmuseum zoals je dat zou verwachten, maar een prijs voor het betreden van privé terrein. Zoals al het land in Micronesië, is ook de heilige grond van Nan Madol privé terrein en daar probeert de eigenaar een centje aan over te houden.

 

Nan Douwas

Het grote gebouw is Nan Douwas, een tempel en begraafplaats. Het is één van de best bewaarde constructies van de stad die is gebouwd op 69 kunstmatige eilanden en zich uitstrekt over grofweg 30 vierkante kilometer.

We stappen aan wal en lopen om deze ongelofelijke tempel waarvan de muren tot wel 8 meter hoog zijn, allemaal gebouwd in diezelfde bouwstijl met basaltkolommen die vijf ton kunnen wegen. Enkele muren zijn onder hun eigen gewicht bezweken, sommige beschadigd door de kracht van boomwortels, maar veel staat nog overeind.


Ongelofelijke plek

Via één van de drie ingangen kom je op een binnenplaats waar tussen de chaos van omgevallen muren en tropisch vegetatiegeweld een drietal diepe graven nog gedeeltelijk met basaltkolommen ligt afgedekt. Ze zijn leeg, wellicht al eeuwen geleden geplunderd. Het is een ongelofelijke plek.


Overwoekerd complex

En er zijn nog zoveel andere eilandjes. Veel zijn er onderzocht en in kaart gebracht, maar er zijn er nog heel wat waarvan de ruïnes nog onder dicht oerwoud liggen verborgen. Was dit in Europa, dan zou het zomaar duizenden bezoekers per week kunnen trekken.
      Hier op dit verre eiland was, behalve de geld vragende grondeigenaar, niemand.
Er waren ook geen informatiekiosken, infobordjes of richtingaanwijzers, geen toegangspoort of parkeerterrein, geen hekjes, verbodsborden of schijnwerpers laat staan een systeem van online reservereing.

      Er was alleen dit prachtige overwoekerde complex van al die kunstmatige eilandjes aan de rand van de oceaan. Het geluid van de branding, de wind in de bladeren en een fluitende vogel.


Saudeleurs

Wat mij betreft past deze plek in het rijtje Machu Picchu, Angkor Wat en Paaseiland, maar veel is nog onduidelijk over Nan Madol. De stad werd waarschijnlijk ergens in de zevende eeuw gesticht door de Saudeleurs,  een volk waarvan niet helemaal duidelijk is waar ze vandaan kwamen. De plek is halverwege de 19e eeuw plotseling verlaten, maar niemand weet waarom. Sindsdien is de jungle zijn gang gegaan. Maar het grootste mysterie is natuurlijk hoe.
      Hoe in vredesnaam konden deze constructies met die loodzware kolommen worden gebouwd. Sterker nog, gegeven het feit dat de dichtstbijzijnde basaltgroeven helemaal aan de andere kant van Pohnpei, 30 kilometer verderop lagen, hoe konden ze in die tijd die kolommen hiernaartoe verslepen?
     

De meeste Pohnpeianen wisten het wel: de goden hadden een beetje meegeholpen waardoor de zware kolommen gewoon naar hun bestemming hadden kunnen vliegen.

 

 

Rolf Weijburg's
 A
tlas van de 25 kleinste landen in de wereld

Klik HIER voor alle afleveringen



 

 

 

  (Ontvangen van Theo Uittenbogaard)


januari 1971:

Ik reis naar India, overland, langs de hippie-trail, om eens onbekommerd in het Oosten stoned te kunnen worden. 

maart 1971: 
Onderweg lees ik in een hobbelende bus in een vettig, veelgelezen pocketboek de memoires van de Dalai Lama uit 1962. 

Ik zie in de appendix, dat Zijne Heiligheid een adres heeft in de Himalaya. In India. In de Swargashram, Dharmsala Cantt, East Punjab, India. 

Ik schrijf hem een brief; dat ik misschien, ooit, enige maanden later, of helemaal niet, per ongeluk, wel langs zou willen komen om hem te interviewen. Ik kan geen datum zeggen. 

juni 1971: 
Ik reis door Kashmir, in een hobbelende bus terug, van Srinagar naar Amritsar.

En denk halverwege: Als ik hier, nu, linksaf sla, ben ik binnen een halve dag bij Zijne Heiligheid. 

Ik doe het. Ik sla linksaf. 's Avonds maak ik een ommetje door het dorp, en vind zijn residentie. Er staat een sikh-schildwacht voor het gesloten hek voor het paleis van de Dalai Lama. Het blijkt een opgeknapte groengeschilderde bouwkeet in een lommerrijke tuin. 

Ik vraag de schildwacht of ik een dezer dagen misschien een afspraak zou kunnen maken met de Secretaris van Zijne Hh, en hem zou kunnen spreken, vanwege dit en dat....
"Wacht", zegt de sikh, "Wat is je naam ?" Ik zeg het. 
Hij bladert door een groot dik boek, dat in zijn wit/rood/schuingestreepte schildwachthuisje gereed ligt, en zegt tegen me: 
"Hier staat het: 10:30 uur: UITTENBOGAARD. Morgenochtend heb je een audiëntie bij Zijne Heiligheid". 

 

 

 

Van Wadi Halfa naar Aswan

Ik begon deze serie over Sudan met een stukje over een reis in 1984 van Aswan in het zuiden van Egypte naar Khartoum, de hoofdstad van Sudan. Een tocht met veel ongemak, onverwachte wendingen, bizarre taferelen en corruptie alom. Titel: De Sudanfactor.
Rolf Weijburg , die u kent van zijn serie over de kleinste landen in de wereld, maakte in janauri 1979 deze reis in omgekeerde richting. Hij stuurde mij dit ‘contra’-verhaal onder de titel: De Egyptefactor.


De Egyptefactor

(Door Rolf Weijburg)

In het sjieke Oberoi Hotel op Elephantine Island, net stroomafwaarts van de Grote Aswan Dam in de Nijl in Egypte, was alles rustig. Het hotel zat voor een groot deel vol. Veel Amerikanen en Britten, maar ook Canadezen, Duitsers, Fransen en Italianen. Toeristen en een enkele zakenman. De meeste gasten lagen al op bed in de comfortabele kamers. Hier en daar brandde nog licht en in de stemmig verlichte bar zat nog een enkeling te genieten van een peperduur drankje. Het was bijna middernacht.

      Telefoontjes verstoorden plotseling de rust, geroezemoes weerklonk, gedonder in de glazen. Mannen in donkere pakken kwamen de lobby ingerend. Egyptian Secret Police. De bar moest worden gesloten. Hotelpersoneel, maar ook politieagenten renden door de gangen. Op alle kamerdeuren werd hardhandig geklopt. Het hotel moest worden ontruimd. Nu. Onmiddellijk. Orders van hogerhand. De hotelgasten en het meeste personeel werden in bootjes gepropt en naar Aswan op de oostelijke Nijloever gebracht. Daar waren in allerijl in andere hotels kamers geregeld voor de nacht. Dat wel, maar toch.

       Diezelfde nacht sneed een merkwaardig drijvend object door het strakke nachtelijke water van het Nassermeer. Het waren een drietal aan elkaar gebonden schepen, ieder met één verdieping. Het middelste schip was de motor en ploegde door middel van een groot rad aan de achterkant het hele handeltje noordwaarts richting Aswan. Dit was de Lake Nasser Ferry die twee dagen geleden uit het Soedanese Wadi Halfa, vijfhonderd kilometer naar het zuiden, was vertrokken. Het miezerige plaatsje is het eindstation van de lange spoorlijn die vanuit Khartoem dwars door de Nubische woestijn loopt en de vertrekhaven van de ferry die een paar keer per maand over het Nassermeer naar Aswan vaart. Aankomen en zo snel mogelijk weer vertrekken dat is wat bijna iedereen in Wadi Halfa deed.

               

Aan boord was het een stuk minder rustig dan in het Oberoi Hotel. De dekken lagen overvol met mensen, bagage, geiten, kippen en kamelen, heel veel kamelen. Soedanese kamelen die op de grootste kamelenmarkt in Egypte, de Daraw-markt, iets ten noorden van Aswan, verhandeld zouden worden om waarschijnlijk in de slachthuizen van Cairo te eindigen. De ferry had ook een paar auto’s aan boord waaronder een kleine vrachtwagen. Tussen alles en iedereen in lag het dek bezaaid met butagasflessen waarvan onduidelijk was of ze vol of leeg waren. Iedereen rookte gewoon door dus ik hoopte maar dat ze leeg waren. Ondanks dat er luid gepraat werd en flink gerocheld, waren her en der passagiers, soms in de meest onmogelijke posities, vredig in slaap gevallen.

      Twee dagen dobberden we zo al voort over dit merkwaardige meer dat is ontstaan door de bouw van de gigantische Aswan Dam. Een enorm smaragdblauw meer met oevers als maanlandschappen zonder ook maar het minste stukje groen.
“Tomorrow Egypt! Tomorrow Aswan!” De stuurman die boven het grote schoepenrad op de brug zat was er absoluut zeker van. Morgen zouden we er zijn. Maar voor de zekerheid voegde hij er, terwijl hij zijn ogen ten hemel sloeg “Inch Allah” aan toe. Als God het wil.

      God leek het werkelijk te willen: de volgende dag zagen we het meer zich vernauwen. De oevers kregen weer detail en aan de horizon recht voor ons verscheen in de middag de vage rechte lijn van de Aswan Dam. Rechts op de oever vlekjes, vierkantjes, kubussen, huizen. Bomen. Een haven tekende zich af. Steigers, vrachtauto’s, ezelkarren en mensen met steekwagentjes. Drukte. Lawaai. Getoeter. Dit was Sad-el-Ali, eindpunt van de tocht. Op de ferry stond iedereen al te dringen. De tassen waren dichtgeritst. Kleedjes opgerold. De kamelen werden van hun kniehalsters ontdaan en de geiten losgemaakt van de relingen.

      Een touw werd uitgegooid. Iemand ving het op, trok, hield de lijn strak, maar maakte het touw niet vast. Hij schrok van een politie-auto die met piepende banden langs de kade aan kwam rijden en waarvan de deuren openzwaaiden nog voordat de wagen goed en wel stil stond. Vier geüniformeerde mannen stapten uit en begonnen te schreeuwen naar de kapitein en zijn kornuiten. Er werd heftig gediscussieerd. Andere geüniformeerden arriveerden. Twee bootofficials sprongen van boord om druk gebarend de uniformen te woord te staan.

      Het leek een opstootje. Niemand wist wat er aan de hand was.

Maar net zo snel als ze verschenen vertrokken ze weer, de uniformen in hun auto. De auto reed het haventerrein af. De bootjongens klommen weer aan boord. De man liet het touw in het water vallen zodat het kon worden teruggetrokken, de al wegvarende ferry op.
Niemand mocht van boord. Niemand mocht Egypte in. God had het toch niet gewild. We voeren terug het meer op.

      Er was consternatie alom aan boord. Waarom legden we niet aan? Waarom mochten we niet van boord? Wat was er aan de hand?

De kapitein spreidde zijn armen, haalde de schouders op en zei:“We stay on the lake tonight. Die mensen in de haven, dat was de Egyptian Secret Police. Onze president Anwar Sadat heeft een aantal hooggeplaatste gasten op bezoek en gaat met hen een tochtje maken over het meer en langs de dam. Daarom hebben ze de hele haven verboden terrein verklaard en de grens gesloten. We mogen niet aanleggen en moeten nog een nacht doorbrengen op het meer. Morgen zullen we aanleggen in Sad-el-Ali. Morgen kunnen we Egypte in, Inch Allah.”

      Mopperend namen de passagiers hun plekken weer in en na enig schikken en schuiven maakte de boosheid plaats voor berusting. De ferry had inmiddels het anker uitgegooid bij wat rotsige eilandjes. Als een stateloos vluchtelingenkamp dobberden we op het water. Soedan verlaten, maar nooit in Egypte aangekomen.
Later in de middag kwam de oorzaak van al dit oponthoud langsvaren. Omringd door een aantal politiebootjes gleed een luxe motorjacht over het water. Mannetjes in glimmende uniformen en in pak stonden aan dek. Ze zwaaiden naar ons. Op de ferry zei iedereen “Sadat! Sadat!” Maar slechts weinigen zwaaiden terug.

      De volgende ochtend was het dan zo ver. De ferry legde aan in de haven en de passagiers stormden de loopplank af. Chaos. Kruiers boden zich aan. Vrachtwagens verdrongen zich om zo dicht mogelijk bij de boot te komen. Kamelen. Mannen hadden fantastische hotels in de aanbieding. Of taxi’s. Of de beste koersen voor het Egyptische pond. Havenpersoneel stuurde iedere passagier die de loopplank afkwam naar een barak waar tientallen mensen al met hun paspoorten stonden te zwaaien. De douaniers stempelden er flink op los en het lukte me vrij snel ook mijn paspoort onder de ritmisch doorstempelende douanehand te schuiven. Ik betwijfel of de man ook maar iets van mijn visum heeft kunnen lezen, maar ik was nu officieel gearriveerd en kon het haventerrein verlaten.

      Ik was in Egypte. Vanaf het station van Sad-el-Ali nam ik een boemeltje naar Aswan Centraal. Daar ging ik in het vroege ochtendzonnetje op een terras zitten voor een uitgebreid ontbijt.

      Er zat een Canadees echtpaar naast me en we raakten in gesprek. “Nee, dat waren niet zomaar hooggeplaatste mensen op dat motorjacht. Dat was Sadat, samen met de Shah van Perzië en de Amerikaanse ex-president Gerald Ford! Er is revolutie in Iran en de Shah is eergisteren zijn land ontvlucht. Hij is op het vliegtuig gestapt en naar Aswan gevlogen, naar zijn goede vriend Anwar Sadat. Ford, die toevallig in Caïro was, werd gevraagd om voor overleg ook naar Aswan te komen. Er werd een impromptu meeting georganiseerd in het Oberoi Hotel en uit veiligheidsoverwegingen werd besloten om het complete hotel te ontruimen. Rond middernacht werden we van ons bed gelicht en moesten we verhuizen naar een kamertje hier in de stad. Daar hebben we twee nachten geslapen en vanmiddag pas mogen we weer terug naar het Oberoi. Isn’t it un-be-lie-vable?”

 

 

 Juli 2011

Leiders, slagers, kinderen, vroedvrouwen

 Zuid-Sudan werd in juli 2011 het jongste onafhankelijke land in de wereld. Mijn vriend Henk Weltevreden is een wereldreiziger en gjng er onmiddellijk naar toe. 
      
Niet naar de hoofdstad Juba,  maar de provincie Bahr el Gazal; zo’n 1.000 kilometer naar het westen van de hoofdstad. 
Hij ging daar niet naar toe om te berichten over de politieke situatie of zo, maar wilde met mensen praten en foto's maken.

      Een impressie:


Majakbai Community Leader


 

Majakbal jongen 

 

 

 Suoth Sudan; nog ff wenne....

 

 

Wau; een stadje

Wau is een klein stadje in het uiterste zuidwesten van het nieuwste land in deze wereld: Zuid Sudan.
     Er is een vliegveldje, waar ze nog een beetje aan het Engels moeten wennen.
Wau Airport: NB: 07’.42.54’’ OL: 27’59.17’’


Bahr el Ghazal

Bahr el Gazal betekent letterlijk Rivier van de Gazelle.
     
Men eet hier natuurlijk veel gazellevlees.

De slager hieronder.



Vroedvrouwen

 

Raga girl



Deinjalab Man

 

Nummerplaat SS

 

 
Het land werd op 9 juli onafhankelijk. De nummerplaten zijn ook aangepast.
       Gewoon SS voor Zuid Sudan. 
Met de tweede wereldoorlog willen ze hier niet zoveel te maken hebben.
      Ze hebben hun eigen burgeroorlog gehad. Die heeft zo’n 50 jaar geduurd.


Obstakels op de weg

Ik kreeg een reactie op dit bericht van Rolf Weijburg (Te gast 36).
     
Hij was twee jaar daarvoor in Zuid Sudan. Toen al reden de auto’s rond met het kenteken SS.
Verder was het nogal apart om daar over onverharde wegen te rijden.

 

 
Hij schrijft:

Ze waren in SS flink bezig met het aanleggen van (onverharde) wegen. Die werden zoveel mogelijk in rechte lijnen aangelegd.
      Regelmatig echter stond er een huis midden op de weg.
Een huis?
      In de Afrikaanse hitte leek het eerst een fata morgana, maar dichterbij gekomen bleek het telkens echt waar: een huis!
Je moest dan afremmen, links of rechts om het huis heen hobbelen en daarna kon je weer full speed over de kaarsrechte weg verder.

 

 

Why

      "Why are they building their houses in the middle of the road?, " vroeg ik aan de chauffeur.

      "No, Sir, it's not like that. It's the other way round", was het antwoord.

 

 

Verrassing

Want soms kwamen de wegenbouwers dorpen tegen die precies op de route van de aan te leggen weg lagen.
      Misschien stonden ze wel op geen enkele kaart en was het telkens een complete verrassing, maar liever dan een bocht om het dorp heen te maken werd de dorpelingen gesommeerd hun huizen af te breken en elders weer op te bouwen.
      Ze werden daar wel voor gecompenseerd, maar sommigen vonden die compensatie te laag, of wilden gewoon niet verkassen.
In die gevallen stopten de wegenbouwers hun werk vlak vóór het huis om er vlak achter weer gewoon verder te gaan met het aanleggen van de kaarsrechte weg.



Subcategorieën

Domar: Noord Bangladesh